Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16161

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
AWB 24/9214
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 17 VwArt. 3.48 VbArt. 3.71 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden als slachtoffer mensenhandel

Eiseres, een Marokkaanse vrouw geboren in 2002, diende op 27 januari 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'tijdelijke humanitaire gronden' als slachtoffer van mensenhandel. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag op 15 juli 2023 af wegens het ontbreken van een verklaring van politie of KMar die aanwijzingen van mensenhandel bevestigt, en omdat eiseres geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf had.

Eiseres voerde aan dat zij vanwege haar verstandelijke beperking en medische situatie niet kon meewerken aan een strafproces en dat de minister ten onrechte een te streng toetsingskader hanteerde. Zij overhandigde medische stukken en verwees naar de B8-regeling in de Vreemdelingencirculaire. De rechtbank oordeelde echter dat de minister voldoende had gemotiveerd dat eiseres niet voldeed aan de voorwaarden, mede omdat de medische stukken onvoldoende aangaven welke gevolgen de klachten hadden voor medewerking aan het strafproces en omdat geen verklaring van politie of KMar was overgelegd.

Verder stelde eiseres dat zij ten onrechte niet was gehoord, maar de rechtbank vond dat de minister terecht van het horen had afgezien gezien het bezwaar en de stukken. Het terugkeerbesluit uit 2022 stond vast en werd niet herzien. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het bestreden besluit en wees terugbetaling van griffierecht en proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/9214

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S. Karkache),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen).

Procesverloop

Met het besluit van 15 juli 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ afgewezen.
Met het besluit van 29 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding1. Eiseres heeft de Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2002. Zij heeft op 27 januari 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ als slachtoffer van mensenhandel.
Het bestreden besluit2. Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen gehandhaafd. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor de door haar gevraagde verblijfsvergunning regulier met als doel ‘tijdelijke humanitaire gronden’, nu zij geen verklaring heeft overgelegd van de politie of de KMar waaruit blijkt dat er aanwijzingen zijn van mensenhandel. Verder geldt dat eiseres geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van dit vereiste. Eén van de redenen waarom eiseres geen vrijstelling krijgt, is dat haar uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens verweerder is er tussen eiseres en haar moeder sprake van familieleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, maar de moeder van eiseres heeft ook geen rechtmatig verblijf in Nederland. Zij zullen bij een uitzetting dus niet van elkaar worden gescheiden. Verweerder neemt aan dat eiseres in Nederland privéleven heeft, maar de belangenafweging in dat kader valt in haar nadeel uit omdat niet is gebleken dat haar banden met Nederland sterker zijn dan haar banden met Marokko. Voor een toepassing van de hardheidsclausule ziet verweerder geen aanleiding.
Gronden van beroep
B8-regeling3. Eiseres voert aan dat verweerder een onjuiste toetsingskader heeft gehanteerd en de aanvraag ten onrechte heeft getoetst aan artikel 8 van Pro het EVRM. Aspecten van het beroep op de B8-regeling zijn niet volledig meegenomen. Eiseres heeft bij haar aanvraag aangegeven dat zij door omstandigheden niet kan meewerken aan een strafproces. Zij verwijst hierbij naar paragraaf B8/3.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Vanwege haar lichamelijke en mentale beperking kan ze als minderjarige worden aangemerkt. Door specialisten is een IQ-onderzoek afgenomen bij eiseres waaruit volgt dat zij functioneert op het niveau van een kind van 4 tot 5 jaar. Ze kan mentaal gezien niet als meerderjarige worden aangezien. De moeder van eiseres is 24 uur per dag nodig om haar te monitoren. Eiseres plast volgens haar moeder regelmatig in bed en heeft sturing en ondersteuning nodig. Ze kan zich niet zelfstandig handhaven in de samenleving. Verweerder stelt zich onterecht op het standpunt dat een verklaring van de KMar of politie ontbreekt terwijl dit volgens het beleid van verweerder niet nodig is. Als de verklaring van de KMar of politie ontbreekt, is een bescheid van een derde, arts of behandelaar voldoende. Er dient enkel te worden aangetoond dat er geen aangifte kan worden gedaan of medewerking aan het strafproces. Eiseres verwijst hierbij naar paragraaf B8/3.3. van de Vc. Zij heeft een stuk van de medische behandelaar overgelegd waarin wordt ingegaan op het feit dat zij niet kan verklaren. Eiseres verwijst naar het cognitief onderzoek van Saleem van de GGZ van 3 oktober 2022 en het verslag van het [naam ziekenhuis] van 17 april 2023.
3.1.
Uit paragraaf B8/3.1. van de Vc volgt dat verweerder aan een vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel op grond van artikel 3.48, eerste lid, onder d, van het Vb een verblijfsvergunning kan verlenen, als het vermoedelijke slachtoffer aantoont dat hij geen aangifte kan of wil doen of anderszins medewerking kan of wil verlenen aan de strafrechtelijke opsporing en vervolging van de mensenhandelaar in verband met:
- een ernstige bedreiging;
- een medische of psychische beperking; en/of
- minderjarigheid.
3.2.
Uit paragraaf B8/3.3 van de Vc volgt dat verweerder als bewijsmiddel waaruit blijkt dat een vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel geen aangifte kan of wil doen of geen medewerking kan of wil verlenen aan de strafrechtelijke opsporing en vervolging van de mensenhandelaar in verband met ernstige bedreiging en/of een medische of psychische beperking en/of minderjarigheid beschouwt:
- een verklaring van de politie of KMar waaruit blijkt dat er aanwijzingen zijn van mensenhandel
enin ieder geval een van onderstaande drie verklaringen:
- een verklaring van de politie of KMar waaruit blijkt dat van de vreemdeling niet verwacht kan worden medewerking te verlenen aan het strafproces in verband met ernstige bedreigingen in Nederland door de mensenhandelaar. Als deze verklaring wordt overgelegd, wordt hiermee ook aannemelijk geacht dat betrokkene zich niet aan de bedreigingen kan onttrekken als hij zich zou vestigen in het land van herkomst, omdat mensenhandelbendes vrijwel altijd opereren over de grenzen heen; of
- een gedagtekend en ondertekend schriftelijk bewijs van een medische behandelaar(s), niet ouder dan zes weken op het moment waarop het bewijs overgelegd wordt, waaruit blijkt:
- de naam, het adres en het registratienummer van het register van Beroepen in de
Individuele Gezondheidszorg of het Nederlands Instituut van Psychologen van
de behandelaar(s);
- welke medische klachten de vreemdeling heeft;
- welke gevolgen de genoemde klachten hebben voor de medewerking aan het
strafproces; of
- een verklaring van de politie of KMar waaruit blijkt dat van de vreemdeling niet verwacht kan worden medewerking te verlenen aan het strafproces in verband met de minderjarigheid van de vreemdeling. Deze verklaring bevat een nadere en op het individuele geval toegespitste toelichting, waarin wordt ingegaan op de gevolgen die de minderjarigheid heeft voor de medewerking aan het strafproces. Van de minderjarigheid wordt enkel uitgegaan indien deze op grond van identificerende documenten, dan wel op grond van paragraaf C1/2.2 Vc is vastgesteld door de IND.
3.3.
Anders dan eiseres stelt, heeft verweerder in het primaire besluit (op pagina 5 e.v.) en in het bestreden besluit (pagina 3 e.v.) voldoende gemotiveerd dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van de door haar gevraagde verblijfsvergunning.
3.4.
Verweerder wijst er terecht op dat uit paragraaf B8/3.3 van de Vc volgt dat eiseres in ieder geval moet overleggen een verklaring van de politie of KMar waaruit blijkt dat er aanwijzingen zijn van mensenhandel. Verweerder is verder ook ingegaan op de door eiseres overgelegde (medische) stukken van [naam zorgverlener], [naam] en het [naam ziekenhuis]. Uit de overgelegde stukken volgt volgens verweerder niet welke gevolgen de medische klachten van eiseres hebben voor de medewerking aan het strafproces. Daarbij komt dat het verslag van [naam zorgverlener] van november 2022 ten tijde van het overleggen ervan ouder was dan zes weken en ook niet was opgesteld door een BIG of NIP geregistreerde medisch behandelaar.
3.5.
Nu het in de onderhavige zaak om een aanvraag-situatie gaat, is het in beginsel aan eiseres om aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat verweerder de lat te hoog legt. Eiseres heeft niet onderbouwd waarom wat verweerder vraagt niet kan. Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ als slachtoffer van mensenhandel, moet verweerder wel enige aanwijzingen hebben dat sprake is van mensenhandel. Eiseres heeft geen verklaringen overgelegd waaruit blijkt dat er aanwijzingen zijn van mensenhandel. Ook heeft zij geen verklaringen overgelegd waaruit blijkt dat zij bij de politie niet kon verklaren of dat zij bij de politie is geweest en dat het gehoor is afgebroken. Ook heeft zij geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat ze niet in staat is om te verklaren.
Uit de door eiseres overgelegde stukken volgt wel dat zij een verstandelijke beperking heeft. Dit betekent echter niet zonder meer dat zij niet in staat is te verklaren. Uit de e-mail van de AVIM van 7 mei 2024 aan de gemachtigde van eiseres volgt dat het team Mensenhandel onder andere de taak heeft om vast te stellen of een persoon slachtoffer is van mensenhandel. De medewerkers van de AVIM zijn hiervoor speciaal opgeleid en dat geldt ook voor de omgang met personen met een verstandelijke beperking. Uit de e-mail volgt verder dat zij graag met eiseres in gesprek zouden gaan om haar verhaal te kunnen toetsen. Ter zitting is namens eiseres voor het eerst naar voren gebracht dat zij naar aanleiding van deze e-mail en nog voordat het bestreden besluit is genomen bij de AVIM is geweest. Eiseres en haar moeder zouden afzonderlijk zijn gehoord en het interview met eiseres zou zijn afgebroken omdat zij het geestelijk niet aankon. De gemachtigde van eiseres heeft verklaard dat hij de AVIM heeft verzocht een verklaring af te geven dat eiseres het interview heeft afgebroken omdat ze het niet aankon, dan wel dat het gesprek heeft plaatsgevonden. De AVIM zou dat hebben geweigerd. Nu eiseres geen stukken heeft overgelegd om haar stellingen over de gehoren bij de AVIM te onderbouwen en ook niet heeft onderbouwd dat aan de AVIM om bewijsstukken hiervan is verzocht, gaat de rechtbank aan de stellingen van eiseres voorbij. Het betoog ter zitting dat het op de weg van verweerder had gelegen navraag te doen bij de AVIM, volgt de rechtbank niet. Daargelaten dat ook verweerder voor het eerst op de zitting heeft vernomen dat eiseres bij de AVIM zou zijn geweest, is het aan eiseres haar aanvraag en haar in dat kader ingenomen stellingen te onderbouwen. De beroepsgrond slaagt niet.
Mvv-vereiste
4. Uit artikel 17 van Pro de Vw volgt dat een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet wordt afgewezen wegens het ontbreken van een mvv, indien het een vreemdeling betreft die slachtoffer of getuige-aangever is van mensenhandel. Zie ook artikel 3.71 van het Vb en paragraaf B1/4.1. van de Vc.
4.1.
Nu niet is gebleken dat eiseres slachtoffer of getuige-aangever is van mensenhandel, heeft verweerder terecht aan eiseres tegengeworpen dat zij niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op die grond. Eiseres heeft verder geen gronden ingediend tegen de tegenwerping van het mvv-vereiste.
Hoorplicht
5. Eiseres voert verder aan dat verweerder haar ten onrechte niet heeft gehoord om meer duidelijkheid en details te verkrijgen. Uit de verklaring van een medische behandelaar blijkt dat zij al vanwege haar fragiele lichamelijke en mentale gesteldheid niet in staat is om te verklaren. Haar zeer lage IQ en verstandelijke beperking zijn niet eens daarin betrokken. Er is daarom onterecht afgezien van het horen, terwijl dat bedoeld is om meer duidelijkheid en details van een kwetsbaar persoon te verkrijgen.
5.1.
Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat in dit geval van het horen kon worden afgezien. Verweerder heeft daarbij overwogen dat eiseres in bezwaar geen nieuwe feiten en/of omstandigheden heeft aangedragen wat betreft haar recht op familie- en gezinsleven of privéleven in Nederland en dat zij in bezwaar ook geen verklaring van de politie of KMar heeft overgelegd, waardoor ze niet voldoet aan het beleid voor slachtoffers van mensenhandel die niet kunnen of willen meewerken. Verweerder heeft dan ook kunnen oordelen dat wat in bezwaar is aangevoerd het primaire besluit niet anders maken.
Terugkeerbesluit
6. Eiseres kan in de onderhavige zaak niet opkomen tegen het terugkeerbesluit van 21 september 2022. Dat besluit staat in rechte vast. In wat eiseres heeft aangevoerd heeft verweerder geen reden hoeven zien dit terugkeerbesluit (ambtshalve) te herzien.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.
De rechter is verhinderdde uitspraak te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.