Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16146

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
09-223699-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 37a SrArt. 37b SrArt. 47 SrArt. 157 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen ontploffing bij coffeeshop met gevaar voor leven en letsel

De rechtbank Den Haag heeft op 1 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die op 15 augustus 2025 samen met anderen een ontploffing heeft veroorzaakt bij een coffeeshop in Den Haag. De ontploffing bracht gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel met zich mee. De verdachte werd wettig en overtuigend bewezenverklaard voor medeplegen van dit feit.

De rechtbank baseerde haar oordeel op bekennende verklaringen, camerabeelden en deskundigenrapporten. De ontploffing vond plaats onder een woning waar een persoon lag te slapen, en er waren ook passerende voertuigen en omstanders in de nabijheid. De explosie veroorzaakte een vuurbal en brand aan de gevel, met risico op brandoverslag en letsel door rondvliegende glasscherven.

De verdachte was ten tijde van het feit 18 jaar oud en kampte met een neurocognitieve stoornis en antisociale persoonlijkheidsstoornis, waardoor hij zijn gedrag niet adequaat kon sturen. Deskundigen en reclassering adviseerden toepassing van het volwassenenstrafrecht en oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging vanwege het hoge recidiverisico en de ernst van de problematiek.

De rechtbank legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden op, met aftrek van 291 dagen voorarrest, en een tbs-maatregel met dwangverpleging voor onbepaalde tijd. Tevens werd de verdachte hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €27.283,96 schadevergoeding aan de benadeelde partij, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd afgewezen om vertraging van de behandeling te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging wegens medeplegen ontploffing met gevaar voor leven en letsel.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-223699-25 en 16-064364-24 (tul)
Datum uitspraak: 1 juni 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres], [woonplaats],
op dit moment preventief gedetineerd in JJI [locatie] te [plaats].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de terechtzittingen van 17 november 2025, 5 februari 2026, 26 maart 2026 (pro forma) en 18 mei 2026 (inhoudelijke behandeling).
De officier van justitie in deze zaak is mr. N. Stolk en de raadsman van de verdachte is mr. M.J. van den Hoonaard te Baarn, waarnemend voor mr. K. Karakaya te Apeldoorn. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort gezegd, op neer dat de verdachte op 15 augustus 2025, samen met anderen, in Den Haag opzettelijk een ontploffing heeft teweeggebracht.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich voor de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat volgens de raadsman niet bewezen kan worden dat er levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was en dat de verdachte daarom van dat onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.
3.3
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
3.4
Bewijsoverwegingen
Gelet op de bekennende verklaring van de verdachte en de inhoud van de overige in het dossier aanwezige bewijsmiddelen kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat de verdachte op 15 augustus 2025, tezamen en in vereniging met anderen, een ontploffing bij coffeeshop [coffeeshop] in Den Haag heeft teweeggebracht.
De verdediging heeft betoogd dat niet bewezen kan worden dat als gevolg van de teweeggebrachte ontploffing levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.
Om de vraag te beantwoorden of van de ontploffing levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was, moet de rechtbank beoordelen of uit de bewijsmiddelen blijkt dat op het moment van het teweegbrengen van de ontploffing een dergelijk gevaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was.
Boven de coffeeshop, waar ten tijde van de ontploffing - die ’s nachts plaatsvond - niemand aanwezig was, is een woning gelegen. De slaapkamer van de bewoner van die woning ligt aan de voorkant van het pand, direct boven de winkel en direct achter de gevel van de coffeeshop. Uit het dossier volgt dat genoemde bewoner op het moment van de ontploffing lag te slapen in zijn slaapkamer. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat bij de ontploffing gebruik is gemaakt van een zogenoemde vuurwerkbrandstofcombinatie. Als een dergelijke combinatie tot ontploffing wordt gebracht, ontstaat er een luchtdrukgolf. Door die golf kunnen ramen breken. De bewoner in kwestie had in aanraking kunnen komen met rondvliegende glasscherven en daardoor lichamelijk letsel kunnen oplopen. Bovendien brengt het tot ontploffing brengen van een explosief in combinatie met een fles met brandstof in algemene zin een risico met zich mee dat brand ontstaat in de omgeving, waaronder in dit geval ook in de woning gelegen boven de coffeeshop. Dat dit gevaar niet denkbeeldig was, blijkt onder andere uit de beelden van in de omgeving aanwezige camera’s waarop te zien is dat na het aansteken van de vuurwerkbrandstofcombinatie een grote vuurbal ontstaat en vervolgens een enorme vlam waarneembaar is die tegen de ramen aanslaat en boven het perceel uit komt. Dat het om een grote steekvlam ging, volgt uit het feit dat de volledige vuurbal niet op de camerabeelden waarneembaar is. Van belang is verder dat onder andere het kozijn van het raam aan de voorzijde van de coffeeshop na de ontploffing in brand vloog en bleef branden, en er op de gevel van de coffeeshop roetafzetting is waargenomen tot op ongeveer twee meter boven de raamgevel. Als de brand had doorgezet en was overgeslagen naar de woning boven de coffeeshop en de bewoner door de brand en de rookontwikkeling die dit met zich meebrengt, rook had ingeademd of ingesloten zou raken, dan zou dit tot fatale gevolgen hebben kunnen leiden.
De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij kort voordat hij het explosief heeft geplaatst en tot ontploffing heeft gebracht, om zich heen heeft gekeken of er mensen op straat liepen en dat hij niemand zag. Op eerdergenoemde camerabeelden is echter te zien dat de verdachte voor de gevel van de coffeeshop op zijn hurken gaat zitten, met zijn rug richting de straat en het explosief tot ontploffing brengt. Dat lukt niet meteen. Tussen het moment dat de verdachte door zijn knieën zakt, het explosief probeert aan te steken en wegrent met één van zijn medeverdachten, zit vijftien seconden. Al die tijd heeft de verdachte geen zicht gehad op wat zich achter hem afspeelde en heeft hij zich er niet van kunnen vergewissen of er omstanders in de buurt waren. Het feit dat de verdachte voorafgaand aan het afsteken van het explosief om zich heen heeft gekeken en gezien heeft dat er niemand op straat aanwezig was, zegt niets over eventueel voorbijrijdende auto’s en passerende personen gedurende de periode dat hij, zoals hiervoor is beschreven, door zijn knieën gezakt zat. Dat er achter zijn rug wel degelijk wat gebeurde, volgt ook uit de camerabeelden: vlak na de ontploffing rijdt een taxi langs, terwijl de brand als gevolg van de ontploffing nog zichtbaar is en hierna loopt er aan de overzijde van de coffeeshop een voetganger langs. De inzittende(n) van de taxi en de voetganger hadden van de ontploffing dezelfde gevolgen kunnen ondervinden als de bewoner van de boven de coffeeshop gelegen woning.
Gelet op het voorgaande was het naar het oordeel van de rechtbank ten tijde van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar dat levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel zou kunnen ontstaan voor de in de boven de coffeeshop gelegen woning aanwezige persoon, de in voertuigen aanwezige personen en omstanders. De rechtbank komt daarmee tot een volledige bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 15 augustus 2025 te Den Haag, bij een coffeeshop gelegen aan de [straatnaam] tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door vuurwerk en een fles met brandstof met een aansteker aan te steken terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten
- de bovenwoning en aangrenzende panden in de [straatnaam];
- passerende voertuigen in de [straatnaam] te duchten was en
levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
- de in voornoemde bovenwoning aanwezige perso
on;
- de in voertuigen aanwezige personen;
- omstanders;
te duchten was.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straf en maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met dwangverpleging voor ongemaximeerde duur aan de verdachte wordt opgelegd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de ontwikkelingsachterstand van de verdachte, zijn beperkte gewetensontwikkeling, impulsiviteit en afhankelijkheid heeft de verdediging verzocht om het jeugdstrafrecht toe te passen. De verdediging heeft voorts verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met het belaste verleden van de verdachte. Hoewel de verdediging onderschrijft dat een langdurige en intensieve behandeling noodzakelijk is, heeft de raadsman bepleit dat een tbs-maatregel met voorwaarden moet worden opgelegd in plaats van een tbs-maatregel met dwangverpleging. De verdediging heeft er in dit verband op gewezen dat de trajecten die eerder zijn ingezet, hebben plaatsgevonden in een setting die qua intensiteit en forensische inkadering niet te vergelijken is met het kader waarin een tbs-maatregel met voorwaarden wordt uitgevoerd. Dit minder verstrekkende alternatief voor een tbs-maatregel met dwangverpleging, moet om die reden eerst worden geprobeerd. Daarnaast heeft de verdediging verzocht om geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een ontploffing, waarbij gevaar voor goederen en zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor een persoon te duchten was. De verdachte heeft opdracht van iemand gekregen om een explosief, dat hij weer van een ander kreeg, bij coffeeshop [coffeeshop] in Den Haag tot ontploffing te brengen. Een aantal seconden nadat hij het explosief voor de gevel van de coffeeshop heeft neergelegd en heeft aangestoken, is een enorme vuurbal ontstaan die flinke (brand)schade aan de gevel van de coffeeshop heeft veroorzaakt. In de slaapkamer van de woning direct boven de coffeeshop lag op het moment van de ontploffing de bewoner te slapen. Er reed een taxi voorbij en er liep een voetganger langs. De verdachte heeft door het teweegbrengen van de ontploffing niet alleen materiële schade veroorzaakt - en had nog meer schade kunnen veroorzaken - maar hij heeft ook een levensgevaarlijke situatie laten ontstaan, met grote risico’s op letsel of nog ernstiger gevolg voor anderen. De verdachte heeft niet stil gestaan bij deze risico’s. Hij heeft zich er ook geen rekenschap van gegeven dat het voor omwonenden ontzettend traumatiserend kan zijn als er in de buurt een explosief tot ontploffing wordt gebracht. Als gevolg van de ontploffing is de coffeeshop, op last van de burgemeester van de gemeente Den Haag, een maand lang gesloten geweest. Naast de financiële gevolgen van de sluiting ondervinden de personen die de coffeeshop exploiteren tot op heden ook nog steeds last van het feit dat het voor hen onduidelijk is waarom zij het doelwit zijn geweest van de ontploffing.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 12 mei 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd tijdens een proeftijd die verbonden was aan een eerder opgelegd voorwaardelijk strafdeel.
Persoon van de verdachte
Pro Justitia rapportages
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia dubbelrapportage van kinder- en jeugdpsychiater [naam 1] van 22 januari 2026 en van GZ-psycholoog/ orthopedagoog drs. [naam 2] van 23 januari 2026, en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundigen ter zitting is gegeven.
De kinder- en jeugdpsychiater concludeert dat bij de verdachte sprake is van een neurocognitieve stoornis als gevolg van permanente hersenbeschadiging door mogelijke prenatale alcoholblootstelling en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast zijn de cognitieve vermogens van de verdachte benedengemiddeld ontwikkeld. Als gevolg van zijn psychische stoornissen ondervindt de verdachte problemen op sociaal, emotioneel en moreel leefgebied. Genoemde stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het plegen van het feit en het is aannemelijk dat dit van invloed is geweest op de gedragskeuzes van de verdachte met betrekking tot dat feit. De verdachte kon door zijn stoornissen zijn gedrag niet adequaat (bij)sturen of afremmen. Bij de verdachte zijn (ook achteraf) onvoldoende gevoelens van schuld en/of schaamte aanwezig. Geadviseerd wordt om bij een bewezenverklaring het tenlastegelegde aan de verdachte in verminderde mate toe te rekenen. Het recidiverisico op een geweldsdelict bij onveranderde omstandigheden en zonder begeleiding en behandeling wordt ingeschat als hoog. Gelet op de verharde antisociale persoonlijkheidsontwikkeling met criminele levensstijl en het feit dat een pedagogische aanpak voor de verdachte niet meer geïndiceerd is, wordt geadviseerd het volwassenenstrafrecht toe te passen en een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen, zodat zijn stoornissen adequaat kunnen worden behandeld en het recidiverisico kan worden ingeperkt.
Ter zitting heeft de kinder- en jeugdpsychiater benadrukt dat met een pedagogische aanpak hoofdzakelijk wordt gedoeld op opvoedkundige beïnvloeding, hetgeen bij de verdachte niet meer aan de orde is. De verdachte woont niet meer bij zijn pleegouders en krijgt dus geen bijsturing of sturing meer in een opvoedsituatie. De deskundige heeft er verder op gewezen dat vooral vanwege het hoge recidivegevaar geen tbs-maatregel met voorwaarden wordt geadviseerd. Het risico op het mislukken van een dergelijk traject is te groot. Dat er sprake is van een hoog recidivegevaar met én zonder begeleiding van de reclassering, wordt volgens de deskundige nog onderstreept door het feit dat de verdachte het tenlastegelegde feit tijdens een lopende proeftijd heeft begaan.
De GZ-psycholoog/orthopedagoog concludeert dat de verdachte lijdt aan een uitgebreide neurocognitieve stoornis als gevolg van een andere somatische aandoening met gedragsstoornissen en een stoornis in het gebruik van cannabis in vroege remissie in een gereguleerde omgeving. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en hebben invloed gehad op de gedragskeuzes en de gedragingen van de verdachte. Als gevolg van de stoornissen ontbreekt het de verdachte aan inzicht in oorzaak en gevolg, mede door de impulsiviteit van handelen en het onnadenkend nemen van beslissingen. De verdachte laat zich gemakkelijk beïnvloeden door mensen met een antisociale of zelfs criminele inslag en hij wil weinig verklaren omdat hij beseft dat hij zichzelf hiermee in gevaar kan brengen. Gelet op de problematiek van de verdachte wordt geadviseerd het tenlastegelegde in verminderde mate aan hem toe te rekenen. Er zijn veel risicofactoren aanwezig waardoor het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Daartegenover staan weinig beschermende factoren. Zo is het de betrokken pleegouders niet gelukt om de verdachte op het juiste spoor te houden. Zonder begeleiding en/of toezicht laat de verdachte zich leiden door zijn impulsen. Daarbij mist hij handelingsvaardigheden en is hij weinig empathisch. Hoewel de verdachte aangeeft open te staan voor begeleiding, laten ervaringen uit het verleden een ander beeld zien.
Aangezien de verdachte nauwelijks meer pedagogisch beïnvloedbaar is, heeft een pedagogische aanpak onvoldoende effect. Toepassing van het jeugdstrafrecht ligt daarom niet in de rede. De beperkte leerbaarheid van de verdachte en zijn gedragsproblematiek maken een intensieve aanpak met een dwingend karakter noodzakelijk. De interventies die tot op heden zijn ingezet hebben niet tot een verbetering geleid. Om het recidiverisico zo veel mogelijk te beperken en behandeling te waarborgen, is het noodzakelijk om een behandeling in te zetten in een klinische setting met een hoog beveiligingsniveau. Gelet daarop wordt geadviseerd om aan de verdachte een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen. Een tbs-maatregel met voorwaarden is te licht, ook vanwege de kans op onttrekking als gevolg van gebrek aan motivatie bij de verdachte. Hoewel een tbs-maatregel met voorwaarden kan worden omgezet in een tbs-maatregel met dwangverpleging als de verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt, wordt dit, ook gelet op de vertraging die dit zal meebrengen, niet in het belang van de verdachte geacht.
Ter zitting heeft de GZ-psycholoog/orthopedagoog verder toegelicht dat het op zich juist is dat de verdachte (uitsluitend) in een gesloten setting, zoals thans de JJI, wel beperkt leerbaar is, maar dat daarbij bedacht moet worden dat ook dan zeer veel tijd nodig is om hem tot leren te bewegen, en ook dan is het nog steeds de vraag of aangeleerde vaardigheden beklijven. Daar komt bij dat het recidiverisico hoog is, en dat leidt er toe dat een tbs-maatregel met voorwaarden een te groot risico met zich mee zal brengen voor de samenleving.
Reclassering
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 29 april 2026. Ook in de rapportage van de reclassering wordt benadrukt dat het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Gelet op de voorgeschiedenis en de problematiek van de verdachte wordt een langdurige klinische behandeling met toezicht, structuur en controle noodzakelijk geacht. Bij de verdachte is sprake van weinig probleembesef, impulsiviteit, zelfbepalend gedrag, negatieve beïnvloeding door anderen, onderschatting van zijn problematiek en overschatting van zijn eigen mogelijkheden. De reclassering rapporteert dat de verdachte niet volledig achter een klinische behandeling staat en dat hij te kennen heeft gegeven daar alleen aan mee te willen werken als dit niet te lang duurt. Gelet op zijn onmacht, voortvloeiende uit zijn problematiek, is de kans groot dat de verdachte zich niet aan voorwaarden zal kunnen houden. In het verleden zijn er, met toepassing van het jeugdstrafrecht, meerdere trajecten en interventies ingezet waarbij de verdachte daaraan verbonden voorwaarden heeft overtreden, ook terwijl hij nog in een proeftijd liep. Een kader dat op medewerking van de verdachte en zelfsturing is aangewezen, sluit dan ook niet aan bij zijn mogelijkheden. Om die reden is er geen indicatie afgegeven door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, werkeenheid Indicatiestelling Forensische Zorg, en kan er geen klinische behandeling in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden worden gestart. Een tbs-maatregel met voorwaarden is om die reden niet haalbaar en niet voldoende om het recidiverisico in te perken en het gedrag van de verdachte te veranderen.
Pedagogische beïnvloeding is niet meer haalbaar. Voor hetgeen noodzakelijk is om in te zetten, zijn binnen het jeugdstrafrecht geen mogelijkheden. Geadviseerd wordt daarom om het volwassenstrafrecht toe te passen.
Toerekeningsvatbaarheid
De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte over en zal het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte toerekenen.
Toepassing volwassenenstrafrecht
De rechtbank kan – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt – het jeugdstrafrecht toepassen. De rechtbank stelt vast dat de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd toen hij 18 jaar oud was. Het uitgangspunt is dan dat berechting plaatsvindt volgens het volwassenenstrafrecht. Met betrekking tot de vraag of er, in afwijking van dit uitgangspunt, aanleiding bestaat om het jeugdstrafrecht toe te passen overweegt de rechtbank het volgende.
Zowel de kinder- en jeugdpsychiater als de GZ-psycholoog/orthopedagoog als ook de reclassering hebben geadviseerd om bij berechting het volwassenstrafrecht toe te passen. De verdachte is in het verleden eerder veroordeeld waarbij verschillende strafrechtelijke interventies vanuit het jeugdstrafrecht zijn ingezet. Zo heeft de verdachte onder andere het Intensieve Traject Begeleiding Harde Kern doorlopen, dat is gericht op jeugdigen die ernstige delicten hebben gepleegd of structureel de fout in gaan. Deze interventies hebben echter niet geleid tot een gedragsverandering. Daarnaast hebben de zeer betrokken pleegouders van de verdachte zich gedurende een lange periode tot het uiterste ingespannen om de verdachte op het rechte pad te krijgen en te houden en hem tot een positieve ontwikkeling te laten komen. Dit alles heeft niet kunnen voorkomen dat de verdachte voortdurend in contact is blijven komen met politie en justitie. Geconcludeerd moet worden dat de verdachte niet meer vatbaar is voor pedagogische beïnvloeding. Niet valt in te zien wat er op dit vlak nog méér van de pleegouders of van hulpverlening, betrokken in het jeugdstrafrecht, kan worden verwacht of verlangd. In dit verband weegt de rechtbank ook mee dat alle deskundigen naar voren hebben gebracht dat de verdachte zijn leven lang begeleiding en sturing nodig zal hebben. Alles afwegende ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat het volwassenstrafrecht moet worden toegepast.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt voor een feit als het bewezenverklaarde feit opgenomen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. Met inachtneming van dat uitganspunt geldt het volgende.
De verdachte wordt weliswaar niet met toepassing van het jeugdstrafrecht berecht, maar dat laat onverlet dat de rechtbank wel aanleiding ziet rekening te houden met de jeugdige leeftijd van de verdachte. Ook houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met het feit dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat er sprake is van recidive en dat hij het bewezenverklaarde heeft begaan tijdens een lopende proeftijd. Daarnaast weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat de verdachte slechts in beperkte mate heeft verklaard over het bewezenverklaarde en dat de mate waarin hij verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag, vrijwel nihil is. Hoewel de verdachte ter zitting spijt heeft betuigd, heeft hij desgevraagd ook te kennen gegeven dat die spijt voornamelijk ziet op de gevolgen die na de explosie voor hem zelf zijn opgetreden.
Gevangenisstraf
De ernst van het feit en de weging van de hiervoor besproken omstandigheden brengt de rechtbank allereerst tot de conclusie dat niet kan worden volstaan oplegging van een lichtere sanctie dan een gevangenisstraf. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte na de periode die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht nog zal moeten ervaren dat zijn handelen strafwaardig is. De rechtbank is van oordeel dat de weging van de hiervoor besproken omstandigheden op een passende manier tot uitdrukking komt in de strafeis van de officier van justitie en zal deze eis dan ook volgen. Dat betekent dat de rechtbank aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden zal opleggen met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest (door de rechtbank berekend op 291 dagen tot aan de dag van de uitspraak).
Tbs-maatregel
De rechtbank is van oordeel dat daarnaast oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging noodzakelijk is. Ten aanzien van de stoornissen en het recidiverisico neemt de rechtbank de conclusies van de deskundigen over. Gelet op de chronische problematiek van de verdachte is intensieve behandeling in een dwingend kader noodzakelijk om het recidiverisico in te perken. Eerder ingezette strafrechtelijke interventies hebben recidive niet kunnen voorkomen. Gelet op zijn problematiek en het feit dat het de verdachte in het verleden niet is gelukt om zich te committeren aan hulpverlening, wordt de kans op onttrekking aan voorwaarden, en dus ook aan een tbs-maatregel met voorwaarden, hoog ingeschat. Een tbs-maatregel met voorwaarden wordt alleen al om die reden niet haalbaar geacht om het recidiverisico in te perken en te komen tot een adequate behandeling van de problematiek van de verdachte en tot gedragsverandering. Ook in dit opzicht vindt de rechtbank de adviezen van de deskundigen en de reclassering voldoende onderbouwd en neemt de rechtbank deze over. Van belang in dit verband is verder dat, zoals de reclassering naar voren heeft gebracht, het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, werkeenheid Indicatiestelling Forensische Zorg, te kennen heeft gegeven dat er geen klinische behandeling in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden kan worden gestart; reden waarom er voor de verdachte geen indicatie is afgegeven.
Aan de voorwaarden voor het opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging (artikel 37a Sr en artikel 37b Sr) is voldaan. Tijdens het begaan van de feiten bestond bij de verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, zoals door de deskundigen is beschreven. De door de verdachte begane feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Voorts eisen de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel. De duur van de maatregel zal niet worden gemaximeerd, nu het bewezenverklaarde feit (mede) is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam.

7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde] B.V., vertegenwoordigd door [naam 3] en ter terechtzitting bijgestaan door mr. T.A. Lindsen, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van materiële schade een bedrag van € 27.283,96, vermeerderd met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Daarnaast vordert de officier van justitie om de verdachte te veroordelen in de proceskosten, en betaling van de wettelijke rente. Tot slot vordert de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van het gevorderde bedrag dat betrekking heeft op de kosten van herstel van de ontstane schade aan de gevel van de coffeeshop, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het gevorderde bedrag dat ziet op gederfde winst is volgens de verdediging onvoldoende onderbouwd; de aangeleverde informatie, die slechts een aantal maanden betreft, is onvoldoende om tot een juiste inschatting van de daadwerkelijk gederfde winst te komen. Hiervoor is, aldus de verdediging, een overzicht van de omzet van meerdere maanden nodig. Als de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld om de ontbrekende informatie alsnog aan te leveren, zal dit een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. De verdediging heeft om die reden verzocht de benadeelde partij in de vordering die ziet op gederfde winst, niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze vordering af te wijzen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting wordt vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde feit. De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post herstelwerkzaamheden aan de gevel, is namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van deze schade ten bedrage van € 2.943,- daarom toewijzen.
Als gevolg van de ontploffing is de coffeeshop op last van de burgemeester van de gemeente Den Haag gesloten van 15 augustus 2025 03.00 tot 15 september 2025 03.00 uur. Op het moment van de ontploffing was de benadeelde partij in het buitenland. De benadeelde partij was voornemens om op 28 augustus 2025 de werkzaamheden in de coffeeshop te hervatten. Dat dit ook daadwerkelijk is gebeurd, is niet bestreden. De benadeelde partij heeft onderbouwd aangedragen dat zij aldus van 28 augustus 2025 tot 16 september 2025, in totaal 19 dagen, winst heeft misgelopen als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit. De winst van de maanden juli en september 2025 is doorberekend naar 19 dagen om tot een billijke schatting te komen van de misgelopen winst. Uit de stukken die als bijlage bij de vordering zijn gevoegd, blijkt dat de winst in de maand september 2025 aanzienlijk lager lag dan die in de maand juli 2025. Het gevorderde bedrag aan gederfde winst voor de periode van 28 augustus 2025 tot en met 15 september 2025 is daarmee door de benadeelde partij al teruggebracht en gematigd aan de hand van objectief toetsbare gegevens. Van een door de benadeelde partij te positief geschetst beeld, zoals de verdediging betoogt, is dus geen sprake. De wijze van berekenen komt uit op een reeds sterk gematigd eindbedrag; dat betekent dat er geen aanleiding is de benadeelde partij op te dragen nadere informatie ter onderbouwing aan te dragen. De rechtbank zal het gevorderde bedrag, te weten € 24.340,96, daarom toewijzen.
Totaal toegewezen
Het toe te wijzen bedrag komt, gelet op het voorgaande, uit op € 27.283,96.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de materiële schade toewijzen met ingang van 15 augustus 2025, omdat vast is komen te staan dat de betreffende kosten op die datum zijn gemaakt. De wettelijke rente over de gederfde winst zal worden toegewezen vanaf 28 augustus 2025, omdat de coffeeshop vanaf die datum gedwongen gesloten moest blijven.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De benadeelde partij heeft verzocht de proceskosten vast te stellen door aan te sluiten bij het liquidatietarief. De rechtbank zal de kosten van de rechtsbijstand begroten aan de hand van het liquidatietarief voor rechtbanken. De gevorderde proceskosten zullen worden begroot aan de hand van het toepasselijke liquidatietarief van € 836,- x 2 punten: een punt voor het opstellen en indienen van de vordering en een punt voor het toelichten van de vordering ter zitting, zijnde een bedrag van € 1.672,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 27.283,96,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over het bedrag van € 2.943,-vanaf 15 augustus 2025 en over het bedrag van € 24.340,96 vanaf 28 augustus 2025, alles tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [benadeelde] B.V.
Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de bij parketnummer 16-064364-24 door de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland op 21 januari 2025 voorwaardelijke opgelegde straf, te weten een jeugddetentie van 100 dagen jeugddetentie, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarde inhoudende het niet opnieuw plegen van strafbare feiten. De officier van justitie heeft ter zitting gepersisteerd bij de vordering, met dien verstande dat de jeugddetentie naar het oordeel van de officier van justitie conform artikel 6:6:29 van Pro het Wetboek van Strafvordering moet worden omgezet in een gevangenisstraf.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft zich gedurende de proeftijd schuldig gemaakt aan het plegen van een nieuw strafbaar feit. Hij heeft daarmee in ieder geval de algemene voorwaarde die was verbonden aan het voorwaardelijk opgelegde strafdeel, overtreden. Uitgangspunt is dat het overtreden van de voorwaarde(n) tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf met zich meebrengt. In dit geval is de rechtbank echter van oordeel dat tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf niet wenselijk is. Om het recidiverisico in te perken, is het van groot belang dat de verdachte – na het uitzitten van de in dit vonnis opgelegde gevangenisstraf – zo snel mogelijk kan starten met behandeling in het kader van de tbs-maatregel met dwangverpleging. Voorkomen moet worden dat dit vertraging oploopt vanwege het tenuitvoerleggen van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf. De vordering zal daarom worden afgewezen.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:
36f, 37a, 37b, 47 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
medeplegen van het opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf en maatregel
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
24 (VIERENTWINTIG) MAANDEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (291 dagen tot deze uitspraak), bij de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast
de terbeschikkingstellingvan verdachte, met
verpleging van overheidswege;
de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [benadeelde] B.V., een bedrag van € 27.283,96,-, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.943,- vanaf 15 augustus 2025 en over € 24.340,96 vanaf 28 augustus 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op € 1.672,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 27.283,96,-, vermeerderd met de wettelijke rente over
€ 2.943,-vanaf 15 augustus 2025 en over € 24.340,96 vanaf 28 augustus 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
de vordering tenuitvoerlegging
wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging;
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.H. Rochat, kinderrechter, voorzitter,
mr. J.E. Bierling, rechter,
en mr. R.J. Wortelboer, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.B.M.A. Roozen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juni 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 15 augustus 2025 te Den Haag, althans in Nederland, bij een coffeeshop gelegen aan de [straatnaam] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door vuurwerk en/of een fles (met brandstof), althans een voorwerp, met een aansteker aan te steken en/of met open vuur in aanraking te brengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten
- de bovenwoning(en) en/of aangrenzende panden in de [straatnaam]
- passerende en/of geparkeerde voertuigen in de [straatnaam] te duchten was en/of
levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
- de in voornoemde bovenwoning(en) aanwezige personen
- de in voertuigen aanwezige personen
- omstanders te duchten was.