ECLI:NL:RBDHA:2026:16158

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
NL26.17257
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 12 lid 4 DublinverordeningArt. 30 lid 1 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Zwitserland op grond van Dublinverordening

Eiseres, van Zuid-Soedanese nationaliteit, diende op 26 december 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland verzocht Zwitserland om haar terug te nemen op grond van de Dublinverordening, welke Zwitserland aanvaardde. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling omdat Zwitserland verantwoordelijk is.

Eiseres stelde dat Nederland haar aanvraag moest behandelen vanwege ernstige tekortkomingen in de Zwitserse asielprocedure en een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro. Zij vreesde onder meer gebrek aan opvang, vreemdelingenbewaring, taalbarrières en kwetsbaarheid voor mensenhandel.

De rechtbank oordeelde dat verweerder mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat Zwitserland zijn internationale verplichtingen nakomt. Eiseres slaagde er niet in met concrete en onderbouwde aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij een reëel risico loopt op een met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro strijdige behandeling.

De rechtbank verwierp ook het beroep op het arrest Tarakhel omdat eiseres niet als bijzonder kwetsbare asielzoeker kon worden aangemerkt. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17257

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Drenth),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.17258), op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt van Zuid-Soedanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . Eiseres heeft op 26 december 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
1.1.
Uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat de Zwitserse autoriteiten een visum hebben uitgevaardigd aan eiseres met een geldigheid van 13 december 2025 tot en met 18 december 2025. Op 17 januari 2026 heeft Nederland aan Zwitserland verzocht om eiseres terug te nemen op grond van artikel 12, vierde lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Zwitserland heeft dit terugnameverzoek op 21 januari 2026 op die grondslag aanvaard.
Totstandkoming van het besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) of artikel 3 van Pro het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiseres volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om haar asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beoordeling van de beroepsgronden door de rechtbank
3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat Nederland haar asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in behandeling moet nemen nu zij aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van ernstige tekortkomingen in de Zwitserse asielprocedure. Een overdracht aan Zwitserland is in strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 van Pro het Handvest. Eiseres vreest bij terugkeer naar Zwitserland om zonder opvang te geraken, om in vreemdelingenbewaring te belanden en terug te worden gestuurd naar Zuid-Soedan. Rechtsbijstand is niet gegarandeerd in Zwitserland, eiseres is de taal niet machtig, ze ervaart veel stress vanwege haar onzekere toekomst en is als alleenstaande jonge vrouw kwetsbaar te noemen waardoor ze vatbaar is voor mensenhandel. Ter zitting is nog toegelicht dat zij voor een conferentie van de UNHCR naar Zwitserland is gekomen en dat zij zich daar onveilig voelde, omdat daar ook personen uit Zuid-Soedan aanwezig waren.
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft onder meer in de uitspraken van 24 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:265) en 10 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4864) bevestigd dat verweerder ten aanzien van Zwitserland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.
3.2.
Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Zwitserland zijn internationale verplichtingen tegenover eiseres zal nakomen en dat eiseres bij overdracht aan Zwitserland geen risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 EVRM Pro strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiseres om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Zwitserland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Zwitserse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan zij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Zwitserland overleggen of verklaringen afleggen over haar eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Zwitserland. Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 EVRM Pro op. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218). Maar ook als er niet ernstig hoeft te worden gevreesd voor systeemfouten in het asiel- en opvangsysteem in de verantwoordelijk lidstaat, geldt dat een vreemdeling slechts kan worden overgedragen als die overdracht geen reëel risico op schending van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 EVRM Pro met zich brengt (zie punt 87 van het arrest Jawo).
3.3.
Naar oordeel van de rechtbank doen de door eiseres afgelegde verklaringen niet af aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres heeft haar stellingen over haar vrees om zonder opvang te geraken, in bewaring te belanden, dat rechtsbijstand in Zwitserland niet gegarandeerd is, dat ze de taal niet machtig is, dat ze veel stress ervaart vanwege haar onzekere toekomst en dat ze als alleenstaande vrouw kwetsbaar te noemen is waardoor ze vatbaar is voor mensenhandel niet voldoende onderbouwd. Zij leiden dan ook niet tot het oordeel dat sprake is van ernstige en structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Verder geldt dat eiseres niet eerder als Dublinclaimant is overgedragen aan Zwitserland, zodat zij niet uit eigen ervaring kan verklaren over de behandeling van Dublinclaimanten in Zwitserland. Mocht eiseres desondanks in de toekomst problemen ondervinden, dan dient zij zich te wenden tot de (hogere) Zwitserse autoriteiten. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
3.4.
Nu verweerder gelet op het voorgaande terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Zwitserland, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling of eiseres bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt op indirect refoulement. De Afdeling heeft immers in de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, in navolging van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, geoordeeld dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, zolang een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de betreffende lidstaat sprake is van systeemfouten in de zin van het arrest Jawo. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat Zwitserland met het claimakkoord heeft gegarandeerd eiseres haar aanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Ook als Zwitserland op enig moment zou besluiten eiseres uit te zetten naar Zuid-Soedan, moet Zwitserland zich daarbij houden aan de bedoelde verplichtingen.
3.5.
Voor zover eiseres zich beroept op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712, Tarakhel tegen Zwitserland), slaagt dit ook niet. Er is namelijk niet gebleken dat eiseres moet worden aangemerkt als een bijzonder kwetsbare asielzoeker in de zin van het arrest Tarakhel. Dat zij een alleenstaande jonge vrouw is, is daartoe onvoldoende.
3.6.
Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om eiseres haar asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Op den Kamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.