ECLI:NL:RBDHA:2026:16127

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
AWB 25/7632
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding wegens vertraagde beslissing machtiging voorlopig verblijf

Verzoeker heeft op 7 april 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op de aanvraag van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor zijn familieleden. Op 19 augustus 2025 heeft de minister alsnog besloten de mvv te verlenen. Vervolgens heeft verzoeker op 2 september 2025 het beroep ingetrokken en verzocht om veroordeling van de minister in de proceskosten.

De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om proceskostenveroordeling. De minister gaf aan bereid te zijn een vergoeding van € 453,50 te betalen. De rechtbank oordeelt dat de minister aan verzoeker is tegemoetgekomen en dat er aanleiding is voor vergoeding van proceskosten.

De rechtbank past het nieuwe tarief van € 934 per proceshandeling toe, met een factor 0,5 wegens licht gewicht van de zaak, en komt tot een vergoeding van € 467. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat de minister ook het griffierecht van € 194 moet vergoeden. De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 467 aan proceskosten.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 467 aan proceskosten wegens vertraagde beslissing op de mvv-aanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/7632

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.M.A. al Kadiri),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: D. Meier).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de minister in de proceskosten.
1.1.
Verzoeker heeft op 7 april 2025 beroep ingesteld, omdat de minister niet op tijd heeft beslist op de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor zijn familieleden.
1.2.
Op 19 augustus 2025 heeft de minister beslist dat hij aan de familieleden van verzoeker een mvv verleent om naar Nederland te reizen.
1.3.
Op 2 september 2025 heeft verzoeker zijn beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten.
1.4.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De minister heeft de rechtbank meegedeeld dat de minister is bereid om de proceskosten te vergoeden tot een bedrag van € 453,50.
1.5.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
4. Niet in geschil is dat de minister aan verzoeker tegemoet is gekomen en dat er aanleiding is voor een vergoeding van de proceskosten. De rechtbank wijst het verzoek dan ook toe als kennelijk gegrond.
5. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Bpb als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Het tarief van € 934,- geldt vanaf 1 januari 2026. Deze nieuwe waarde per punt geldt direct, zonder overgangsrecht. De rechtbank hanteert dus in iedere uitspraak vanaf 1 januari 2026 dit nieuwe tarief. Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde een factor van 0,5 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 467,-.
6. De rechtbank wijst erop dat de minister verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden. [3] Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot de minister wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.