ECLI:NL:RBDHA:2026:16148

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
NL26.12554
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 EU-HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiser, met de Nigeriaanse nationaliteit, diende op 30 oktober 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Uit Eurodac bleek dat hij eerder op 17 maart 2025 in Zwitserland een verzoek tot internationale bescherming had ingediend. Nederland verzocht Zwitserland om terugname, welke werd aanvaard. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat Zwitserland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.

Eiser voerde aan dat Nederland zijn asielverzoek aan zich moest binden vanwege bijzondere omstandigheden en tekortkomingen in het Zwitserse asiel- en opvangsysteem, waaronder ernstige conflicten en mensenhandel. De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van eiser vooral betrekking hadden op persoonlijke problemen met mensensmokkelaars en niet op structurele tekortkomingen in Zwitserland.

De rechtbank stelde vast dat eiser zich tot de Zwitserse autoriteiten kan wenden en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12554

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B.E.N. Goossens).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 6 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.12555, op 22 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Als tolk is verschenen de heer M. Fayez. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] . Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 30 oktober 2025 ingediend.
1.1.
Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 17 maart 2025 in Zwitserland een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Op 3 december 2025 heeft Nederland aan Zwitserland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van Verordening (EU) nr 604/2013 (Dublinverordening). Zwitserland heeft dit verzoek op 9 december 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, onder c, van de Dublinverordening.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beroepsgronden van eiser
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat, gezien zijn specifieke bijzondere feiten en omstandigheden, Nederland zijn asielverzoek aan zich moet binden. In de situatie van eiser kan worden afgeweken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Zwitserland aangezien Zwitserland niet in staat is om de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM te respecteren. Eiser stelt dat terugkeer naar Zwitserland directe problemen met zich meebrengt waarbij hij vreest voor zijn leven. Hij heeft tijdens zijn eerdere verblijf in Zwitserland ernstig oplopende conflicten ervaren in het kader van de opvang waartegen hij destijds aangifte heeft gedaan. De Zwitserse autoriteiten hebben de betreffende personen aangesproken maar willen of hebben eiser niet kunnen helpen bij verdere begeleiding waardoor eiser zich niet meer veilig voelt. Hij stelt dat van hem niet kan worden verlangd dat hij zich beklaagt bij de hogere autoriteiten, dan wel de geëigende instanties, mede omdat hij hier als asielzoeker geen toegang toe heeft.
Beoordeling door de rechtbank
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
4. Uitgangspunt is dat verweerder ten opzichte van Zwitserland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit is slechts anders indien eiser erin slaagt aannemelijk te maken dat in Zwitserland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat asielzoekers een reëel risico zullen lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest dan wel artikel 3 van Pro het EVRM.
4.1.
Uit de eerdere verklaringen van eiser in het aanmeldgehoor (pagina 4) blijkt dat eiser slechts een ‘kleine complicatie’ heeft gehad in Zwitserland. In de zienswijze stelt hij dat hij ‘de nodige problemen daar heeft ondervonden’ en in de beroepsgronden is er sprake van ‘ernstig oplopende conflicten’ die hij in het kader van zijn opvang in Zwitserland heeft ervaren. Ter zitting heeft eiser naar voren gebracht dat hij slachtoffer is van mensenhandel. Hij werd in Zwitserland gedwongen tot sekswerk en toen hij weigerde heeft hij ernstige problemen ondervonden in de opvang. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van eiser niet gaan over het asiel- en opvangsysteem in Zwitserland, maar over zijn problemen met mensensmokkelaars. Zijn verklaringen geven daarom geen aanleiding om structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem in Zwitserland aan te nemen.
4.2.
Verweerder stelt zich naar oordeel van de rechtbank ter zitting terecht op het standpunt dat, indien eiser meent slachtoffer te zijn geworden van mensenhandel, het aan hem is om zich tot de Zwitserse autoriteiten te wenden. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij bang was voor de consequenties van aangifte in Zwitserland. Hij heeft zich daarom niet gewend tot de autoriteiten in Zwitserland en bij aankomst in Nederland aangifte gedaan voor wat er in Zwitserland is gebeurd. Anders dan eiser ter zitting verklaard, blijkt uit zijn eerdere verklaringen tijdens zijn aanmeldgehoor (pagina 5) dat hij zich wel eerder heeft beklaagd bij de Zwitserse autoriteiten en dat daar gehoor aan is gegeven. Voor zover eiser in Nederland aangifte heeft gedaan van wat hem in Zwitserland is overkomen, zal het Openbaar Ministerie in Nederland naar alle waarschijnlijkheid geen verdere stappen ondernemen, omdat Nederland niet het aangewezen land is voor deze aangifte. De mensenhandel zou immers in Zwitserland hebben plaatsgevonden. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder ervan uitgaan dat eiser zich in Zwitserland tot de autoriteiten kan wenden voor het doen van aangifte. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij als asielzoeker geen toegang heeft tot de Zwitserse autoriteiten. Bij terugkeer zal eiser immers als Dublinclaimant worden aangemerkt en niet als asielzoeker. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het indienen van een klacht in Zwitserland voor Dublinclaimanten in het algemeen, of in zijn specifieke geval, onmogelijk of zinloos is. Mocht eiser zich na overdracht aan Zwitserland, onverhoopt, geconfronteerd zou zien met problemen, geldt dat hij zich hierover wederom dient te beklagen bij de Zwitserse (desnoods hogere of rechterlijke) autoriteiten.
4.3.
Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om eisers asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich te trekken. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. E. op den Kamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.