ECLI:NL:RBDHA:2026:16156

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
81/142439-23
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 51 SrArt. 57 SrArt. 326 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen oplichting en gewoontewitwassen via investeringen in zonne-energie

De rechtbank Den Haag heeft op 15 juni 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd verdacht van medeplegen van oplichting en gewoontewitwassen. De verdachte gaf feitelijk leiding aan meerdere rechtspersonen die beleggers misleidden met valse garanties en onjuiste informatie over investeringen in zonne-energieplantages in Spanje.

Uit het onderzoek bleek dat de beleggers werden voorgespiegeld dat hun gelden grotendeels op geblokkeerde rekeningen zouden worden geplaatst, dat er bankgaranties en overheidsgaranties waren, en dat er een hoog rendement zou worden behaald. Deze garanties ontbraken echter, en het ingelegde geld werd deels gebruikt voor persoonlijke verrijking en investeringen in onroerend goed in Nederland, Spanje en Costa Rica.

De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte medepleegde aan oplichting van beleggers voor bijna 10 miljoen euro en gewoontewitwassen van dat bedrag. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast werden schadevergoedingen toegewezen aan de benadeelde partijen, waarbij de rechtbank de vorderingen deels matigde en hoofdelijk aansprakelijkheid oplegde.

De rechtbank constateerde een uitzonderlijk lange overschrijding van de redelijke termijn van bijna 11 jaar, wat resulteerde in een strafkorting van 25%. De uitspraak benadrukte de ernstige impact op de gedupeerden en het vertrouwen in het financiële verkeer, en wees op het ontbreken van enige verantwoordelijkheid van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf en hoofdelijk aansprakelijk voor ruim 8,5 miljoen euro schadevergoeding wegens medeplegen van oplichting en gewoontewitwassen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 81/142439-23
Datum uitspraak: 15 juni 2026
Verstek
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres (per 1 maart 2026): [adres] ( [land] ).

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 1 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. T. Slieker.
De officier van justitie heeft op de terechtzitting van 1 juni 2026 medegedeeld dat hij voornemens is binnen twee jaar na het eindvonnis een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken, en dat (mede) daarom tegen de verdachte een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in artikel 126 van Pro het Wetboek van Strafvordering is ingesteld.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
[bedrijfsnaam 1] B.V. en/of [bedrijfsnaam 2] S.L. en/of [bedrijfsnaam 3]
B.V. en/of [bedrijfsnaam 4] S.L.
in of omstreeks de periode van 1 december 2007 tot 15 september 2009 te Naaldwijk
en/of Rotterdam en/of Alicante en/of Madrid, althans in Nederland en/of in Spanje,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door
listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
een of meer personen (opgenomen in de bijlage bij AMB-053, Overzicht beleggers
[bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 3] 2007-2009)
heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedragen, te weten
- een (totaal)bedrag van € 8.569.462 ( [bedrijfsnaam 1] B.V.,
AH-039 en AMB-053 met bijlage) en/of
- een (totaal)bedrag van € 1.387.500 ( [bedrijfsnaam 3]
B.V., AH-043 en AMB-053 met bijlage),
door in en/of met behulp van een of meer prospectussen, brochures, de website
[website] , advertenties en/of in gesprekken,
die personen - in strijd met de waarheid - voor te wenden en/of mede te delen dat:
- met de ingelegde gelden investeringen in zonnepanelenplantages in Spanje ten
behoeve van energieopwekking zouden worden gedaan,
- de (opgewekte) energie voor een vaste prijs kon worden verkocht,
- de Spaanse overheid zich garant zou stellen voor de subsidie op zonne-energie,
- 80% van de ingelegde gelden (rechtstreeks) zou worden vastgezet op een of meer
geblokkeerde (escrow)rekeningen,
- [bedrijfsnaam 2] S.L. een bankgarantie aan [bedrijfsnaam 1] B.V. zou
verstrekken voor de totale inleg/hoofdsom van de obligaties minus het bedrag dat
op de geblokkeerde (escrow)rekeningen zou zijn gestort,
- de risico’s volledig waren afgedekt door bankgaranties,
- door [bedrijfsnaam 2] S.L. aan [bedrijfsnaam 1] B.V. een recht van eerste
hypotheek op de installaties zou worden verstrekt,
- er geen of weinig risico's aan de investering en/of belegging zouden kleven,
- met de inleg een hoog/goed rendement (van 7%-10%) behaald zou worden,
- maandelijks rente uitgekeerd zou worden,
- kosteloze, vervroegde aflossing mogelijk was, en/of
- een deel van de netto winst beschikbaar werd gesteld aan Artsen zonder Grenzen,
terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een of meer
anderen, tot dit feit opdracht heeft gegeven en/of feitelijk leiding heeft gegeven aan
deze verboden gedraging;
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 december 2007 tot en met 3 maart 2016, te
Naaldwijk en/of Orihuela Costa en/of Alicante en/of Madrid en/of Manuel Antonio,
althans in Nederland en/of in Spanje en/of in Costa Rica,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
(van) een voorwerp, te weten
- een geldbedrag van in totaal € 8.569.462 en/of
- een geldbedrag van in totaal € 1.387.500,
heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en/of
gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededaders, wisten dat die voorwerpen -
onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf en
hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde feiten. Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
3.2.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.3.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
De officier van justitie verwijt de verdachte dat hij door middel van de vennootschappen [bedrijfsnaam 1] B.V., medeverdachte [bedrijfsnaam 2] S.L., [bedrijfsnaam 3] B.V. en [bedrijfsnaam 4] S.L. een groot aantal particuliere beleggers heeft opgelicht. Deze beleggers hebben geld ingelegd om te investeren in zonne-energie plantages van [bedrijfsnaam 2] S.L. in Spanje waarbij hen een bepaald rendement en een aantal zekerheden zijn voorgespiegeld. In de visie van de officier van justitie hebben de verdachte en zijn ondernemingen de genoemde zekerheden van meet af aan niet geboden en is het (beperkt uitgekeerde) rendement niets anders geweest dan de gelden van (nieuwe) inleg. Een groot gedeelte van de inleg van de beleggers is via allerlei omwegen aan de verdachte ten goede gekomen.
In dit vonnis komt de rechtbank op grond van de gebezigde bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten. In het navolgende wijdt de rechtbank op enkele onderdelen overwegingen aan de bewezenverklaring.
Oplichtingsmiddel
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte door middel van de door hem feitelijk bestuurde vennootschappen [bedrijfsnaam 1] B.V., [bedrijfsnaam 2] S.L., [bedrijfsnaam 3] B.V. en [bedrijfsnaam 4] S.L. een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen door – kort gezegd – particuliere beleggers (verder: beleggers) in prospectussen, brochures, de website [website] , advertenties en in (verkoop)gesprekken onjuiste informatie te geven over investeringen in zonne-energie plantages van [bedrijfsnaam 2] S.L. in Spanje. Het gaat onder meer om onjuiste informatie over het te behalen rendement, de manier waarop het geld van beleggers werd besteed en garanties en zekerheden omtrent het ingelegde geld.
Zo blijkt uit de bewijsmiddelen dat op geen enkele wijze sprake is geweest van een geblokkeerde (escrow)rekening zoals aan de beleggers is voorgehouden. Dat de intentie om mededelingen hierover gestand te doen er nooit is geweest, volgt naar het oordeel van de rechtbank ondubbelzinnig uit de verklaring van de verdachte zelf, die hierover heeft verklaard dat ‘die 80% niet geplaatst is op een escrow-rekening’ en ‘hoe moet je dan kunnen werken’. Waar de beleggers op basis van de door de verdachte verstrekte informatie is voorgehouden dat 80% van het geld op een geblokkeerde rekening zou worden gestort voor het verkrijgen van aanvullende bankgaranties en financiering, ging in werkelijkheid het grootste deel van het aangetrokken geld naar de Spaanse moedermaatschappij [bedrijfsnaam 2] S.L.
Ook de beloofde bankgarantie was er vanaf de start van het werven van de beleggers niet en is er ook nooit gekomen. Hetzelfde geldt voor de garantie door de Spaanse overheid. Uit het dossier blijkt dat de Spaanse overheid al in juni 2008 heeft aangekondigd de subsidies voor zonne-energie significant te verlagen. Van een gegarandeerde subsidie-opbrengst was daarmee geen sprake. Daar komt bij dat de verdachte ook na deze mededeling van de Spaanse overheid nog beleggingen heeft verworven zonder beleggers hiervan in kennis te stellen.
Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat de hypothecaire zekerheid nooit is verschaft, dat beleggers niet vervroegd terugbetaald konden worden, en dat de maandelijkse rente-uitkeringen niet (volledig) betaald werden. De rente-uitkeringen die plaatsvonden werden medio 2009 gestaakt en werden niet betaald uit de opbrengst van de onderneming, maar uit het door de beleggers ingelegde geld.
Al deze leugenachtige mededelingen kunnen - in onderlinge samenhang bezien - worden aangemerkt als een samenweefsel van verdichtsels. De rechtbank acht dit oplichtingsmiddel dan ook bewezen.
De verdachte heeft verklaard dat de door hem feitelijk bestuurde rechtspersonen op basis van een in de prospectus opgenomen passage waarin de risico’s van de belegging uiteen zijn gezet, de mogelijkheid hadden om - indien de gegeven omstandigheden daartoe aanleiding gaven - af te wijken van de oorspronkelijke uitgangspunten zoals opgenomen in de prospectus. De rechtbank is echter van oordeel dat de passages in de prospectus aangaande het bestaan van risico’s niet met zich meebrengen dat potentiële beleggers verkeerd geïnformeerd mogen worden. Het benoemen van risico’s is geen vrijbrief om zaken voor te spiegelen die op geen enkele manier gerealiseerd of te realiseren waren. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank ook de hiervoor besproken vaststelling dat de verdachte steeds is doorgegaan met het werven van geld, terwijl duidelijk was dat in de prospectus benoemde zaken – zoals de garantie door de Spaanse overheid – onjuist waren.
Causaal verband (bewegen tot afgifte)
Uit de verklaringen van meerdere beleggers blijkt dat zij obligaties hebben gekocht omdat zij in de veronderstelling waren dat de aan hen voorgespiegelde voorstelling van zaken conform de waarheid was. Alle voorgespiegelde elementen versterkten elkaar onderling en hebben als geheel de beleggers bewogen tot het kopen van obligaties. De beleggers gingen er onder meer vanuit dat zij weinig risico liepen, dat hun gelden grotendeels op een geblokkeerde (escrow)rekening geplaatst zouden worden, dat sprake was van een bankgarantie en dat zij vervroegd terugbetaald konden worden. Zo hebben onder meer getuigen Graven, Kuijper, Hartgers, Sutman en Van der Vaart verklaard dat dit voor hen redenen waren om obligaties te kopen. Getuige Poulie heeft verklaard dat indien de risico’s niet waren afgedekt door een bankgarantie, hij de obligaties nooit zou hebben gekocht.
Oogmerk van bevoordeling
Dat de rechtspersonen vanaf de start van het uitgeven van de obligaties het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling hebben gehad, volgt naar het oordeel van de rechtbank in de eerste plaats uit de door de verdachte gekozen organisatiestructuur. Bij de oprichting van [bedrijfsnaam 1] B.V. heeft de verdachte gekozen voor een structuur waarbij [bedrijfsnaam 1] B.V de dochtermaatschappij van moedermaatschappij [bedrijfsnaam 2] S.L. zou worden en de financiën zou aantrekken. De door [bedrijfsnaam 1] B.V. aangetrokken gelden zouden vervolgens door moedermaatschappij [bedrijfsnaam 2] S.L. worden geïnvesteerd in zonne-energie plantages in Spanje.
Getuige [getuige 1] , voorheen werkzaam bij de Autoriteit Financiële Markten, heeft verklaard dat de door de verdachte gekozen structuur afwijkend is in het kader van uitgifte van effecten ten behoeve van financiering van dergelijke projecten. Ook getuige [getuige 2] , medewerker van de curator van [bedrijfsnaam 1] B.V., heeft verklaard dat de consequentie van de door de verdachte gekozen organisatiestructuur voor de curator is geweest dat deze na het faillissement van [bedrijfsnaam 1] B.V. geen of heel moeizaam inzage heeft gekregen in de stukken en vermogenspositie van [bedrijfsnaam 2] S.L., waardoor niet viel te achterhalen of verhaal mogelijk was op deze Spaanse moedermaatschappij. Door voor deze afwijkende organisatiestructuur te kiezen heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank er bewust voor gezorgd dat bij een faillissement van de dochtermaatschappij, geen inzicht hoefde te worden verschaft in de administratie van de moedermaatschappij. Daardoor heeft de verdachte kunnen voorkomen dat aan de moedermaatschappij toegekomen geldbedragen door curatoren kon worden aangewend ter compensatie van de beleggers.
Aan de overtuiging dat sprake is geweest van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling, draagt bij dat de verdachte zelf – en niet de schuldeisers – het eigen faillissement van [bedrijfsnaam 1] B.V. heeft aangevraagd, zonder daarbij de vordering van enkele miljoenen euro’s van [bedrijfsnaam 1] B.V. op [bedrijfsnaam 2] S.L. te vermelden (
“bezittingen: nihil”) . Ook de onwaar gebleken mededeling aan de curatoren dat hij niets te zeggen had over [bedrijfsnaam 2] S.L. en dat voor verdere informatie navraag moest worden gedaan bij mevrouw [naam 1] , sterkt de rechtbank in deze overtuiging. De verdachte was namelijk, ook naar eigen zeggen, de feitelijk leidinggevende van [bedrijfsnaam 2] S.L. en mevrouw [naam 1] was zijn vriendin.
Daarnaast maakt ook de wijze van uitgifte van de obligaties naar het oordeel van de rechtbank dat sprake was van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling. Volgens getuige [getuige 3] zijn de obligaties uitgegeven in drie verschillende tranches om niet te hoeven voldoen aan de wettelijke prospectusplicht. Ook getuige [getuige 1] heeft verklaard dat het uitgeven van obligaties die minimaal van elkaar verschillen in verschillende tranches een geschikte werkwijze is om de prospectusplicht te omzeilen. De verdachte kon zodoende een prospectus uitgeven buiten het zicht van de AFM en heeft deze bewust gebruikt om (extra) vertrouwen te wekken bij de beleggers en zo makkelijker gelden aan te trekken.
Ook het gegeven dat de verdachte, toen hij wist van de aanzienlijke verlaging van de subsidie van de Spaanse overheid ten opzichte van hetgeen de beleggers was voorgehouden, zonder de beleggers hierover te informeren is doorgegaan met het uitgeven van obligaties, sterkt de rechtbank in het oordeel dat de verdachte en zijn vennootschappen hebben gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling.
Tot slot weegt de rechtbank mee dat de verdachte de beleggers begin 2009 heeft voorgespiegeld dat het bedrijf [bedrijfsnaam 5] B.V. het bedrijf [bedrijfsnaam 1] B.V. zou overnemen omdat de directies van beide bedrijven van mening waren dat dit grote synergetische effecten met zich zou brengen, grote schaalvoordelen ging opleveren en het delen van specialistische kennis mogelijk zou maken. In werkelijkheid waren er op dat moment geen opbrengsten uit zonne-energie voor [bedrijfsnaam 5] B.V. [bedrijfsnaam 5] B.V. was een rechtspersoon waarvan de verdachte ook de feitelijk leidinggevende was en waarnaar het gehele verkoopteam – voorheen werkzaam bij [bedrijfsnaam 1] B.V. – werd overgeheveld.
Conclusie ten aanzien van feit 1
De rechtbank zal bewezen verklaren dat de verdachte door feitelijk leiding te geven aan de in de tenlastelegging genoemde rechtspersonen zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting van beleggers in [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 5] B.V., en hen heeft bewogen tot betaling van een bedrag ter hoogte van € 8.569.462,00 en € 1.387.500,00, in de periode van 1 december 2007 (startdatum uitgifte obligaties) tot en met 15 september 2009 (datum faillietverklaring [bedrijfsnaam 1] B.V.).
Conclusie ten aanzien van feit 2
Uit de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 blijkt dat de beleggers in [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 5] B.V. in de periode van 1 december 2007 tot en met 3 maart 2016 geldbedragen van in totaal € 8.569.462,00 en
€ 1.387.500,00 hebben geïnvesteerd als gevolg van oplichting door de verdachte. Daarmee staat vast dat deze geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn en daarin ligt eveneens de wetenschap en het opzet van de verdachte besloten.
Ten aanzien van de besteding van de ontvangen bedragen volgt uit de bewijsmiddelen – kort samengevat – dat deze bedragen onder meer zijn overgemaakt naar bankrekeningen van een rechtspersoon in Costa Rica, te weten ‘ [naam 2] ’ en een rechtspersoon (op naam van de zoon van verdachte) [bedrijfsnaam 6] S.L. Ook zijn de gelden gebruikt voor de aankoop van onroerend goed in zowel Nederland, Spanje als Costa Rica en zijn van deze gelden diverse kosten ten behoeve van het onroerend goed betaald.
Op grond van het bovenstaande concludeert de rechtbank dat de verdachte, samen met anderen, de door oplichting verkregen geldbedragen van in totaal € 8.569.462,00 ( [bedrijfsnaam 1] B.V.) en € 1.387.500,00 ( [bedrijfsnaam 5] B.V.) heeft overgedragen (overgemaakt naar andere bankrekeningen) en/of omgezet (onroerend goed aangeschaft) en/of daarvan gebruik heeft gemaakt (betalen van kosten ten behoeve van onroerend goed). Gelet op de frequentie en de pleegperiode, kan ook het maken van een gewoonte bewezen worden verklaard.
3.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1.
[bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] S.L. en [bedrijfsnaam 3]
B.V. en [bedrijfsnaam 4] S.L.
in de periode van 1 december 2007 tot 15 september 2009 in Nederland en Spanje,
tezamen en in vereniging met anderen,
meermalen,
met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door een samenweefsel van verdichtsels,
meer personen (opgenomen in de bijlage bij AMB-053, Overzicht beleggers
[bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 5] 2007-2009)
heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedragen, te weten
- een totaalbedrag van € 8.569.462 ( [bedrijfsnaam 1] B.V.,
AH-039 en AMB-053 met bijlage) en
- een totaalbedrag van € 1.387.500 ( [bedrijfsnaam 3]
B.V., AH-043 en AMB-053 met bijlage),
door in en met behulp van prospectussen, brochures, de website
[website] , advertenties en in gesprekken,
die personen - in strijd met de waarheid - voor te wenden en mede te delen dat:
- met de ingelegde gelden investeringen in zonnepanelenplantages in Spanje ten
behoeve van energieopwekking zouden worden gedaan,
- de (opgewekte) energie voor een vaste prijs kon worden verkocht,
- de Spaanse overheid zich garant zou stellen voor de subsidie op zonne-energie,
- 80% van de ingelegde gelden (rechtstreeks) zou worden vastgezet op een of meer
geblokkeerde (escrow)rekeningen,
- [bedrijfsnaam 2] S.L. een bankgarantie aan [bedrijfsnaam 1] B.V. zou
verstrekken voor de totale inleg/hoofdsom van de obligaties minus het bedrag dat
op de geblokkeerde (escrow)rekeningen zou zijn gestort,
- de risico’s waren afgedekt door bankgaranties,
- door [bedrijfsnaam 2] S.L. aan [bedrijfsnaam 1] B.V. een recht van eerste
hypotheek op de installaties zou worden verstrekt,
- er weinig risico's aan de investering en/of belegging zouden kleven,
- met de inleg een hoog/goed rendement behaald zou worden,
- maandelijks rente uitgekeerd zou worden,
- vervroegde aflossing mogelijk was, en
- een deel van de netto winst beschikbaar werd gesteld aan Artsen zonder Grenzen,
terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met
anderen, tot dit feit opdracht heeft gegeven of feitelijk leiding heeft gegeven aan
deze verboden gedraging;
2.
hij in de periode van 1 december 2007 tot en met 3 maart 2016, in Nederland en Spanje en Costa Rica tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
meermalen,
(van) een voorwerp, te weten
- een geldbedrag van in totaal € 8.569.462 en
- een geldbedrag van in totaal € 1.387.500,
voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en/of
gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte en zijn mededaders, wisten dat die voorwerpen -
onmiddellijk - afkomstig waren uit eigen misdrijf en
hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte - rekening houdend met de ernst van het feit en met de forse overschrijding van de redelijke termijn - wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft door feitelijk leiding te geven aan vier rechtspersonen zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting van honderden beleggers voor een totaalbedrag van bijna 10 miljoen euro en het medeplegen van gewoontewitwassen van datzelfde bedrag.
De verdachte heeft de beleggers bewogen tot afgifte van hun gelden door hen onjuiste informatie te geven. Zo hield de verdachte de beleggers ten onrechte voor dat de door hen ingelegde bedragen voor 80% op een geblokkeerde (escrow)rekening zouden worden geplaatst, sprake zou zijn van een bankgarantie, risico’s beperkt zouden zijn en de Spaanse overheid garant zou staan voor het project, terwijl de verdachte wist dat de werkelijkheid anders was.
Het handelen van de verdachte heeft een grote impact gehad op een aantal van de beleggers. Zo verklaart een gedupeerde dat het weinig had gescheeld of zijn huis was geveild, iets wat grote gevolgen zou hebben gehad voor zijn gezin, met name vanwege één van zijn kinderen die door een handicap volledige zorg nodig heeft. Een andere gedupeerde heeft verklaard dat hij vanwege zijn eigen gezondheidsproblemen obligaties gekocht heeft om zo zijn partner financieel goed achter te kunnen laten en een aantal anderen zijn hun geplande pensioenvoorziening kwijtgeraakt. Een groot deel van de gedupeerden heeft tot op heden niets van hun geld teruggezien en zijn bang hun inleg voor altijd kwijt te zijn.
Daarnaast heeft verdachte met zijn handelen ook in algemene zin de integriteit van het financiële en economische verkeer en het vertrouwen dat (potentiële) beleggers in de financiële markt moeten hebben, in ernstige mate geschaad. Dat de verdachte hierbij ook enkel en alleen oog heeft gehad voor zijn eigen financiële positie en gewin en op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte uit zowel Nederland als Spanje van 16 april 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte in 2024 in Spanje onherroepelijk is veroordeeld, maar niet voor een soortgelijk strafbaar feit. De rechtbank zal dit gegeven dan ook noch in het voordeel noch in het nadeel van de verdachte meewegen in de strafmaat.
Straf
Bij de bepaling van de strafmodaliteit en hoogte van de straf heeft de rechtbank in eerste instantie gekeken naar de wettelijke strafmaxima. Voor oplichting als bedoeld in artikel 326 Wetboek Pro van Strafrecht geldt een strafmaximum van vier jaren onvoorwaardelijke gevangenisstraf en voor gewoontewitwassen een strafmaximum van acht jaren onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de Landelijke Oriëntatiepunten Voor Straftoemeting (hierna: LOVS). De LOVS geven als bandbreedte voor fraude met een benadelingsbedrag van € 1.000.000,- en hoger, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de 24 maanden en de maximale onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank weegt in dit geval als strafverzwarende omstandigheden mee de grote hoeveelheid gedupeerden (honderden) en de hoogte van de geldbedragen (bijna 10 miljoen euro). Daar komt bij dat de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden en zichzelf feitelijk ‘zoek maakt’ door in Panama te verblijven.
Gelet op de ernst van de feiten, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Redelijke termijn
De rechtbank overweegt ten aanzien van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. De verdachte is nadat hij is aangehouden op basis van een Europees Aanhoudingsbevel in Alicante (Spanje) overgebracht naar Nederland, waar hij op 30 juli 2013 is aangehouden en in verzekering is gesteld. Dit is het moment waarop de redelijke termijn is aangevangen. De inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden op 1 juni 2026 en 15 juni 2026 is de vonnisdatum, bijna 13 jaar na het moment waarop de verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat de redelijke termijn met bijna 11 jaar is overschreden.
Voor deze zeer grote overschrijding van de redelijke termijn is een aantal oorzaken. Zo betreft deze strafzaak een omvangrijk onderzoek met internationale aspecten, waaronder rechtshulpverzoeken aan Spanje en Costa Rica. Daarnaast heeft het horen van het grote aantal getuigen bij de rechter-commissaris op verzoek van de verdediging, na het verstrekken van het einddossier, de nodige tijd gekost. De rechtbank overweegt in dit verband dat er ook een aanzienlijke periode is verstreken, zonder dat duidelijk is welke onderzoekshandelingen op dat moment plaatsvonden. In 2022 hebben in Costa Rica de laatste onderzoekshandelingen plaatsgevonden, waarna de toenmalige officier van justitie in datzelfde jaar kenbaar heeft gemaakt de verdachte te gaan dagvaarden. Naar het oordeel van de rechtbank was de zaak vanaf dat moment gereed voor inhoudelijke behandeling.
De vertraging die vanaf het inplannen van de inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden, komt naar het oordeel van de rechtbank ten dele voor rekening van de verdediging. Onder meer agendaperikelen en gebrekkige communicatie van de zijde van de verdediging hebben ervoor gezorgd dat de zaak in deze laatste fase extra vertraging heeft opgelopen.
Gelet op de uitzonderlijk lange overschrijding van de redelijke termijn en hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de standaard strafkorting van 10% geen recht doet aan deze zaak. De door de officier van justitie voorgestelde strafkorting van 25% komt de rechtbank in dit geval dan ook passend voor.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat gelet op al hetgeen is overwogen, bij een afdoening van de strafzaak binnen de redelijke termijn, een gevangenisstraf van vier jaren passend en geboden zou zijn geweest. De rechtbank zal op deze straf 25% in mindering brengen gelet op de overschrijding van de redelijke termijn. Dit maakt dat de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren zal opleggen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voor de oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregelen

Mr. J.H.M. van de Wiel (als curator van [bedrijfsnaam 1] B.V.) en mr. W.Th. van Dijk (als curator van [bedrijfsnaam 5] B.V.) hebben zich middels een zogeheten Peeters/Gatzen-vordering namens de gezamenlijke schuldeisers van [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 5] B.V. (zijnde de investeerders) gevoegd als benadeelde partijen in het strafproces.
Mr. J.H.M. van de Wiel q.q. vordert een schadevergoeding van € 8.122.380,00, geheel bestaande uit materiële schade, met toewijzing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Mr. W.Th. van Dijk q.q. vordert een schadevergoeding van € 1.247.699,03, geheel bestaande uit materiële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen kunnen worden toegewezen tot een bedrag van respectievelijk € 8.122.380,00 ten aanzien van de vordering ingediend door mr. J.H.M. van de Wiel q.q. (namens [bedrijfsnaam 1] B.V.) en € 1.247.699,03 ten aanzien van de vordering ingediend door mr. W.Th. van Dijk q.q. (namens [bedrijfsnaam 5] B.V.).
De officier van justitie heef voorts geconcludeerd dat ten aanzien van beide vorderingen de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Vordering benadeelde partij – mr. J.H.M. van de Wiel q.q. ( [bedrijfsnaam 1] B.V.)
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij de vordering ook voldoende onderbouwd.
De berekening van de omvang van de door de benadeelde partij geleden schade, dient naar het oordeel van de rechtbank echter op andere wijze – en daarmee op een lager bedrag - te worden vastgesteld. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De rechtbank neemt als vertrekpunt het bedrag dat onder feit 1 bewezen is verklaard als het totaalbedrag dat door de beleggers aan [bedrijfsnaam 1] B.V. is overgemaakt, ter hoogte van € 8.569.462,00. Hierop komt het bedrag in mindering dat door de curator van [bedrijfsnaam 1] B.V. aan gedupeerde beleggers is uitgekeerd. Deze uitkering werd mogelijk door een betaling van de verdachte uit hoofde van een tussen hem en de curatoren overeengekomen schikkingsovereenkomst (die later door de curatoren is vernietigd). Uit de gegeven onderbouwing volgt dat na aftrek van faillissementskosten een bedrag van € 592.620,00 ten bate is gekomen van beleggers. Tot slot dient het bedrag ter hoogte van € 662.641,00 op het totaalbedrag in mindering te worden gebracht. Dit bedrag bestaat uit rente die in de tenlastegelegde periode door [bedrijfsnaam 1] B.V. aan diverse investeerders is uitgekeerd en derhalve niet meegerekend kan worden als door de investeerders opgelopen schade.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 7.314.201,00, geheel bestaande uit materiële schade en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 15 september 2009, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan, te weten de faillissementsdatum van [bedrijfsnaam 1] B.V. en het einde van de onder feit 1 bewezen verklaarde periode.
Nu de vordering grotendeels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Vordering benadeelde partij – mr. W.Th. van Dijk q.q. ( [bedrijfsnaam 5] B.V.)
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij de vordering ook voldoende onderbouwd.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 1.247.699,03, geheel bestaande uit materiële schade.
De rechtbank zal in dit geval geen wettelijke rente toewijzen omdat deze niet door de benadeelde partij gevorderd is.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregelen
De verdachte zal voor de bewezenverklaarde feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partijen aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hen is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen:
 een bedrag van € 7.314.201,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 september 2009 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van mr. J.H.M. van de Wiel q.q.;
 een bedrag van € 1.247.699,03, ten behoeve van mr. W.Th. van Dijk q.q.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 36 f, 47, 51, 57, 326 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van oplichting, begaan door rechtspersonen, terwijl de verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2:
medeplegen van gewoontewitwassen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) jaren;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
de vordering van de benadeelde partij J.H.M. van Wiel en de schadevergoedingsmaatregel;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 7.314.201,00 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 15 september 2009 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan J.H.M. van Wiel;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.314.201,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 september 2009 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van J.H.M. van Wiel;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 306 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
de vordering van de benadeelde partij W. Th. van Dijk en de schadevergoedingsmaatregel;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 1.247.699,03 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag te betalen aan W. Th. van Dijk;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.247.699,03, ten behoeve van W. Th. van Dijk;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 54 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S. Pereth, voorzitter,
mr. drs. H.M. Braam, rechter,
mr. M.L. Harmsen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.C. Veltink, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 juni 2026.