Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16222

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
SGR 26/3485
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen woningsluiting op grond van Opiumwet

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van de burgemeester van Rijswijk om hun woning voor drie maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet, nadat bij een doorzoeking ruim drie kilo hennep en diverse drugshandelattributen werden aangetroffen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting, omdat de hoeveelheid softdrugs ruim boven de vijf gram ligt en er voldoende aanwijzingen zijn dat de woning een rol speelt in de drugshandel. De stelling van verzoekers dat zij de goederen slechts tijdelijk voor een kennis bewaarden, wordt niet aannemelijk geacht.

Hoewel verzoekers persoonlijke omstandigheden aanvoeren, zoals een aanstaande operatie en het houden van een bed & breakfast, acht de voorzieningenrechter de sluiting evenwichtig en noodzakelijk ter bescherming van het woon- en leefklimaat. Het verzoek om opschorting wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Verzoek om opschorting van de woningsluiting wordt afgewezen; woning wordt voor drie maanden gesloten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/3485

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekers sub 1] en [verzoekers sub 2], uit [woonplaats], verzoekers

(gemachtigde: mr. L. van der Schee),
en

de burgemeester van Rijswijk, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Buitenhuis).

Inleiding

1. Met het bestreden besluit van 20 april 2026 heeft verweerder meegedeeld dat de woning van verzoekers aan [adres] in [plaats] op 29 april 2026 om 10.00 uur voor de duur van drie maanden zal worden gesloten op grond van de Opiumwet. [1] Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van verweerder.
1.3.
Verweerder is desgevraagd bereid om niet tot de sluiting van de woning over te gaan totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op 15 mei 2026.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter kan een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [2] Daarbij kan worden betrokken of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemprocedure niet.
Waar gaat deze zaak over?
3. Blijkens de Bestuurlijke rapportage van 19 maart 2026 heeft de gemeente in samenwerking met onder meer de politie op 2 maart 2026 een integrale controle gehouden met twee speurhonden. Bij deze controle zijn in de garagebox van verzoekers ventilatoren, luchtbevochtigers, stekjes en een slakkenhuis (ventilatiesysteem) gevonden. Ook stond in de garagebox een zwarte emmer met aan de gehele binnenzijde kleine deeltjes hennepresten. Dit vormde aanleiding om op diezelfde dag de woning van verzoekers binnen te treden.
3.1.
Bij de doorzoeking van de woning zijn in de ‘rommelkamer’ hennep en verschillende attributen aangetroffen. Het gaat om 300 stuks vacuümbuiszakken, een vacumeermachine, een digitale weegschaal (tot 40 kg), een kleinere digitale weegschaal, en een maatschep van RVS met een inhoud van 1,5 à 2 liter. Ook werd er ruim drie kilo hennep (aan gruis en toppen) aangetroffen in een doorzichtige zak en een zwarte plastic zak.
3.2.
Hierop heeft verweerder besloten om de woning te sluiten voor de duur van drie maanden, vanaf 29 april 2026 om 10.00 uur. Deze zaak gaat over de vraag of de sluiting van de woning moet worden opgeschort totdat verweerder op het bezwaar heeft beslist.
Wat vinden verzoekers?
4. Verzoekers zijn het niet eens met de sluiting van hun woning, zij vinden de sluiting niet geschikt, niet noodzakelijk en ook niet evenredig. Verweerder heeft het besluit onvoldoende gemotiveerd. Zo is niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd dat sprake is van een woning die een rol vervult in de drugshandel. Verzoekers stellen de drugs en attributen voor een kennis te bewaren. Er zijn volgens verzoekers minder ingrijpende alternatieven voorhanden. Daarnaast is de sluiting onevenredig gelet op hun persoonlijke omstandigheden. Verzoeker moet op 1 mei worden geopereerd en moet daarvan thuis kunnen herstellen. Verder hebben zij twee katten en hebben zij in een deel van hun woning een bed & breakfast. Het is voor hen niet mogelijk om vervangende woonruimte te regelen voor de duur van de sluiting.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Juridisch kader
5. In haar uitspraak van 16 juli 2025 [3] heeft de Afdeling in aanvulling op eerdere jurisprudentie hierover de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De voorzieningenrechter verwijst voor deze uitgangspunten naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het verzoek.
Bevoegdheid tot sluiting
6. Verweerder is op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang als in een woning harddrugs of softdrugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Doorgaans wordt de woning voor een bepaalde periode gesloten.
7. Volgens vaste rechtspraak is artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet niet van toepassing bij de enkele aanwezigheid van drugs in een woning. De drugs moeten met een bepaalde bestemming aanwezig zijn, dat wil zeggen voor verkoop, aflevering of verstrekking. Als uitgangspunt geldt dat bij aanwezigheid van meer dan 5 gram softdrugs deze in beginsel (mede) bestemd worden geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van verzoeker om het tegendeel aannemelijk te maken. Als het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is verweerder bevoegd om de woning op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet te sluiten. Voor zover verzoeker heeft verklaard dat hij de softdrugs en de in de garagebox en woning aangetroffen goederen voor een derde in bewaring had, is dit op zichzelf nog niet voldoende om niet langer aannemelijk te achten dat de zeer grote hoeveelheid aangetroffen softdrugs en drugsgerelateerde goederen bestemd kunnen worden geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking van drugs. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was verweerder bevoegd om de woning te sluiten.
Evenredigheid: geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid van de sluiting
8. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de ernst en de omvang van de overtreding of sluiting van de woning nodig is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Daarbij is van belang of de drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op de handel vanuit het pand.
8.1.
De voorzieningenrechter volgt verweerder in zijn standpunt dat sprake is van een ernstig geval, gelet op de verschillende indicatoren die verweerder aan het besluit ten grondslag heeft gelegd. [4] Zo is er ruim 3 kilogram, dus aanzienlijk meer dan 50 gram aan softdrugs aangetroffen, en attributen die te relateren zijn aan drugshandel. Ook zijn drugsgerelateerde goederen aangetroffen op een andere locatie dan de woning, en valt verzoeker een zeker verwijt te maken nu hij de drugs zelf de woning in heeft gebracht. Verzoeker heeft op zitting toegelicht dat hij de softdrugs en goederen slechts één dag in bewaring had als vriendendienst voor een kennis, bij wie de woningbouwcorporatie thuis op bezoek zou komen. Zijn verklaring kan niet zonder meer worden gevolgd, nu verzoeker deze niet kan staven. Bovendien valt niet in te zien dat hij de goederen voor één dag zou verdelen door een deel met de auto naar zijn garagebox op de andere locatie te brengen en een deel in zijn woning neer te zetten als de kennis de goederen de volgende dag weer zou ophalen. Gelet op de zeer grote hoeveelheid drugs en aangetroffen attributen is het aannemelijk dat de woning een rol binnen de keten van drugshandel vervult. [5] Dat geen loop is geconstateerd en geen meldingen zijn gedaan over de woning doet dan niet af aan de noodzaak tot sluiten. Dit betekent dat verweerder niet met een lichter middel zoals een waarschuwing hoeft te volstaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is een sluiting onder de gegeven omstandigheden geschikt en noodzakelijk.
9. Als het sluiten van een woning in beginsel geschikt en noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenwichtig moet zijn. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de voor bewoners nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die verweerder met de sluiting wil bereiken. Deze laatste houden doorgaans verband met de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat verweerder een sluiting noodzakelijk acht.
9.1.
Verzoekers hebben aangevoerd dat verzoeker op 1 mei 2026 een operatieve ingreep moet ondergaan (correctie van een spermatocele). De voorzieningenrechter ziet in deze ingreep geen aanleiding voor het oordeel dat niet tot sluiting van de woning kan worden overgegaan. Het is begrijpelijk dat verzoeker liever herstelt in zijn vertrouwde omgeving, maar van een medische binding met de woning is niet gebleken. Het herstel kan immers ook elders plaatsvinden. Dit geldt eveneens voor de thuiswerkdagen van verzoekster, ook deze kunnen op een andere plek dan in de woning plaatsvinden. Verzoekster wijst erop dat zij niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de softdrugs en goederen in hun woning. Daarover merkt de voorzieningenrechter op dat verzoekster als bewoner verantwoordelijk is voor wat zich in de woning bevindt. Dit doet dus niet af aan de verwijtbaarheid van verzoekster. Daarbij wordt opgemerkt dat verzoeker een verwijt kan worden gemaakt, doordat hij willens en wetens de drugs de woning in heeft gebracht. De voorzieningenrechter overweegt verder dat ook de B&B – die een samenhangend geheel vormt met de woning – geen aanleiding vormt om de sluiting onevenwichtig te vinden. Verzoekers hebben een overzicht overgelegd met voor de periode juni en juli twee reserveringen van in totaal vijf nachten. De inkomsten die verzoekers mislopen lijken hiermee beperkt. Bovendien heeft verzoekster ook inkomsten uit loondienst. Dat een sluiting mogelijk van invloed is op de reputatie van de B&B en hun relatie met bijvoorbeeld de buren, komt voor rekening en risico van verzoekers. Tot slot is niet gebleken dat zij voor zichzelf en de twee katten voor de duur van de sluiting geen vervangende woonruimte kunnen regelen of betalen. De enkele niet nader onderbouwde stelling dat zij niet tijdelijk terecht kunnen bij familie of vrienden, en dat verblijf in een hotel of op een vakantiepark gelet op de aankomende vakantieperiode duur dan wel niet mogelijk is, is daartoe onvoldoende. De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat de sluiting niet onevenwichtig is.
10. Bij deze stand van zaken heeft het bezwaar van verzoekers geen redelijke kans van slagen en weegt het belang van verweerder bij sluiting van de woning zwaarder dan het belang van verzoekers bij opschorting.

Conclusie en gevolgen

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dit betekent dat de woning kan worden gesloten voor een periode van drie maanden. Gelet op de operatie van verzoeker op 1 mei 2026 en de ongemakken die daarmee gepaard gaan, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat verweerder verzoekers een korte termijn gunt om zich op de sluiting voor te bereiden. Een termijn van twee weken acht de voorzieningenrechter hierbij redelijk. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 13b, aanhef en onder a, van de Opiumwet.
2.Artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
4.Beleidsregel artikel 13b Opiumwet gemeente Rijswijk 2026.
5.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2067, r.o. 6.6.