ECLI:NL:RBDHA:2026:16081
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring en verlengingsbesluit vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie legde op 13 mei 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 2 juni 2026.
Eiser voerde aan dat het verblijf in de politiecel te lang duurde en onrechtmatig was, dat het verlengingsbesluit ten onrechte in de maatregel was opgenomen en dat de minister een lichter middel had moeten toepassen. De rechtbank oordeelde dat het verblijf van ruim 14 uur in de politiecel acceptabel was volgens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het beroep tegen het verlengingsbesluit faalde omdat de minister op basis van de verklaringen van eiser en het dossier mocht aannemen dat een verlenging gerechtvaardigd was, hoewel de rechtbank stelde dat formeel nog geen verlengingsbesluit nodig was.
Ten aanzien van het betoog over een lichter middel stelde de rechtbank vast dat de minister terecht aannam dat geen minder dwingende maatregel effectief zou zijn vanwege het onttrekkingsrisico. De rechtbank vond geen grond om de maatregel onrechtmatig te achten en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring en het verlengingsbesluit wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.