ECLI:NL:RBDHA:2026:1615

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
rekestnummer: C/09/695776 / FT RK 25/856
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Verordening 2015/848Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot faillietverklaring wegens onvoldoende summierlijk gebleken vorderingsrechten

Verzoeksters hebben een verzoek tot faillietverklaring ingediend tegen verweerster, gebaseerd op diverse vorderingen voortvloeiend uit een langlopend geschil binnen een groep vennootschappen die een hotelketen exploiteert. Verzoeksters stellen dat verweerster grote geldbedragen heeft onttrokken en daardoor niet meer aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen, wat tot aanzienlijke schade heeft geleid.

Verweerster betwist de vorderingen en wijst op lopende bodemprocedures waarin deze vorderingen onderwerp van geschil zijn. Tevens stelt verweerster dat verzoeksters misbruik maken van het faillissementsverzoek en dat er verrekenbare tegenvorderingen bestaan. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vorderingen en de toestand van verweerster niet summierlijk kunnen worden vastgesteld vanwege de complexiteit en verwevenheid van de procedures.

Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring af en veroordeelt verzoeksters in de proceskosten. De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling of verweerster daadwerkelijk is opgehouden te betalen of andere schuldeisers onbetaald laat, omdat de vorderingsrechten niet voldoende zijn aangetoond.

Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring wordt afgewezen wegens onvoldoende summierlijk gebleken vorderingsrechten en lopende procedures die de vorderingen betwisten.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANKDEN HAAG
Team Toezicht
rekestnummer: C/09/695776 / FT RK 25/856
beschikking van 21 januari 2026
in de zaak van
[bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] )
[bedrijf 2] , (hierna: [bedrijf 2] )
verzoeksters,
advocaten: mr. M.R.C. van Zoest en mr. O.J.W. Schotel
tegen
[bedrijf 3] B.V.,
verweerster,
advocaten: mr. M.N. Stoop en mr. M. Loef.
Waar deze zaak over gaat
Verzoeksters hebben een verzoekschrift ingediend strekkende tot faillietverklaring van verweerster. De rechtbank wijst dit verzoek af. Zij legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
Verzoeksters hebben een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot faillietverklaring van verweerster.
1.2.
Het verzoekschrift is op 13 januari 2026 in raadkamer behandeld. Bij die gelegenheid zijn verschenen en gehoord:
- mrs. Van Zoest en Schotel voornoemd;
- mrs. Stoop en Loef voornoemd;
- [naam 1] ;
- [naam 2] ;
- [naam 3] , financieel directeur van [bedrijf 3] B.V.;
- [naam 4] , voormalig cfo van [bedrijf 3] B.V.;
- de [naam 5] (hierna: [naam 5] ), bestuurder en enig aandeelhouder van verweerster.
1.3.
De rechtbank heeft verder kennis genomen van een verweerschrift, met veertien
bijlagen, van mrs. Van Zoest en Schotel, binnengekomen op 11 januari 2026.
1.4.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Standpunten van partijen

Standpunt van verzoeksters

2.1.
Het verzoek tot faillietverklaring van verweerster vindt haar oorsprong in een langlopend geschil tussen verzoeksters en verweerster. [naam 5] is enig bestuurder en enig aandeelhouder van verweerster. Verweerster houdt op haar beurt alle aandelen in het kapitaal van [bedrijf 3] B.V. Verzoeksters en verweerster waren betrokken bij een groep vennootschappen die in de Benelux een hotelketen exploiteerde. Verweerster heeft grote geldbedragen onttrokken aan de groep vennootschappen waarbinnen de hotelketen werd geëxploiteerd en heeft daardoor een conflict veroorzaakt met de belangrijkste financier van de hotelgroep. Daardoor kon de hotelgroep afspraken niet nakomen en is voor tientallen miljoenen aan schade berokkend. Dit heeft tot diverse procedures geleid, waarbij rechtbanken diverse malen hebben geoordeeld dat verzoeksters vorderingen hebben op [naam 5] , verweerster en [bedrijf 3] B.V. Verzoeksters hebben de volgende vorderingen op verweerster:
i. [bedrijf 1] heeft een vordering van in hoofdsom € 350.000 in verband met zogenoemde Pier Bonds;
ii. [bedrijf 2] heeft een vordering van in hoofdsom € 1.268.202,60 in verband met aan verweerster overgemaakte onttrekkingen;
iii. [bedrijf 2] heeft een vordering van in hoofdsom meer dan € 2.085.133,80 in verband met in groepsverband veroorzaakte Defaults;
iv. [bedrijf 1] heeft in totaal een vordering van in hoofdsom € 81.082,07 als vergoeding van wegens door verweerster van hen ingeleend personeel; en
v. [bedrijf 1] en [bedrijf 2] hebben in totaal een vordering van in hoofdsom € 3.689 wegens onbetaald gelaten proceskostenveroordelingen.
Verzoeksters hebben het standpunt ingenomen dat verweerster daarnaast diverse andere schuldeisers onbetaald laat. Het betreft in elk geval een vordering van [bedrijf 1] B.V. uit hoofde van een niet-betaalde
break fee, een vordering van de Belastingdienst, een vordering van [bedrijf 4] en een vordering van [bedrijf 5] B.V. en [bedrijf 6] B.V. Daarmee verkeert verweerster volgens verzoeksters in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.
2.2.
Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij erkent de vorderingen van verzoeksters niet en heeft dat als volgt toegelicht.
Verweerster heeft in 2022 een bodemprocedure aanhangig gemaakt tegen (onder meer) verzoeksters, die wordt aangeduid als ‘de Rotterdamse Procedure’. Die procedure bevindt zich nu in de fase van hoger beroep. Uit hoofde van die procedure heeft verweerster aanzienlijke verrekenbare tegenvorderingen op (onder meer) verzoeksters.
Verzoeksters zijn in 2018 een bodemprocedure tegen (onder meer) verweerster gestart. Die procedure heeft betrekking op dezelfde vorderingen die verzoeksters aan hun verzoek tot faillietverklaring ten grondslag leggen. Deze ‘Amsterdamse Procedure’ is in december 2018 geroyeerd, naar aanleiding van een tussen partijen getroffen regeling. Ondanks herhaalde aankondigingen daartoe hebben verzoeksters de procedure niet opnieuw opgebracht. Partijen mogen deze procedure opnieuw opbrengen, waarna verweerster verweer kan voeren tegen de door verzoeksters jegens (onder meer) verweerster aanhangig gemaakte vorderingen. Tot enig gerechtelijk oordeel over de vorderingen van verzoeksters is het dus niet gekomen.
Daarnaast laten verzoeksters in hun verzoekschrift onbesproken dat [bedrijf 2] haar op verweerster gepretendeerde vordering al heeft verrekend, zonder dat daar enig vonnis aan ten grondslag ligt. [bedrijf 2] houdt zelfs een bedrag van € 385.948 dat verweerster en [naam 5] toekomt onder zich, met een beroep op, en in afwachting van, de beslechting van haar vorderingen in de Amsterdamse Procedure. Door aldus te handelen maken verzoeksters misbruik van de bevoegdheid het faillissement aan te vragen.
Verweerster betwist dus dat verzoeksters opeisbare vorderingen hebben. De in het verzoekschrift genoemde vorderingen zijn voldaan, betwist en/of verrekend en/of rechtsgeldig opgeschort. De betwiste vorderingen zijn onderwerp van de procedures. Verweerster zal de Amsterdamse Procedure zelf opnieuw opbrengen, nu verzoeksters dit al jarenlang nalaten. Verweerster wenst verweer te voeren tegen deze vorderingen en heeft bovendien eigen vorderingen op verzoeksters, die de vorderingen van verzoeksters in omvang (ver) overstijgen.
Verweerster heeft voorts i) de steunvorderingen betwist en ii) het standpunt ingenomen dat zij niet in de toestand verkeert van te hebben opgehouden te betalen. Zij heeft verzocht het verzoek tot faillietverklaring af te wijzen en verzoeksters te veroordelen in de proceskosten.

3.De beoordeling

Bevoegdheid

3.1.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, Verordening 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie (herschikking IVO), bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerster in Nederland ligt.
Beoordelingskader
3.2.
Een faillissement kan op verzoek worden uitgesproken wanneer van een vorderingsrecht van een verzoeker is gebleken én is gebleken dat de schuldenaar verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen (de faillissementstoestand). Van die toestand is sprake wanneer de schuldenaar meer dan een schuldeiser heeft en hij niet meer betaalt. Een en ander moet summierlijk blijken, dat wil zeggen dat zowel de toestand als de vordering na een kort, eenvoudig onderzoek moeten blijken.
Voor een uitgebreid onderzoek is in een faillissementsprocedure geen plaats.
Vorderingsrechten van verzoeksters
3.3.
Verweerster heeft in haar verweerschrift en op de zitting van 13 januari 2026 de vorderingen van verzoeksters in het kader van het verzoek om faillietverklaring uitgebreid en gemotiveerd betwist. Vast staat dat verzoeksters en verweerster al jaren in procedures zijn verwikkeld en vorderingen op elkaar hebben. Gelet op de verwevenheid van de diverse vorderingen en de complexiteit ervan, kan op basis van summier onderzoek niet worden geconcludeerd dat de verweren van verweerster in voormelde procedure(s) zonder redelijke kans van slagen zijn. De rechtbank kan daarom niet uitgaan van de vorderingsrechten van verzoeksters. Zij zal het verzoek om faillietverklaring reeds hierom afwijzen en komt daardoor niet toe aan de beoordeling of verweerster de vorderingen van andere schuldeisers onbetaald laat en of zij verkeert in de toestand te hebben opgehouden te betalen.
3.4.
Verweerster heeft verzocht verzoeksters te veroordelen in de kosten van de procedure.
De rechtbank zal hiertoe overgaan, omdat verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek tot faillietverklaring van verweerster af;
- veroordeelt verzoeksters in de kosten van deze procedure, tot heden aan de zijde van verweerster begroot op € 1.228,- aan salaris advocaat (twee punten à tarief II, € 614,- per punt);
- verklaart de voormelde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit is een beslissing van mr. drs. J.C.A.T. Frima, rechter, in samenwerking met R. Becker, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan degene die is verschenen en aan wie de Faillissementswet dat recht toekent gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.