ECLI:NL:RBDHA:2026:16073

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
C/09/696267 / KG ZA 25-1246
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 lid 2 RvArt. 3:13 BWArt. 194 RvArt. 195 lid 1 RvArt. 196 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming zorgregeling en staking executiemaatregelen na echtscheiding met kinderen

Partijen zijn gescheiden en hebben twee minderjarige kinderen. De zorgregeling voor de jongste is moeizaam en het contact tussen vader en kind verloopt onregelmatig. De vader vordert nakoming van de zorgregeling en staking van executiemaatregelen door de moeder. De moeder vordert onder meer een voorschotbetaling en opschorting van de zorgregeling met begeleiding.

De voorzieningenrechter constateert dat er geen directe veiligheidszorgen zijn voor het kind bij de vader, maar dat de relatie tussen ouders ernstig verstoord is, wat het contact bemoeilijkt. De voorlopige zorgregeling blijft van kracht, maar de rechter erkent de complexiteit en het gebrek aan vertrouwen tussen ouders.

Ten aanzien van de executiemaatregelen weegt de rechter het belang van de moeder om haar vordering te innen af tegen de tijdelijke financiële situatie van de vader. De moeder wordt bevolen de executiemaatregelen te staken tot 1 augustus 2026, met een dwangsom bij overtreding. De overige vorderingen van de moeder worden afgewezen. Partijen dragen elk hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De moeder wordt bevolen executiemaatregelen te staken tot 1 augustus 2026, de zorgregeling blijft van kracht, en de overige vorderingen van de moeder worden afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/696267 / KG ZA 25-1246
Vonnis in kort geding van 15 mei 2026
in de zaak van
[de vader]te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. J.M. Wigman te ’s-Gravenhage,
tegen:
[de moeder]te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. H. van Pelt-de Jong te Bodegraven.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader’ en ‘de moeder’.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de conceptdagvaarding;
- het bericht van 17 december 2025 namens de moeder;
- het bericht van 22 december 2025 namens de moeder;
- de dagvaarding met producties;
- de door de moeder overgelegde conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties;
- het bericht van 29 december 2025 namens de vader met producties;
- de op 29 december 2025 namens de vader ingediende producties;
- de op 30 december 2025 namens de vader ingediende productie;
- de op 30 december 2025 gehouden mondelinge behandeling, alsmede het proces-verbaal van de behandeling in kort geding op 30 december 2025;
- het bericht van 15 januari 2026 namens de moeder;
- het bericht van 22 januari 2026 namens de moeder;
- het bericht van 24 april 2026 namens de vader met producties;
- het bericht van 29 april 2026 namens de moeder met producties;
- het bericht van 29 april 2026 namens de vader met producties;
- het bericht van 30 april 2026 namens de vader met productie.
1.2
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben op 30 december 2025 in een gesprek met de voorzieningenrechter hun mening kenbaar gemaakt.
1.3
Op 30 december 2025 vond tevens de mondelinge behandeling plaats. Partijen hebben toen afspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in een proces-verbaal. Onderdeel van die afspraken was een hervatting van de zorgregeling voor [de minderjarige 2] . [de minderjarige 2] zou oud en nieuw bij de vader vieren en daarna iedere woensdagmiddag en een weekend in de veertien dagen bij de vader zijn. Daarnaast is afgesproken dat de vader met zijn boekhouder zou overleggen over zijn mogelijkheden om een voorschot aan de moeder te betalen in het kader van de afwikkeling van de verdeling zoals vastgelegd in de echtscheidingsbeschikking. Indien partijen het over de uitwerking daarvan niet eens werden, konden partijen vragen om een nadere mondeling behandeling.
De voortgezette mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 mei 2026, waarbij zijn verschenen:
- de advocaat van de vader;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een stagiaire;
- [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
1.4
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest en hebben twee kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats] ; en
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats] .
De ouders oefenen samen het gezag uit over de kinderen.
2.2
In een beschikking van 18 juli 2025 heeft deze rechtbank de echtscheiding uitgesproken, een voorlopige zorgregeling bepaald en de wijze van verdeling van de algehele gemeenschap van goederen gelast. Onderdeel daarvan was de wijze van verdeling van de echtelijke woning.
2.3
Op 24 maart 2026 heeft deze rechtbank een voorlopige zorgregeling bepaald, waarbij [de minderjarige 2] voorlopig iedere woensdag uit school tot 18.00 uur bij de vader zal zijn, de vader [de minderjarige 2] zal ophalen uit school en de moeder [de minderjarige 2] om 18.00 uur zal ophalen bij de vader.

3.Het geschil

in conventie
3.1
De vader heeft zijn eis gedurende de procedure gewijzigd. Hij vordert nu – zakelijk weergegeven en uitvoerbaar bij voorraad –:
1. Nakoming van de zorgregeling uit de beschikking van 24 maart 2026, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat de moeder in gebreke blijft om hieraan te voldoen;
2. dat de moeder haar executiemaatregelen gestaakt dient te houden in afwachting van de beslissing op de hypotheekaanvraag van de vader, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat de moeder in gebreke blijft om hieraan te voldoen;
3. dat de moeder haar helft van de taxatiekosten, te weten een bedrag van € 362,50 rechtstreeks aan de makelaar voldoet, althans rechtstreeks aan de vader zodat hij het restant aan de makelaar kan voldoen, primair door betaling binnen één week na dit vonnis, subsidiair door verrekening met de vordering die de moeder op de vader heeft;
4. een verklaring voor recht dat, in verband met de afwikkeling en uitvoering van de door de rechtbank bij beschikking van 18 juli 2025 vastgestelde verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, de vader een bedrag van € 76.428,- aan de moeder dient te voldoen, met bepaling dat partijen ten aanzien van de verdeling verder niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar finale kwijting verlenen.
3.2
De moeder voert verweer, dat hierna zal worden besproken.
in reconventie
3.3
De moeder vordert – zakelijk weergegeven –:
1. een veroordeling van de vader tot betaling aan de moeder van een voorschot van € 16.279,00 aan de moeder binnen één week na het in dezen te wijzen vonnis, alsmede tot een maandelijkse voorschotbetaling van € 500,- zolang het resterende gedeelte van het totaalbedrag van € 76.428,00 door vader niet integraal aan de moeder is voldaan;
2. een verklaring voor recht dat, in verband met de afwikkeling en uitvoering van de door de rechtbank bij beschikking van 18 juli 2025 vastgestelde verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, de vader uiterlijk op 1 juli 2026 een bedrag van € 76.428,00 aan de moeder dient te voldoen;
3. een bevel aan de vader tot het binnen vier weken na het in dezen te wijzen vonnis per e-mail verstrekken aan de moeder van een door het goudwisselkantoor in [plaats] opgestelde lijst waaruit volgt welke goudstukken en/of goudstaven door partijen tot aan de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding (10 december 2023) zijn aangekocht, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat de vader daarmee in gebreke is, met een maximum van € 50.000,00;
4. opschorting van de voorlopige zorgregeling tussen [de minderjarige 2] en vader en bepaling dat [de minderjarige 2] voorlopig onder begeleiding van Humanitas, Cardea of een andere vorm van omgangsbegeleiding, contact zal hebben met de vader.
3.4
De vader voert verweer, dat hierna zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

Zorgregeling [de minderjarige 2]
4.1
Het contact tussen [de minderjarige 2] en de vader loopt al langer moeizaam. Wat meespeelt is dat [de minderjarige 1] en de vader al een tijd helemaal geen contact meer hebben. Sinds de ouders uit elkaar zijn gegaan, is het steeds moeilijker gebleken om voor [de minderjarige 2] een duidelijke regeling vast te stellen en vol te houden.
4.2
In de echtscheidingsbeschikking van 18 juli 2025 heeft de rechtbank een voorlopige zorgregeling bepaald. In december 2025 heeft de moeder via haar advocaat medegedeeld dat het contact werd gestopt, tenzij de vader in zou stemmen met een nieuwe regeling zonder overnachting. De vader stemde niet in met de nieuwe regeling, waarna het contact is gestopt. Op 31 december 2025 is het contact in beperktere vorm hervat, na de zitting van 30 december 2025. Dit contact is door de moeder begin februari gestopt. Op de zitting van 24 februari 2026 heeft de rechtbank medegedeeld dat [de minderjarige 2] voorlopig iedere woensdagmiddag bij de vader zou zijn. Dit is vastgelegd in de beschikking van 24 maart 2026. Dat contact heeft één keer plaatsgevonden, op 25 februari 2025. Daarna heeft de moeder via haar advocaat aan de vader medegedeeld dat [de minderjarige 2] niet meer naar de vader zou gaan. De onmiddellijke reden daarvoor was dat [de minderjarige 2] overstuur thuiskwam, omdat de vader zijn iPad zou hebben weggegooid en boos en dreigend tegen [de minderjarige 2] zou hebben gedaan. Daarnaast vertelde [de minderjarige 2] dat de vader katten in huis heeft, terwijl [de minderjarige 2] allergisch is.
4.3
De vader wil nu hervatting van de voorlopige zorgregeling op woensdagmiddag, op straffe van een dwangsom. De moeder wil dat de voorlopige regeling wordt opgeschort en dat de vader en [de minderjarige 2] onder begeleiding van een professionele instantie contact zullen hebben.
4.4
De voorzieningenrechter stelt voorop dat hij voor [de minderjarige 2] bij de vader geen onmiddellijke veiligheidszorgen heeft. Er zijn geen tekenen van mishandeling of verwaarlozing en in de gesprekken met de rechtbank heeft [de minderjarige 2] geen grote bezwaren geuit. De voorzieningenrechter ziet wel twee problemen.
4.5
Het eerste probleem is dat [de minderjarige 2] het niet altijd leuk lijkt te hebben bij de vader. De vader lijkt moeite te hebben om goed aan te sluiten bij [de minderjarige 2] als [de minderjarige 2] dat laat blijken. Het is goed mogelijk dat de vader zijn emoties daarbij niet altijd onder controle heeft, waardoor hij boos wordt. Dit probleem lijkt verklaarbaar door de scheiding en het feit dat [de minderjarige 2] alleen naar de vader gaat. Zijn zus gaat niet mee en [de minderjarige 2] en de vader moeten zich nog aanpassen aan de nieuwe situatie. Dit probleem wordt ongetwijfeld versterkt doordat de regeling nu een paar keer is gestopt, waardoor het contact voor [de minderjarige 2] onvoorspelbaar is geworden.
4.6
Het tweede probleem is dat de ouders niet goed met elkaar kunnen praten en elkaar niet meer vertrouwen. Hierdoor lijkt de moeder het contact snel stop te zetten, zonder bij de vader na te vragen wat er is gebeurd en of de vader het voor [de minderjarige 2] leuker kan maken. De vader lijkt daardoor op zijn beurt de confrontatie op te zoeken, in plaats van constructief overleg. Ook lijkt de vader hierdoor geen advies in te winnen bij de moeder hoe hij het voor [de minderjarige 2] leuker kan maken. Daarnaast lijkt het voor de ouders onmogelijk om de meest basale kwesties over [de minderjarige 2] te bespreken. Tekenend is dat de vader katten in (of bij) huis heeft, terwijl [de minderjarige 2] daar volgens de moeder allergisch voor is.
4.7
Het eerste probleem lijkt overkomelijk. Door de beperkte zorgregeling op woensdagmiddag langer vol te houden, leuke dingen te plannen en te werken aan de onderlinge band kunnen [de minderjarige 2] en de vader weer aan elkaar wennen en werken aan een prettiger contact. Het tweede probleem zit echter muurvast. De ouders hebben al geprobeerd met hulpverlening de situatie te verbeteren maar dit is niet van de grond gekomen. Dat kwam deels doordat de vader onmogelijke voorwaarden aan de hulpverlening stelde, maar ook door de complexiteit van de situatie. In de beschikking van 24 februari 2025 heeft de rechtbank overwogen dat de ouders hier allebei een hand in hebben en dat zij hier door gebrek aan zelfinzicht en basale communicatie niet uitkomen. Doordat op de achtergrond nog een discussie over de financiële afwikkeling van de echtscheiding speelt, zal het voor de ouders nu ook moeilijk zijn om zich te focussen op normalisering van de relatie.
4.8
In deze omstandigheden vindt de voorzieningenrechter het te makkelijk om te zeggen dat het contact moet worden hervat op straffe van een dwangsom. De voorzieningenrechter maakt zich ernstige zorgen om de situatie waarin [de minderjarige 2] zit en de mate waarin er aan hem wordt getrokken. Vooral de onvoorspelbaarheid van het contact met de vader zal voor [de minderjarige 2] moeilijk zijn. De voorzieningenrechter is bang dat hervatting van de zorgregeling in dezelfde onrustige situatie weer van korte duur zal zijn, zelfs met een dwangsom. De relatie tussen de ouders is op dit moment simpelweg te verstoord. De vader heeft daar ook een aandeel in heeft en toont daar geen zelfinzicht in. Daarom vindt de voorzieningenrechter het onverantwoord om de verantwoordelijkheid voor de nakoming van de zorgregeling geheel bij de moeder te leggen.
4.9
De voorzieningenrechter zal de voorlopige zorgregeling echter niet opschorten. De bodemrechter heeft in de beschikking van 24 maart 2026 een weloverwogen beslissing genomen en heeft daarbij een bijzondere curator voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] benoemd. De voorzieningenrechter spreekt de hoop uit dat de bijzondere curator de stem van [de minderjarige 2] (en [de minderjarige 1] ) goed kan verwoorden, waar de ouders hopelijk naar luisteren. Het uitgangspunt blijft daarmee de voorlopige regeling uit de beschikking van 24 maart 2026, waarbij [de minderjarige 2] iedere woensdagmiddag bij de vader verblijft. Het is aan beide ouders om deze regeling te blijven nastreven en zich in te spannen om dit mogelijk te maken.
Staking executiemaatregelen
4.1
In de echtscheidingsbeschikking van 18 juli 2025 is beslist dat de vader de woning mag overnemen. Daarvoor is hij aan de moeder een vergoeding verschuldigd. De hoogte van die vergoeding is afhankelijk van de waarde van de woning. De woning moest daarom worden getaxeerd. Inmiddels is dat gebeurd en partijen zijn het eens over een waardering van € 510.000,-.
4.11
In de echtscheidingsbeschikking zijn ook andere beslissingen genomen, waardoor de vader aan de moeder in ieder geval een bedrag van € 39.497,78,- verschuldigd is. Deze vordering is opeisbaar en de echtscheidingsbeschikking is inmiddels onherroepelijk.
4.12
De vader vordert dat de moeder de executiemaatregelen staakt in afwachting van de beslissing op de hypotheekaanvraag. Hij is nu niet in staat om de opeisbare vordering van de moeder te voldoen. Dat kan hij wel als de hypotheekaanvraag is goedgekeurd en de woning aan hem is overgedragen.
4.13
De moeder vordert dat de vader aan haar een voorschot betaalt van € 16.279,00, plus € 500,- per maand. De rechtbank leest deze vordering als verweer op de vordering van de vader, in die zin dat de moeder wil dat de vordering tot staking van de executie slechts deels wordt toegewezen. De vordering van de moeder op de vader is immers al opeisbaar en te executeren.
4.14
De vordering van de vader berust op artikel 438 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De Hoge Raad heeft voor de beoordeling van vorderingen over de executie van uitspraken een kader gegeven (vgl. HR 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026)). De Hoge Raad maakt daarbij onderscheid tussen de executie van een uitspraak waartegen een rechtsmiddel is ingesteld of nog openstaat, en de executie van een uitspraak waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat. In dit geval is sprake van een uitspraak waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat. Volgens de Hoge Raad is voor schorsing van de executie dan vereist dat sprake is van misbruik van recht (artikel 3:13 van Pro het Burgerlijk Wetboek). Daarvan zal sprake zijn als de moeder, vanwege de onevenredigheid van haar belang bij executie en het belang van de vader dat daarmee wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot executie zal kunnen overgaan. De rechtbank zal daarom hierna de belangen van partijen wegen.
4.15
De voorzieningenrechter ziet het belang van de moeder om haar vordering op de vader te kunnen innen. Zij zit financieel in een benauwde positie en wacht al lang op betaling. Zij heeft leningen aan moeten gaan om niet verder in de problemen te komen. De vader betaalt bovendien de kinderalimentatie niet, waar haar positie nog benauwder maakt.
4.16
Daar tegenover staat het belang van de vader. Hij stelt dat hij in tijdelijke geldnood zit en heeft dat onderbouwd met:
- een rapport inkomensverklaring van 10 december 2025, gebaseerd op de balans van 30 september 2025, waaruit volgt dat er een maximale onttrekking van € 16.279,- uit zijn onderneming mogelijk is, zonder dat de liquiditeit en/of solvabiliteit onder de vereiste normen dalen;
- een e-mail van 23 januari 2026 van de boekhouder van de vader, met financiële bijlagen, waaruit volgt dat de liquiditeit van de onderneming van de vader sinds 30 september 2025 sterk is gedaald door een ziekteperiode, dat de liquiditeit per 31 januari 2026 negatief is en dat het door de gezondheid van de vader de vraag is of de geprognotiseerde omzetten gerealiseerd gaan worden.
Hieruit volgt voldoende dat de vader nu niet in staat is om de opeisbare vordering van de moeder te voldoen.
4.17
De vader heeft ook gesteld en onderbouwd dat hij in de hypotheekaanvraag rekening houdt met het volledige bedrag dat hij nog aan de moeder moet betalen. Zodra de hypotheekaanvraag is goedgekeurd en de woning aan hem wordt overgedragen, kan hij dus de hele vordering van de moeder voldoen. Dit is door de moeder niet betwist.
4.18
De vader verwacht dat de hypotheekaanvraag maximaal vier maanden in beslag zal nemen. De moeder vindt dat het veel sneller moet kunnen, nu de taxatiewaarde al langer bekend is.
4.19
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van de moeder zodanig niet op tegen het belang van de vader, dat zij nu naar redelijkheid niet tot executie kan overgaan. Beslag op de woning of goederen van de eenmanszaak zal er immers toe leiden dat de vader de woning niet kan overnemen en partijen nog langer vast blijven zitten in hun strijd over de financiële afwikkeling van de echtscheiding. Over een paar maanden kan de vader echter het hele bedrag aan de moeder voldoen. Daarom zal de voorzieningenrechter beslissen dat de moeder haar executiemaatregelen gedurende drie maanden na de datum van de zitting moet staken, dus tot 1 augustus 2025. Omdat de taxatiewaarde al enige tijd bekend en de hypotheekaanvraag eind april is ingediend, moet dit voldoende tijd zijn om de hypotheek rond te krijgen.
4.2
De voorzieningenrechter zal niet beslissen dat de moeder de executie
deelsmoet staken (zoals de rechtbank haar vordering begrijpt). Een gedeeltelijke executie zou immers vergelijkbare gevolgen hebben als een volledige executie.
4.21
De voorzieningenrechter zal een dwangsom aan het bevel tot staking van de executiemaatregelen verbinden, als waarborg dat de moeder zich daaraan zal houden. Gelet op de financiële situatie van de moeder zal de rechtbank een dwangsom van € 100,- per dag opleggen, met een maximum van € 5.000,-.
4.22
De voorzieningenrechter benadrukt dat de vordering van de vader alleen ziet op de executie van de vorderingen uit hoofde van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De moeder hoeft de executie van de alimentatie dus niet te staken.
Afwikkeling verdeling huwelijksgoederengemeenschap
4.23
Partijen hebben gevorderd dat de voorzieningenrechter voor recht verklaart dat de vader aan de moeder in verband met de afwikkeling en uitvoering van de door de rechtbank bij beschikking van 18 juli 2025 vastgestelde verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, een bedrag van € 76.428,00 dient te voldoen. Zij zijn het eens over de hoogte van dat bedrag.
4.24
De voorzieningenrechter zal deze vorderingen afwijzen. Gelet op het voorlopige karakter van het kort geding, kan de voorzieningenrechter slechts een voorlopig oordeel geven over de rechtsverhouding tussen partijen. Zij kan daarover niet een definitieve uitspraak doen. Dit betekent dat in een uitspraak in kort geding geen plaats is voor een verklaring voor recht (vgl. ECLI:NL:HR:2019:2026).
Taxatiekosten
4.25
Op de zitting hebben partijen afgesproken dat de vader de kosten van de makelaar zal betalen en dat hij de vordering van € 362,50 die hij uit hoofde daarvan op de moeder heeft mag verrekenen met de openstaande vordering van de moeder op de vader uit hoofde van de achterstallige kinderalimentatie. De voorzieningenrechter beschouwt het verzoek hierover als ingetrokken en zal hier geen beslissing over nemen.
Lijst van gekocht goud van het goudwisselkantoor
4.26
Op grond van artikel 194 en Pro 195 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de vader worden bevolen tot het verstrekken van bepaalde gegevens. Dit verzoek van de moeder moet in beginsel in een lopende procedure worden gedaan. Op grond van artikel 196 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan het verzoek ook worden gedaan voordat een zaak aanhangig is en op grond van artikel 197 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan het verzoek
in spoedeisende gevallenaan de voorzieningenrechter worden gedaan.
4.27
Het is niet gebleken dat de moeder een spoedeisend belang bij haar verzoek heeft. Zij heeft aangevoerd dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar verzoek, omdat de vader in een concept vaststellingsovereenkomst vroeg om finale kwijting ten aanzien van de verdeling. Die vaststellingsovereenkomst is inmiddels echter niet meer aan de orde en de voorzieningenrechter ziet niet in waarom finale kwijting vereist is. Daarom zal de voorzieningenrechter deze vordering afwijzen.
Proceskosten
4.28
Partijen hebben in het proces-verbaal van 30 december 2025 afgesproken dat zij de eigen proceskosten zullen dragen. De voorzieningenrechter zal dit vastleggen in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1
gebiedt de moeder om de executiemaatregelen op grond van de beschikking van 18 juli 2025 van de rechtbank Den Haag, met zaaknummer C/09/658258 en C/09/665696, tot 1 augustus 2026 te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 5.000,-,
5.2
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
5.3
wijst de vorderingen van de moeder af;
in conventie en reconventie
5.4
stelt vast dat partijen hebben afgesproken dat zij allebei hun eigen proceskosten zullen betalen;
5.5
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Hees, bijgestaan door mr. J.M. van der Zwan, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.
CvH