ECLI:NL:RBDHA:2026:16197

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
NL25.50255
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 4 lid 4 Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens gewijzigde motivering, rechtsgevolgen afwijzing asielaanvraag blijven in stand

Eiser, van Ethiopische nationaliteit en behorend tot de Tigray bevolkingsgroep, diende een asielaanvraag in die door de minister werd afgewezen wegens het ontbreken van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. De minister achtte Addis Abeba als een normaal vestigingsalternatief voor eiser.

De rechtbank constateerde dat de minister tijdens de procedure de motivering van het besluit had gewijzigd, wat een motiveringsgebrek opleverde en het beroep gegrond maakte. De rechtbank beoordeelde vervolgens of de rechtsgevolgen van het besluit met de gewijzigde motivering in stand konden blijven.

De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende had gemotiveerd dat Addis Abeba als normale woon- en verblijfplaats kon worden aangemerkt, ondanks dat eiser daar ook gevangen heeft gezeten. Tevens vond de rechtbank dat de minister terecht had geoordeeld dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat eiser niet opnieuw vervolgd zal worden vanwege zijn etniciteit, mede gelet op het Cedoca-rapport en het Pretoria Agreement.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege het motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen in stand, waardoor eiser geen nieuw besluit krijgt. De minister werd veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, het bestreden besluit is vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50255

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Ethiopische nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Omdat de minister de motivering heeft gewijzigd, is het beroep op dat punt gegrond. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 24 september 2025 in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Daarbij is ook geen verblijfsvergunning regulier of uitstel van vertrek verleend. Aan eiser is wel een terugkeerbesluit opgelegd, waarin is bepaald dat eiser Nederland binnen vier weken moet verlaten en moet vertrekken naar Ethiopië.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft op 12 mei 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij tot de Tigray bevolkingsgroep behoort. Eiser heeft verder verklaard verschillende aanvaringen te hebben gehad met zowel de TDF (nu de TPLF), het Eritrese leger en het Ethiopische leger. Eiser heeft geen gehoor gegeven aan de verschillende oproepen van de TDF om met hen mee te vechten. Daarnaast vreest eiser vanwege zijn aanvaring met het Eritrese leger dat de TDF hem ziet als verrader. Verder heeft eiser verklaard dat hij in 2021 door het Ethiopische leger is gearresteerd en gevangen is gezet in Addis Abeba. Tijdens de arrestatie heeft het Ethiopische leger gezien dat eiser lid is van een Telegramgroep waarin video’s worden gedeeld die het Ethiopische leger in een slecht daglicht zetten. Eiser is na een paar maanden uit de gevangenis ontsnapt en vervolgens gevlucht.
De besluitvorming
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • problemen met de TPLF;
  • problemen met het Eritrese leger;
  • problemen met de federale overheid vanwege zijn etniciteit.
4.1.
De minister acht de asielmotieven van eiser geloofwaardig. Volgens de minister leiden de geloofwaardige asielmotieven echter niet tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Eiser heeft zijn vrees niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast volgt uit de verklaringen van eiser een vestigingsalternatief in Addis Abeba. Gelet op het voorgaande heeft de minister de asielaanvraag van eiser afgewezen en aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser moet binnen vier weken naar Ethiopië vertrekken.
5. In het verweerschrift heeft de minister aangegeven dat Addis Abeba voor eiser als normale woon- en verblijfplaats kan worden aangemerkt omdat eiser heeft verklaard dat hij van februari 2021 tot aan zijn vertrek in juni 2022 in Addis Abeba heeft verbleven. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting aangegeven dat dit het primaire standpunt van de minister betreft. Subsidiair stelt de minister zich nog steeds op het standpunt dat hij voldoende heeft gemotiveerd waarom er voor eiser in Tigray geen gegronde vrees voor vervolging en een reëel risico op ernstige schade is en dat Addis Abeba voor eiser als vestigingsalternatief kan gelden.
Oordeel rechtbank
6. De rechtbank merkt het standpunt van de minister in het verweerschrift aan als een gewijzigde motivering. Er is hiermee sprake van een motiveringsgebrek. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met de gewijzigde motivering in stand kunnen blijven.
Herhaling zienswijze
7. Eiser verwijst naar de zienswijze en verzoekt om de inhoud daarvan als herhaald en ingelast te beschouwen.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op wat eiser in de zienswijze heeft aangevoerd. Het enkel verwijzen naar de zienswijze in de beroepsgronden, zonder daarbij aan te geven op welke punten en waarom de motivering in het besluit volgens eiser niet toereikend is, is naar het oordeel van de rechtbank geen gemotiveerde betwisting van het besluit en kan daarom niet tot vernietiging van het besluit leiden.
Mocht de minister Addis Abeba aanmerken als normale woon- of verblijfsplaats?
8. Eiser voert aan dat Addis Abeba voor hem niet kan worden aangemerkt als normale woon- en verblijfsplaats omdat hij daar enkel noodgedwongen heeft verbleven nadat hij moest vluchten voor het geweld in Tigray. Verder voert eiser aan dat hij een aanzienlijk gedeelte van zijn totale verblijf in Addis Abeba in de gevangenis heeft gezeten. Ter onderbouwing wijst eiser op een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 4 mei 2026. [2]
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in het verweerschrift voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat Addis Abeba voor eiser als normale woon- en verblijfplaats kan worden aangemerkt. De minister heeft hiertoe terecht overwogen dat eiser heeft verklaard dat hij tussen februari 2021 en juni 2022 samen met vrienden in een woning in Addis Abeba heeft verbleven en dat niet is gebleken dat eiser Addis Abeba zo snel mogelijk weer wilde verlaten. Ook is niet gebleken dat eiser gedurende zijn verblijf in Addis Abeba ondergedoken heeft gezeten. Pas na zijn tijd in de gevangenis heeft eiser besloten om Addis Abeba te verlaten. Dat eiser tijdens zijn verblijf in Addis Abeba drie maanden in de gevangenis heeft gezeten, maakt niet dat Addis Abeba niet als normale woon- of verblijfsplaats kan worden aangemerkt. Deze periode doet namelijk niet af aan het feit dat hij daarnaast enige tijd feitelijk verblijf heeft gehad in Addis Abeba. [3]
Heeft de minister terecht geoordeeld dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft en bij terugkeer naar Addis Abeba geen reëel risico loopt op ernstige schade?
9. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer naar Addis Abeba wel degelijk een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser doet een beroep op artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn en stelt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat er sprake is van goede redenen om aan te nemen dat hij in Addis Abeba niet nogmaals zal worden vervolgd wegens zijn etniciteit. Ter onderbouwing wijst eiser op het Cedoca-rapport van 21 november 2025. [4] Verder voert eiser aan dat hij zich niet in Addis Abeba kan vestigen omdat hij niet beschikt over een Kebele-ID en om die reden zou worden gearresteerd. Voor het verkrijgen van een Kebele-ID moet eiser terug keren naar zijn oorspronkelijke woonplaats. Dat laatste is niet mogelijk, gelet op de situatie in Tigray.
9.1.
De rechtbank overweegt dat in artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn is bepaald dat het feit dat een vreemdeling al eerder is blootgesteld aan vervolging of ernstige schade, of dat hij rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of dergelijke schade, een duidelijke aanwijzing is dat zijn vrees voor vervolging gegrond is en dat het risico op het lijden van ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.
9.2.
De rechtbank stelt vast dat de minister de verklaringen van eiser over de problemen vanwege zijn Tigrese etniciteit geloofwaardig heeft geacht. Relevant is dat eiser in dit kader heeft verklaard dat hij vanaf februari 2022 voor drie maanden gevangen is genomen door de Ethiopische autoriteiten.
9.3.
De rechtbank is echter van oordeel dat de minister voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat eiser niet opnieuw vanwege zijn etniciteit zal worden vervolgd in Ethiopië. De minister heeft er terecht op gewezen dat uit het hiervoor genoemde Cedoca-rapport volgt dat er na van kracht worden van het Pretoria Agreement van 2 november 2022 geen sprake meer is van systematische vervolging van Tigreeërs of van arrestaties enkel vanwege hun etniciteit. [5] Hoewel uit het rapport ook blijkt dat er in 2024 en 2025 nog arrestaties van Tigreeërs hebben plaatsgevonden in Addis Abeba, volgt uit het rapport eveneens dat het aantal arrestaties aanzienlijk beperkter is dan tijdens het conflict in Tigray en dat de duur van de detenties doorgaans korter is. [6] De minister heeft verder terecht overwogen dat eiser ook niet persoonlijk aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Ethiopische autoriteiten. Hiertoe heeft de minister er terecht op gewezen dat uit de verklaringen van eiser volgt dat zijn eerdere arrestatie heeft plaatsgevonden in de context van het toenmalige conflict in Tigray en niet voortkwam uit specifieke, op eiser gerichte belangstelling van de autoriteiten. Ook heeft de minister er terecht op gewezen dat uit de beschikbare landeninformatie niet volgt dat Tigreeërs zonder Kebele-ID reeds daarom bij terugkeer naar Addis Abeba systematisch worden gearresteerd. Uit het Cedoca-rapport volgt weliswaar dat het ontbreken van geldige identiteitsdocumenten een risico verhogende factor kan vormen bij willekeurige controles, maar ook dat er geen sprake is van systematische vervolging of arrestaties van Tigreeërs in Addis Abeba.
9.4.
Uit de door eiser overgelegde recente informatie blijkt weliswaar van politieke veranderingen en spanningen in Tigray maar niet van grootschalige opleving van het gewapende conflict waardoor eiser door zijn aanwezigheid in Addis Abeba een risico loopt.
10. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De gronden ten aanzien van de veiligheidssituatie in Tigray en Addis Abeba als vestigingsalternatief laat de rechtbank daarom onbesproken.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond vanwege het geconstateerde motiveringsgebrek. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, maar ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Dat betekent dat de minister geen nieuw besluit hoeft te nemen.
11.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze proceskosten betalen. De kosten stelt de rechtbank, op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.ECLI:RBDHA:2026:10445.
3.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 januari 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:3628) en 18 september 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:357).
4.COI Focus Cedoca Ethiopië,
5.COI Focus Cedoca Ethiopië,
6.COI Focus Cedoca Ethiopië,