Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16093

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
NL25.32075
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag nareis asiel wegens onvoldoende identiteit en familierechtelijke relatie

Eisers, bestaande uit een vader, moeder en hun minderjarige kinderen met de Eritrese nationaliteit, hebben een aanvraag ingediend voor machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor nareis bij een referent die een verblijfsvergunning asiel heeft. De minister heeft deze aanvraag afgewezen omdat alleen de identiteit van de vader aannemelijk was gemaakt, terwijl de moeder en kinderen geen documenten overlegden om hun identiteit of familierechtelijke relatie te onderbouwen.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks het ontbreken van een kopie of omschrijving van het bestreden besluit, omdat de procedure hierdoor niet is belemmerd. De rechtbank volgt de minister in het oordeel dat de identiteit van de moeder niet aannemelijk is gemaakt en dat er geen aanleiding was voor DNA-onderzoek, aangezien niet aan de voorwaarden daarvoor is voldaan.

Eisers stelden dat de minister het belang van de minderjarige kinderen niet voldoende heeft betrokken bij de beoordeling, wat een motiveringsgebrek oplevert. De rechtbank erkent dit gebrek maar passeert het op grond van artikel 6:22 Awb Pro omdat eisers niet in hun belangen zijn benadeeld. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, handhaaft het besluit van de minister en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van €1.868,- en het griffierecht van €194,-.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de nareisaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32075

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser en

[eiseres] ,V-nummer: [V-nummer] , eiseres,
hierna samen te noemen: eisers,
mede namens hun minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] , V-nummer: [V-nummer] , en
[minderjarige 2] , V-nummer: [V-nummer] , en
[minderjarige 3] , V-nummer: [V-nummer] , en
[minderjarige 4] , V-nummer: [V-nummer] , en
[minderjarige 5] , V-nummer: [V-nummer] , en
[minderjarige 6] , V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers voor nareis (asiel). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eisers ontvankelijk is. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt over de identiteit en de familierechtelijk relatie van de eisers. De beroepsgrond van eiser dat de minister in zijn motivering over het voordeel van de twijfel ten onrechte heeft nagelaten om het belang van het kind te betrekken, slaagt. Dit motiveringsgebrek passeert de rechtbank op grond van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat eisers niet zijn benadeeld in hun belangen. Het besluit van de minister blijft dus in stand. De rechtbank veroordeelt de minister wel tot proceskostenvergoeding. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

2. Eisers (vader, moeder en kinderen) hebben de Eritrese nationaliteit en willen naar Nederland komen in het kader van nareis bij [referent] (referent). Referent was ten tijde van zijn asielaanvraag in Nederland een alleenstaande minderjarige vreemdeling. Referent heeft een verblijfsvergunning asiel verkregen. Eisers hebben daarom een aanvraag ingediend voor machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor nareis (asiel). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 13 september 2024 afgewezen. Enkel de identiteit van de vader van referent acht de minister aannemelijk omdat referent een kopie van het paspoort van de vader heeft overlegd. De moeder en de kinderen hebben geen documenten overlegd om hun identiteit of familieband met referent te onderbouwen. De minister heeft daarom de identiteit van de moeder en de kinderen niet aannemelijk geacht. De minister heeft ook de familierechtelijke relatie tussen referent en eisers niet aannemelijk gevonden. De minister heeft geen aanleiding gezien tot het aanbieden van nader onderzoek. Met het bestreden besluit van 19 juni 2025 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep van eisers ontvankelijk?
3. De minister stelt zich primair op het standpunt dat het beroep van eisers niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van een omschrijving en/of een kopie van het bestreden besluit.
4. De rechtbank stelt vast dat eisers zowel bij het indienen van het beroep als naar aanleiding van het herstelverzuimbericht van 17 juli 2025 geen kopie van het bestreden besluit hebben ingediend en evenmin een omschrijving van het bestreden besluit hebben gegeven.
5. Op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb, in samenhang met artikel 6:5 van Pro de Awb, heeft de rechter een discretionaire bevoegdheid om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Dit betekent dat de rechter deze bevoegdheid kan gebruiken maar hier niet tot verplicht is. De rechtbank weegt de belangen af tussen de goede procesorde en de belangen van eisers. Daarbij kan de rechtbank eventuele bijzondere omstandigheden aan de zijde van eisers in relatie tot het verzuim betrekken.
6. De rechtbank oordeelt dat de belangenafweging in het voordeel van eisers uitvalt. Hierbij betrekt de rechtbank in het voordeel van eisers dat in het pro-forma beroepschrift van 16 juli 2025 de namen van eisers, de datum het bestreden besluit - namelijk 19 juni 2025 - en het V-nummer van de vader van referent staan vermeld. Zoals gebruikelijk in digitale vreemdelingenzaken, heeft de minister zeer kort nadat het beroep is ingesteld - namelijk op 17 juli 2025 - de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend, waaronder het bestreden besluit van 19 juni 2025. Uit genoemde omstandigheden is het zowel voor de minister als voor de rechtbank duidelijk op welk besluit het beroep van eisers ziet. Het ontbreken van een kopie of omschrijving van het besluit heeft daardoor een goed verloop van de procedure niet verhinderd. Het beroep is ontvankelijk.
Standpunt van eisers
7. Eisers voeren aan dat de minister in de beoordeling ten onrechte het zwaartepunt heeft gelegd bij de moeder van referent. De moeder heeft voldoende verklaard waarom zij haar identiteit niet kan onderbouwen met documenten. In dit verband wordt verwezen naar het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van december 2023 (AA 2023). Verder heeft de minister ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat, indien voor één van de gezinsleden niet aan alle vereisten wordt voldaan, dit zijn weerslag heeft op het hele gezin. Nu de identiteit van de vader van referent aannemelijk is geacht en de minister bewijsnood aanneemt ten aanzien van de identiteit van de broers en zussen en dus kennelijk ook ten aanzien van de familierechtelijke relatie dient de minister hen het voordeel van de twijfel te geven en DNA-onderzoek aan te bieden. In die omstandigheden is het onevenredig om uitsluitend aan moeder géén DNA-onderzoek aan te bieden. Het belang van gezinshereniging staat voorop en in geval van een kerngezin moet de minister snel overgaan tot het geven van het voordeel van de twijfel. Hierbij heeft de minister het belang van de minderjarige broers en zussen om in hun kerngezin op te groeien ten onrechte niet (kenbaar) betrokken in de beoordeling. Eisers voeren tot slot aan dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen in de bezwaarfase.
Juridisch kader
8. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:245) volgt dat de minister in nareiszaken een integrale beoordeling moet maken van alle overlegde documenten en/of afgelegde verklaringen, tenzij een vreemdeling zijn deel van de samenwerkingsplicht overduidelijk niet is nagekomen. De minister betrekt daarbij ook alle andere relevante elementen van het desbetreffende geval. De eisen die de minister aan het geleverde bewijs stelt, moeten evenredig zijn aan die elementen. In Eritrese nareiszaken moet de minister rekening houden met de informatie in het ambtsbericht over de beschikbaarheid van Eritrese documenten. Als een vreemdeling stelt helemaal geen identiteitsdocumenten te bezitten, mag de minister een plausibele en op de persoon toegespitste verklaring verlangen. Anders dan voorheen, geldt dat de minister bovendien gemotiveerd moet beoordelen of een vreemdeling het voordeel van de twijfel verdient. Met name het belang van betrokken minderjarige kinderen speelt hierbij een belangrijke rol.
9. De jurisprudentie van de Afdeling is verwerkt in paragraaf C2/4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) en in werkinstructie (WI) 2022/7. [1] De minister maakt allereerst een integrale beoordeling. Als de verklaringen over de identiteit en de gezinsband in grote lijnen aannemelijk zijn, dan beoordeelt de minister of het voordeel van de twijfel wordt gegund. In paragraaf 3.5.1.1 van WI 2022/7 staat dat bij nareiszaken waarbij een alleenstaande minderjarige vreemdeling optreedt als referent, de identiteit van de na te reizen ouders moet worden aangetoond of aannemelijk moet worden gemaakt. Voor het aantonen van de familierechtelijke relatie kan DNA-onderzoek worden aangeboden. Ten aanzien van de biologische broers en zussen van de referent geldt als hoofdregel dat het ontbreken van officiële identificerende en familierechtelijke documenten van minderjarige broers en/of zussen in beginsel niet wordt tegengeworpen. Als de identiteit van de ouders is aangetoond of aannemelijk is gemaakt, zal het gezin in de gelegenheid worden gesteld om de familierechtelijke relatie aan te tonen door middel van DNA-onderzoek.

Oordeel rechtbank

10. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank een integrale beoordeling met alle overlegde documenten en verklaringen gemaakt. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat de identiteit van de moeder van referent niet aannemelijk is gemaakt. Niet in geschil is dat ten aanzien van haar identiteit geen enkel bewijsstuk is ingediend. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat de minister ten onrechte van moeder verlangt dat zij zich alsnog wendt tot de Eritrese autoriteiten om een document te verkrijgen, volgt de rechtbank eisers daarin niet. Uit het bestreden besluit en de toelichting van de gemachtigde van de minister tijdens de zitting blijkt niet dat de minister van de moeder van referent verlangt dat zij zich alsnog tot de Eritrese autoriteiten went. De minister verlangt wel, conform de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2022, dat eisers een plausibele en op de persoon toegespitste verklaring hebben voor ontbrekende identiteitsdocumenten. Aan de hand van pagina 30 van het AA Eritrea 2023 hebben eisers over de ontbrekende identiteitsdocumenten van de moeder van referent verklaard dat identiteitsdocumenten niet nodig waren in het gebied en dat moeder bekend was bij de autoriteiten. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eisers hiermee niet een voldoende plausibele, op de persoon toegespitste verklaring hebben gegeven voor de ontbrekende identiteitsdocumenten van de moeder van referent. Uit de algemene en beperkte verklaring van moeder kan niet worden afgeleid hoe zij zich heeft gered in het dagelijkse leven. De enkele stelling in beroep dat de verklaring van de moeder van referent wordt ondersteund door de informatie in het AA Eritrea 2023, is onvoldoende.
11. De rechtbank volgt eisers voorts niet in hun beroepsgrond dat de minister DNA-onderzoek moet aanbieden aan de vader en de broers en zussen van referent. Uit paragraaf 3.5.1.1 van WI 2022/7 - zoals weergegeven in rechtsoverweging 9 - blijkt dat DNA-onderzoek wordt aangeboden als de identiteit van beide ouders aannemelijk is. In rechtsoverweging 10 heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister de identiteit van de moeder niet aannemelijk heeft mogen vinden. Aan de voorwaarden van de WI is dus niet voldaan. Daardoor is er geen aanleiding om een DNA-onderzoek aan te bieden aan de vader en de broers en zussen van referent. De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat de minister iedere aanvraag apart moet beoordelen en dat de aanvragen van de vader en de broers en zussen van referent éérst moet worden getoetst. Eisers hebben een aanvraag ingediend voor het hele gezin en de minister heeft de aanvragen gezamenlijk mogen beoordelen en een integrale beoordeling uitgevoerd ten aanzien van alle beschikbare documenten en verklaringen van de gezinsleden van referent. Voor zover het de bedoeling van eisers was dat alleen de vader en de broers en zussen van referent nareizen en dat moeder afstand had willen doen middels een toestemmingsverklaring, had het op de weg van eisers gelegen om deze wens naar voren te brengen. Eisers hebben verder aangevoerd dat als de vader en broers en zussen van referent een DNA-onderzoek wordt aangeboden, dat het dan onevenredig is om de moeder geen DNA-onderzoek aan te bieden. Deze stelling van eisers gaat evenmin op, aangezien de minister geen DNA-onderzoek heeft hoeven aanbieden aan de vader en de broers en zussen van referent.
12. De rechtbank overweegt voorts dat de minister de belangen van de kinderen moet betrekken in zijn afweging of het voordeel van de twijfel kan worden gegund. Dit blijkt uit de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2022. De rechtbank volgt eisers in hun beroepsgrond dat de minister in het bestreden besluit heeft nagelaten om (kenbaar) de belangen van de kinderen te betrekken in zijn motivering. De motivering van de minister over het voordeel van de twijfel is dus niet volledig. De minister heeft ter zitting zijn motivering aangevuld en gewezen op het volgende. De identiteit van de moeder is niet aannemelijk geacht en eisers hebben ook niet meer specifieke belangen van het kind ingebracht. Verder is het in het belang van de broers en zussen om bij hun beide ouders te verblijven en het gezin bij elkaar te houden. De rechtbank kan deze aanvullende motivering van de minister volgen.. Het is niet aannemelijk dat eisers door schending van het motiveringsbeginsel zijn benadeeld. Daarom passeert de rechtbank het gebrek op grond van artikel 6:22 van Pro de Awb. Het bestreden besluit blijft in stand.
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister van het horen van eisers in de bezwaarfase heeft mogen afzien. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar een herhaling van zetten was. Op basis van het bezwaarschrift van eisers bestond er geen twijfel over dat de heroverweging niet leidt tot een andersluidend besluit. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat het bezwaarschrift van eisers beperkt was en dat hierin geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangedragen. De beroepsgrond dat de hoorplicht is geschonden, slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit van de minister in stand blijft. De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van eisers en te bepalen dat de minister het griffierecht aan eisers moet vergoeden. De vergoeding voor de proceskosten bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eisers vergoedt;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Bootsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 28 april 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De rechtbank stelt vast dat WI 2022/7 is vervangen door WI 2024/4. Verweerder heeft in het verweerschrift zich beroepen op WI 2022/7. Eisers hebben de toepasselijkheid daarvan niet betwist. De rechtbank houdt daarom WI 2022/7 aan in deze uitspraak.