Eiser heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar van 10 maart 2022 tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf als vermogende vreemdeling. De rechtbank heeft partijen geïnformeerd dat een zitting niet nodig was en heeft de zaak zonder zitting behandeld.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is. Eerder, op 7 september 2023, was al een eerste beroep gegrond verklaard waarbij de minister werd opgedragen binnen twee weken een besluit te nemen. De minister heeft echter niet binnen die termijn beslist, waarna op 4 juli 2025 een tweede beroep werd ingediend. De rechtbank stelt dat een nieuwe ingebrekestelling niet vereist is.
De rechtbank legt opnieuw een termijn van twee weken op waarbinnen de minister moet beslissen en verbindt hieraan een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van €233,50 en het griffierecht van €194 aan eiser. De uitspraak is gedaan door rechter M. van Harten en griffier R.C. Lubbers.