ECLI:NL:RBDHA:2026:16157

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
81/022815-23
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 WvSrArt. 36f WvSrArt. 47 WvSrArt. 420ter WvSr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot geldboete voor medeplegen gewoontewitwassen en gedeeltelijke toewijzing schadevergoeding

De rechtbank Den Haag heeft op 15 juni 2026 uitspraak gedaan in de strafzaak tegen verdachte S.L. wegens medeplegen van gewoontewitwassen. De tenlastelegging betrof het witwassen van bijna 6 miljoen euro in de periode van december 2007 tot maart 2016, waarbij verdachte samen met anderen criminele opbrengsten heeft beheerd, overgedragen en gebruikt.

De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte gedurende ruim acht jaar gelden afkomstig uit oplichting van particuliere beleggers heeft witgewassen door deze op haar bankrekening te ontvangen, over te boeken naar internationale rekeningen, onroerend goed aan te schaffen en kosten te voldoen. Dit handelen ondermijnde het financieel en economisch bestel en leidde tot grote schade voor gedupeerden.

De strafoplegging hield rekening met de ernst van het feit, de omvang van het witgewassen bedrag en de lange duur van het strafbare handelen. Gezien de uitzonderlijk lange overschrijding van de redelijke termijn (bijna 11 jaar) werd de geldboete van €100.000 met 25% verminderd tot €75.000.

Daarnaast werd de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen tot het bedrag van het bewezen verklaarde witwasbedrag van €5.841.762, inclusief wettelijke rente vanaf 3 maart 2016. De verdachte werd hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor deze schadevergoeding en de proceskosten. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd waarbij de verdachte verplicht is dit bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij.

De rechtbank sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten en legde geen voorwaardelijk strafdeel op.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geldboete van €75.000 en hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor schadevergoeding van €5.841.762 aan benadeelde partij.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 81/022815-23
Datum uitspraak: 15 juni 2026
Verstek
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] S.L.,
Vestigingsadres: [vestigingsadres]
( [land] ).

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 1 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. T. Slieker.
De officier van justitie heeft op de terechtzitting van 1 juni 2026 medegedeeld dat hij voornemens is binnen twee jaar na het eindvonnis een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken, en dat (mede) daarom tegen de verdachte een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in artikel 126 van Pro het Wetboek van Strafvordering is ingesteld.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij in of omstreeks de periode van 1 december 2007 tot en met 3 maart 2016, te
Naaldwijk en/of Orihuela Costa en/of Alicante en/of Madrid en/of Manuel Antonio,
althans in Nederland en/of in Spanje en/of in Costa Rica,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
(van) een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal € 5.841.762 (AH-039, pagina 3),
heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en/of
gebruik heeft gemaakt,
terwijl zij, verdachte en/of haar mededaders, wisten dat die voorwerpen -
onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf en
zij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het aan de verdachte ten laste gelegde feit. Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
3.2.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.3.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
zij in de periode van 1 december 2007 tot en met 3 maart 2016, in Nederland en Spanje tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
meermalen,
(van) een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal € 5.841.762 (AH-039, pagina 3),
voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en
gebruik heeft gemaakt,
terwijl zij, verdachte en haar mededaders, wisten dat die voorwerpen -
onmiddellijk - afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf en
zij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte - rekening houdend met de forse overschrijding van de redelijke termijn - wordt veroordeeld tot een geldboete van
€ 75.000,00.
6.2.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich in een periode van ruim acht jaar tijd schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van een geldbedrag van in totaal € 5.841.762,00. De verdachte heeft gedurende de tenlastegelegde periode steeds gelden op haar bankrekening ontvangen die afkomstig waren uit de mede door haarzelf gepleegde oplichting van een groot aantal particuliere beleggers. De verdachte heeft vervolgens van deze gelden geprofiteerd door deze gelden op haar bankrekening te hebben staan, bedragen over te boeken naar bankrekeningen van andere (internationale) rechtspersonen, de gelden om te zetten door onroerend goed aan te schaffen en de gelden te gebruiken om diverse (uit de onroerend goed voortkomende) kosten te voldoen.
Met haar handelen heeft de verdachte de criminele opbrengsten van een misdrijf onttrokken aan het zicht van gedupeerde beleggers en andere crediteuren, wat een ernstige aantasting van de integriteit van het financieel en economisch bestel betekent. Het reguliere handels- en betalingsverkeer wordt daarmee ondermijnd en in dit geval is een bijzonder groot aantal gedupeerden hun geld mede als gevolg van het handelen van de verdachte kwijt. De rechtbank rekent de verdachte dit dan ook aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 3 maart 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Straf
Bij bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank in eerste instantie gekeken naar het wettelijke strafmaximum. Voor gewoontewitwassen als bedoeld in artikel 420ter Wetboek van Strafrecht kent het wetboek een strafmaximum van een geldboete van de vijfde categorie. Ingevolge artikel 23 kan Pro bij de veroordeling van een rechtspersoon, indien de voor het feit bepaalde boetecategorie geen passende bestraffing toelaat, een geldboete worden opgelegd van de naast hogere categorie; in het onderhavige geval betreft dat een boete in de zesde categorie.
De rechtbank weegt in dit geval als strafverzwarende omstandigheden mee de hoogte van het door de verdachte witgewassen geldbedrag (bijna 6 miljoen euro), de duur van de gedraging en het feit dat de verdachte op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft genomen voor haar daden.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een hoge geldboete.
Redelijke termijn
De rechtbank overweegt ten aanzien van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. De verdachte, [verdachte] S.L., werd in de tenlastegelegde periode bestuurd door de natuurlijke persoon [naam] . Tegen deze natuurlijke persoon is parallel aan onderhavige strafzaak een strafrechtelijk onderzoek ingesteld, waardoor beide zaken zo nauw met elkaar verweven zijn dat zij bij de beoordeling van de redelijke termijn als één kunnen worden bezien.
De natuurlijke persoon [naam] is op 30 juli 2013 aangehouden en in verzekering gesteld. Dit is het moment waarop de redelijke termijn is aangevangen. De inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden op 1 juni 2026 en 15 juni 2026 is de vonnisdatum, bijna 13 jaar na het moment waarop de verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat de redelijke termijn met bijna 11 jaar is overschreden.
Voor deze zeer grote overschrijding van de redelijke termijn is een aantal oorzaken. Zo betreft deze strafzaak een omvangrijk onderzoek met internationale aspecten, waaronder rechtshulpverzoeken aan Spanje en Costa Rica. Daarnaast heeft het horen van het grote aantal getuigen bij de rechter-commissaris op verzoek van de verdediging, na het verstrekken van het einddossier, de nodige tijd gekost. De rechtbank overweegt in dit verband dat er ook een aanzienlijke periode is verstreken, zonder dat duidelijk is welke onderzoekshandelingen op dat moment plaatsvonden. In 2022 hebben in Costa Rica de laatste onderzoekshandelingen plaatsgevonden, waarna de toenmalige officier van justitie in datzelfde jaar kenbaar heeft gemaakt de verdachte te gaan dagvaarden. Naar het oordeel van de rechtbank was de zaak vanaf dat moment gereed voor inhoudelijke behandeling.
Gelet op de uitzonderlijk lange overschrijding van de redelijke termijn en hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de standaard strafkorting van 10% geen recht doet aan deze zaak. De door de officier van justitie voorgestelde strafkorting van 25% komt de rechtbank in dit geval dan ook passend voor.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat gelet op al hetgeen is overwogen, bij een afdoening van de strafzaak binnen de redelijke termijn, een geldboete van € 100.000,00 passend en geboden zou zijn geweest. De rechtbank zal op deze straf 25% in mindering brengen gelet op de overschrijding van de redelijke termijn. Dit maakt dat de rechtbank aan de verdachte een geldboete ter hoogt van € 75.000,00 zal opleggen.
Voor de oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.

7.De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

Mr. J.H.M. van de Wiel (als curator van [bedrijfsnaam 1] B.V.) heeft zich middels een zogeheten Peeters/Gatzen-vordering namens de gezamenlijke schuldeisers van [bedrijfsnaam 2] B.V. gevoegd als benadeelde partij in het strafproces.
Mr. J.H.M. van de Wiel q.q. vordert een schadevergoeding van € 8.122.380,00, geheel bestaande uit materiële schade, met toewijzing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen ter hoogte van het gevorderde bedrag van € 8.122.380,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij de vordering ook voldoende onderbouwd.
De berekening van de omvang van de door de benadeelde partij geleden schade, dient naar het oordeel van de rechtbank echter op een lager bedrag te worden vastgesteld. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Anders dan door de benadeelde partij in de vordering is opgenomen, dient als uitgangspunt voor de omvang van de schade te worden genomen het bedrag dat door de rechtbank bewezen is verklaard als het totaalbedrag dat door verdachte is witgewassen, ter hoogte van € 5.841.762,00. De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen ter hoogte van dit bedrag, geheel bestaande uit materiële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 3 maart 2016, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan, te weten het einde van de bewezen verklaarde periode.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en zij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 5.841.762,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 maart 2016 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van mr. J.H.M. van de Wiel q.q.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 23, 36f, 47 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.3 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
medeplegen van gewoontewitwassen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
geldboetevan
€ 75.000,00 (vijfenzeventigduizend euro);
de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 5.841.762,00 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 maart 2016 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan mr. J.H.M. van de Wiel q.q.;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.841.762,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 maart 2016 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van mr. J.H.M. van de Wiel q.q.;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S. Pereth, voorzitter,
mr. drs. H.M. Braam, rechter,
mr. M.L. Harmsen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.C. Veltink, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 juni 2026.