ECLI:NL:RBDHA:2026:16117

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
AWB 25/12393
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 VWEUArt. 8 EVRMArt. 13 IVRKArt. 7:3 AwbArt. 6:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER wegens onvoldoende bewijs familierechtelijke relatie en afhankelijkheid

Eiseres, met de Surinaamse nationaliteit, vroeg om een verblijfsdocument EU/EER om bij haar minderjarige neef met de Nederlandse nationaliteit te verblijven. De minister wees de aanvraag af omdat eiseres niet voldeed aan de criteria uit het arrest Chavez-Vilchez, met name het ontbreken van bewijs voor de familierechtelijke relatie en de noodzakelijke afhankelijkheidsverhouding.

In beroep stelde eiseres dat de emotionele band niet met documenten te onderbouwen was en dat de minister een belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro had moeten maken. Ook voerde zij aan dat het beleid van de minister onvoldoende kenbaar was, dat de belangen van het kind onvoldoende waren betrokken en dat de hoorplicht was geschonden.

De rechtbank oordeelde dat eiseres geen bewijs had geleverd van de familierechtelijke relatie of de afhankelijkheid, en dat de minister terecht op het ontbreken van bewijs mocht afgaan. De rechtbank vond dat de minister geen belangenafweging hoefde te maken omdat familieleven niet was aangetoond. Het beleid was voldoende kenbaar en de rechten van het kind waren meegewogen. De hoorplicht was niet geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees de aanvraag af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de aanvraag verblijfsdocument EU/EER wegens onvoldoende bewijs van familierechtelijke relatie en afhankelijkheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/12393

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiseres] , v-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: drs. F.W. King),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)

(gemachtigde: E.N. Spijkerman).

Inleiding

1.1
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres van 10 juni 2025 tegen de afwijzing van haar aanvraag van 21 oktober 2024.
1.2
De minister heeft de aanvraag met het besluit van 4 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening AWB 25/12396, op 13 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

2.1
Eiseres heeft de Surinaamse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum 1] 1972.
2.2
Eiseres heeft een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Eiseres beoogt verblijf bij haar gestelde neef [referent] (referent), die de Nederlandse nationaliteit heeft en is geboren op [geboortedatum 2] 2015.
Besluitvorming
3. De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat niet wordt voldaan aan de criteria die voortvloeien uit het arrest Chavez-Vilchez [1] . Eiseres heeft haar familierechtelijke relatie met referent niet aangetoond, daarnaast heeft eiseres niet aangetoond dat zij daadwerkelijke zorgtaken verricht ten behoeve van referent en dat er sprake is van een dusdanige afhankelijkheidsverhouding tussen eiseres en referent dat hij gedwongen zal worden het grondgebied van de Europese Unie (EU) te verlaten indien aan eiseres het verblijfsrecht wordt geweigerd.
Beroepsgronden
4. In beroep voert eiseres - samengevat weergegeven - het volgende aan. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het niet mogelijk is om de familieband met referent te onderbouwen met stukken nu dit een emotionele band is. Eiseres doet verder een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM [2] en stelt dat de minister in dit kader een belangenafweging had moeten maken. Verder stelt eiseres zich op het standpunt dat het beleid van de minister niet kenbaar en toetsbaar is en dat onvoldoende is gemotiveerd op grond waarvan eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Vervolgens stelt eiseres dat de belangen van het kind in de zin van artikel 13 van Pro het IVRK [3] door de minister onvoldoende in de besluitvorming zijn betrokken. Ten slotte stelt eiseres zich op het standpunt dat de hoorplicht is geschonden.
Toetsingskader
5. Uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat artikel 20 VWEU Pro [4] zich verzet tegen de weigering van verblijf aan familieleden van een burger van de Unie als die weigering tot gevolg heeft dat de burger van de Unie het effectieve genot van de voornaamste aan zijn status ontleende rechten wordt ontzegd. Daarvan is sprake als een onderdaan van een derde land het recht wordt ontzegd te verblijven in een lidstaat waar zijn minderjarige kind, dat de nationaliteit heeft van die lidstaat, verblijft en het minderjarige kind als gevolg daarvan zal worden gedwongen het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Er dient zodoende vast te worden gesteld of er een afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen het kind en de ouder die onderdaan is van een derde land.
Beoordeling door de rechtbank
6.1
De rechtbank stelt om te beginnen vast dat eiseres geen stukken heeft overgelegd om haar familierechtelijke relatie met referent aan te tonen. De rechtbank volgt de minister dan ook in het standpunt dat niet kan worden vastgesteld wat de relatie is tussen eiseres en referent. De stelling van eiseres ter zitting dat er sprake is van bewijsnood omdat dergelijke onderbouwende stukken niet bestaan volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft, tevens eerst ter zitting, verklaard dat referent de zoon is van haar nicht. Niet valt in te zien waarom het onmogelijk is om van de relatie van eiseres met haar nicht of de relatie van de nicht met haar zoon, stukken te overleggen. Niet alleen heeft eiseres geen officiële familierechtelijke documenten overgelegd, ook heeft eiseres geen andere onderbouwende stukken overgelegd, zoals bijvoorbeeld getuigenverklaringen van derden, ten aanzien van de relatie van eiseres en referent. Ook ten aanzien van de afhankelijkheid tussen eiseres en referent en de gestelde zorgtaken die eiseres voor referent zou verrichten heeft eiseres nagelaten enig onderbouwend document te overleggen. Dat sprake is van bewijsnood is een niet onderbouwde stelling en wordt dan ook niet gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister gelet op voorgaande het ontbreken van documenten aan eiseres tegen mogen werpen. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang. Uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat het in beginsel aan de vreemdeling is om de gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat hij een verblijfsrecht aan artikel 20 van Pro het VWEU ontleent. [5] Het is vervolgens aan de minister om op basis van die gegevens te onderzoeken of er al dan niet een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen de vreemdeling en zijn kind, dat bij weigering aan hem een verblijfsrecht toe te kennen, het kind gedwongen zou worden het grondgebied van de EU te verlaten. Nu eiseres heeft nagelaten om de vereiste gegevens te verstrekken, heeft de minister gelet op voorgaande kunnen concluderen dat geen sprake is van een verblijfsrecht in de zin van artikel 20 van Pro het VWEU.
6.2
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister geen belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM heeft hoeven maken. Nu de familierelatie tussen eiseres en referent niet met stukken is onderbouwd, heeft de minister ook niet kunnen vaststellen of sprake is van familieleven. Ook anderszins heeft eiseres niet nader onderbouwd dat er sprake is van familieleven tussen eiseres en referent. De gestelde emotionele band is op geen enkele wijze door eiseres aangetoond. De minister heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank mogen tegenwerpen dat niet is gebleken dat sprake is van familieleven. Gelet daarop hoefde de minister geen belangenafweging te maken. [6] In hetgeen eiseres ter zitting ten aanzien van de belangenafweging heeft gesteld, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Ook de in de beroepsgronden door eiseres in dit kader aangehaalde arresten treffen geen doel.
6.3
De stelling van eiseres dat het beleid van de minister onvoldoende kenbaar is, volgt de rechtbank evenmin. Het Chavez-beleid van de minister is uitgewerkt in de Vreemdelingencirculaire en het op de situatie van eiseres van toepassing zijnde beleid is in de besluitvorming van de minister uitvoerig uiteen gezet. Het beleid is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende duidelijk. De uitspraken waar eiseres in de beroepsgronden in dit kader een beroep op doet zien niet op vergelijkbare gevallen maar gaan over schrijnende omstandigheden en discretionaire bevoegdheid. Daarvan is hier geen sprake.
6.4
Ook het beroep van eiseres op artikel 13 van Pro het IVRK slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat de rechten van het kind kenbaar zijn meegewogen in de besluitvorming. In het primaire besluit is geconcludeerd dat de ontwikkeling van het kind niet in het geding komt als eiseres niet aanwezig is, nu niet is gebleken van een afhankelijkheidsverhouding. Bovendien is het belang van het kind verdisconteerd in het van toepassing zijnde Chavez-beleid. Verder heeft eiseres toegelicht noch onderbouwd waarom de belangen van het kind maken dat het besluit niet juist is.
6.5
Ten aanzien van de stelling dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen van eiseres, overweegt de rechtbank als volgt. De minister mag slechts met toepassing van artikel 7:3 van Pro de Awb [7] van het horen in bezwaar afzien. In dit geval heeft de minister eiseres niet gehoord op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, waaruit volgt dat van het horen kan worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Een bezwaar is kennelijk ongegrond als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met de motivering van het eerste besluit. Naar het oordeel van de rechtbank deed een dergelijke situatie zich hier voor. Het beroep op de hoorplicht slaagt dan ook niet.
Conclusie
7.1
De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag van eiseres tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER terecht heeft afgewezen. Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.
7.2
Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Peters, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken na verzending van een afschrift van deze uitspraak. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Voetnoten

1.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Verdrag inzake de rechten van het kind.
4.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
5.Rechtsoverwegingen 76 tot en met 78.
6.De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1189.
7.Algemene wet bestuursrecht.