6.3Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een ontploffing, waarbij gevaar voor goederen en zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor een persoon te duchten was. De verdachte heeft opdracht van iemand gekregen om een explosief, dat hij weer van een ander kreeg, bij coffeeshop [coffeeshop] in Den Haag tot ontploffing te brengen. Een aantal seconden nadat hij het explosief voor de gevel van de coffeeshop heeft neergelegd en heeft aangestoken, is een enorme vuurbal ontstaan die flinke (brand)schade aan de gevel van de coffeeshop heeft veroorzaakt. In de slaapkamer van de woning direct boven de coffeeshop lag op het moment van de ontploffing de bewoner te slapen. Er reed een taxi voorbij en er liep een voetganger langs. De verdachte heeft door het teweegbrengen van de ontploffing niet alleen materiële schade veroorzaakt - en had nog meer schade kunnen veroorzaken - maar hij heeft ook een levensgevaarlijke situatie laten ontstaan, met grote risico’s op letsel of nog ernstiger gevolg voor anderen. De verdachte heeft niet stil gestaan bij deze risico’s. Hij heeft zich er ook geen rekenschap van gegeven dat het voor omwonenden ontzettend traumatiserend kan zijn als er in de buurt een explosief tot ontploffing wordt gebracht. Als gevolg van de ontploffing is de coffeeshop, op last van de burgemeester van de gemeente Den Haag, een maand lang gesloten geweest. Naast de financiële gevolgen van de sluiting ondervinden de personen die de coffeeshop exploiteren tot op heden ook nog steeds last van het feit dat het voor hen onduidelijk is waarom zij het doelwit zijn geweest van de ontploffing.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 12 mei 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd tijdens een proeftijd die verbonden was aan een eerder opgelegd voorwaardelijk strafdeel.
Pro Justitia rapportages
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia dubbelrapportage van kinder- en jeugdpsychiater [naam 1] van 22 januari 2026 en van GZ-psycholoog/ orthopedagoog drs. [naam 2] van 23 januari 2026, en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundigen ter zitting is gegeven.
De kinder- en jeugdpsychiater concludeert dat bij de verdachte sprake is van een neurocognitieve stoornis als gevolg van permanente hersenbeschadiging door mogelijke prenatale alcoholblootstelling en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast zijn de cognitieve vermogens van de verdachte benedengemiddeld ontwikkeld. Als gevolg van zijn psychische stoornissen ondervindt de verdachte problemen op sociaal, emotioneel en moreel leefgebied. Genoemde stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het plegen van het feit en het is aannemelijk dat dit van invloed is geweest op de gedragskeuzes van de verdachte met betrekking tot dat feit. De verdachte kon door zijn stoornissen zijn gedrag niet adequaat (bij)sturen of afremmen. Bij de verdachte zijn (ook achteraf) onvoldoende gevoelens van schuld en/of schaamte aanwezig. Geadviseerd wordt om bij een bewezenverklaring het tenlastegelegde aan de verdachte in verminderde mate toe te rekenen. Het recidiverisico op een geweldsdelict bij onveranderde omstandigheden en zonder begeleiding en behandeling wordt ingeschat als hoog. Gelet op de verharde antisociale persoonlijkheidsontwikkeling met criminele levensstijl en het feit dat een pedagogische aanpak voor de verdachte niet meer geïndiceerd is, wordt geadviseerd het volwassenenstrafrecht toe te passen en een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen, zodat zijn stoornissen adequaat kunnen worden behandeld en het recidiverisico kan worden ingeperkt.
Ter zitting heeft de kinder- en jeugdpsychiater benadrukt dat met een pedagogische aanpak hoofdzakelijk wordt gedoeld op opvoedkundige beïnvloeding, hetgeen bij de verdachte niet meer aan de orde is. De verdachte woont niet meer bij zijn pleegouders en krijgt dus geen bijsturing of sturing meer in een opvoedsituatie. De deskundige heeft er verder op gewezen dat vooral vanwege het hoge recidivegevaar geen tbs-maatregel met voorwaarden wordt geadviseerd. Het risico op het mislukken van een dergelijk traject is te groot. Dat er sprake is van een hoog recidivegevaar met én zonder begeleiding van de reclassering, wordt volgens de deskundige nog onderstreept door het feit dat de verdachte het tenlastegelegde feit tijdens een lopende proeftijd heeft begaan.
De GZ-psycholoog/orthopedagoog concludeert dat de verdachte lijdt aan een uitgebreide neurocognitieve stoornis als gevolg van een andere somatische aandoening met gedragsstoornissen en een stoornis in het gebruik van cannabis in vroege remissie in een gereguleerde omgeving. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en hebben invloed gehad op de gedragskeuzes en de gedragingen van de verdachte. Als gevolg van de stoornissen ontbreekt het de verdachte aan inzicht in oorzaak en gevolg, mede door de impulsiviteit van handelen en het onnadenkend nemen van beslissingen. De verdachte laat zich gemakkelijk beïnvloeden door mensen met een antisociale of zelfs criminele inslag en hij wil weinig verklaren omdat hij beseft dat hij zichzelf hiermee in gevaar kan brengen. Gelet op de problematiek van de verdachte wordt geadviseerd het tenlastegelegde in verminderde mate aan hem toe te rekenen. Er zijn veel risicofactoren aanwezig waardoor het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Daartegenover staan weinig beschermende factoren. Zo is het de betrokken pleegouders niet gelukt om de verdachte op het juiste spoor te houden. Zonder begeleiding en/of toezicht laat de verdachte zich leiden door zijn impulsen. Daarbij mist hij handelingsvaardigheden en is hij weinig empathisch. Hoewel de verdachte aangeeft open te staan voor begeleiding, laten ervaringen uit het verleden een ander beeld zien.
Aangezien de verdachte nauwelijks meer pedagogisch beïnvloedbaar is, heeft een pedagogische aanpak onvoldoende effect. Toepassing van het jeugdstrafrecht ligt daarom niet in de rede. De beperkte leerbaarheid van de verdachte en zijn gedragsproblematiek maken een intensieve aanpak met een dwingend karakter noodzakelijk. De interventies die tot op heden zijn ingezet hebben niet tot een verbetering geleid. Om het recidiverisico zo veel mogelijk te beperken en behandeling te waarborgen, is het noodzakelijk om een behandeling in te zetten in een klinische setting met een hoog beveiligingsniveau. Gelet daarop wordt geadviseerd om aan de verdachte een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen. Een tbs-maatregel met voorwaarden is te licht, ook vanwege de kans op onttrekking als gevolg van gebrek aan motivatie bij de verdachte. Hoewel een tbs-maatregel met voorwaarden kan worden omgezet in een tbs-maatregel met dwangverpleging als de verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt, wordt dit, ook gelet op de vertraging die dit zal meebrengen, niet in het belang van de verdachte geacht.
Ter zitting heeft de GZ-psycholoog/orthopedagoog verder toegelicht dat het op zich juist is dat de verdachte (uitsluitend) in een gesloten setting, zoals thans de JJI, wel beperkt leerbaar is, maar dat daarbij bedacht moet worden dat ook dan zeer veel tijd nodig is om hem tot leren te bewegen, en ook dan is het nog steeds de vraag of aangeleerde vaardigheden beklijven. Daar komt bij dat het recidiverisico hoog is, en dat leidt er toe dat een tbs-maatregel met voorwaarden een te groot risico met zich mee zal brengen voor de samenleving.
Reclassering
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 29 april 2026. Ook in de rapportage van de reclassering wordt benadrukt dat het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Gelet op de voorgeschiedenis en de problematiek van de verdachte wordt een langdurige klinische behandeling met toezicht, structuur en controle noodzakelijk geacht. Bij de verdachte is sprake van weinig probleembesef, impulsiviteit, zelfbepalend gedrag, negatieve beïnvloeding door anderen, onderschatting van zijn problematiek en overschatting van zijn eigen mogelijkheden. De reclassering rapporteert dat de verdachte niet volledig achter een klinische behandeling staat en dat hij te kennen heeft gegeven daar alleen aan mee te willen werken als dit niet te lang duurt. Gelet op zijn onmacht, voortvloeiende uit zijn problematiek, is de kans groot dat de verdachte zich niet aan voorwaarden zal kunnen houden. In het verleden zijn er, met toepassing van het jeugdstrafrecht, meerdere trajecten en interventies ingezet waarbij de verdachte daaraan verbonden voorwaarden heeft overtreden, ook terwijl hij nog in een proeftijd liep. Een kader dat op medewerking van de verdachte en zelfsturing is aangewezen, sluit dan ook niet aan bij zijn mogelijkheden. Om die reden is er geen indicatie afgegeven door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, werkeenheid Indicatiestelling Forensische Zorg, en kan er geen klinische behandeling in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden worden gestart. Een tbs-maatregel met voorwaarden is om die reden niet haalbaar en niet voldoende om het recidiverisico in te perken en het gedrag van de verdachte te veranderen.
Pedagogische beïnvloeding is niet meer haalbaar. Voor hetgeen noodzakelijk is om in te zetten, zijn binnen het jeugdstrafrecht geen mogelijkheden. Geadviseerd wordt daarom om het volwassenstrafrecht toe te passen.
Toerekeningsvatbaarheid
De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte over en zal het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte toerekenen.
Toepassing volwassenenstrafrecht
De rechtbank kan – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt – het jeugdstrafrecht toepassen. De rechtbank stelt vast dat de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd toen hij 18 jaar oud was. Het uitgangspunt is dan dat berechting plaatsvindt volgens het volwassenenstrafrecht. Met betrekking tot de vraag of er, in afwijking van dit uitgangspunt, aanleiding bestaat om het jeugdstrafrecht toe te passen overweegt de rechtbank het volgende.
Zowel de kinder- en jeugdpsychiater als de GZ-psycholoog/orthopedagoog als ook de reclassering hebben geadviseerd om bij berechting het volwassenstrafrecht toe te passen. De verdachte is in het verleden eerder veroordeeld waarbij verschillende strafrechtelijke interventies vanuit het jeugdstrafrecht zijn ingezet. Zo heeft de verdachte onder andere het Intensieve Traject Begeleiding Harde Kern doorlopen, dat is gericht op jeugdigen die ernstige delicten hebben gepleegd of structureel de fout in gaan. Deze interventies hebben echter niet geleid tot een gedragsverandering. Daarnaast hebben de zeer betrokken pleegouders van de verdachte zich gedurende een lange periode tot het uiterste ingespannen om de verdachte op het rechte pad te krijgen en te houden en hem tot een positieve ontwikkeling te laten komen. Dit alles heeft niet kunnen voorkomen dat de verdachte voortdurend in contact is blijven komen met politie en justitie. Geconcludeerd moet worden dat de verdachte niet meer vatbaar is voor pedagogische beïnvloeding. Niet valt in te zien wat er op dit vlak nog méér van de pleegouders of van hulpverlening, betrokken in het jeugdstrafrecht, kan worden verwacht of verlangd. In dit verband weegt de rechtbank ook mee dat alle deskundigen naar voren hebben gebracht dat de verdachte zijn leven lang begeleiding en sturing nodig zal hebben. Alles afwegende ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat het volwassenstrafrecht moet worden toegepast.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt voor een feit als het bewezenverklaarde feit opgenomen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. Met inachtneming van dat uitganspunt geldt het volgende.
De verdachte wordt weliswaar niet met toepassing van het jeugdstrafrecht berecht, maar dat laat onverlet dat de rechtbank wel aanleiding ziet rekening te houden met de jeugdige leeftijd van de verdachte. Ook houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met het feit dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat er sprake is van recidive en dat hij het bewezenverklaarde heeft begaan tijdens een lopende proeftijd. Daarnaast weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat de verdachte slechts in beperkte mate heeft verklaard over het bewezenverklaarde en dat de mate waarin hij verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag, vrijwel nihil is. Hoewel de verdachte ter zitting spijt heeft betuigd, heeft hij desgevraagd ook te kennen gegeven dat die spijt voornamelijk ziet op de gevolgen die na de explosie voor hem zelf zijn opgetreden.
Gevangenisstraf
De ernst van het feit en de weging van de hiervoor besproken omstandigheden brengt de rechtbank allereerst tot de conclusie dat niet kan worden volstaan oplegging van een lichtere sanctie dan een gevangenisstraf. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte na de periode die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht nog zal moeten ervaren dat zijn handelen strafwaardig is. De rechtbank is van oordeel dat de weging van de hiervoor besproken omstandigheden op een passende manier tot uitdrukking komt in de strafeis van de officier van justitie en zal deze eis dan ook volgen. Dat betekent dat de rechtbank aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden zal opleggen met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest (door de rechtbank berekend op 291 dagen tot aan de dag van de uitspraak).
Tbs-maatregel
De rechtbank is van oordeel dat daarnaast oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging noodzakelijk is. Ten aanzien van de stoornissen en het recidiverisico neemt de rechtbank de conclusies van de deskundigen over. Gelet op de chronische problematiek van de verdachte is intensieve behandeling in een dwingend kader noodzakelijk om het recidiverisico in te perken. Eerder ingezette strafrechtelijke interventies hebben recidive niet kunnen voorkomen. Gelet op zijn problematiek en het feit dat het de verdachte in het verleden niet is gelukt om zich te committeren aan hulpverlening, wordt de kans op onttrekking aan voorwaarden, en dus ook aan een tbs-maatregel met voorwaarden, hoog ingeschat. Een tbs-maatregel met voorwaarden wordt alleen al om die reden niet haalbaar geacht om het recidiverisico in te perken en te komen tot een adequate behandeling van de problematiek van de verdachte en tot gedragsverandering. Ook in dit opzicht vindt de rechtbank de adviezen van de deskundigen en de reclassering voldoende onderbouwd en neemt de rechtbank deze over. Van belang in dit verband is verder dat, zoals de reclassering naar voren heeft gebracht, het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, werkeenheid Indicatiestelling Forensische Zorg, te kennen heeft gegeven dat er geen klinische behandeling in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden kan worden gestart; reden waarom er voor de verdachte geen indicatie is afgegeven.
Aan de voorwaarden voor het opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging (artikel 37a Sr en artikel 37b Sr) is voldaan. Tijdens het begaan van de feiten bestond bij de verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, zoals door de deskundigen is beschreven. De door de verdachte begane feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Voorts eisen de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel. De duur van de maatregel zal niet worden gemaximeerd, nu het bewezenverklaarde feit (mede) is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam.