Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16071

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
C/09/692077
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Verordening Brussel II-terArt. 16 lid 1 HKBV 1996Art. 16 lid 3 HKBV 1996Art. 15 lid 1 HKBV 1996Art. 122 Bulgaarse Familiecodex
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag en toewijzing eenhoofdig gezag aan vader over minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de vader om het gezamenlijk gezag over zijn minderjarige kind te beëindigen en hem het eenhoofdig gezag toe te wijzen. De moeder is sinds enige tijd onbereikbaar en heeft het contact met de vader en het kind verbroken. De vader heeft het kind erkend in Bulgarije, waar het kind is geboren, en het kind heeft de hoofdverblijfplaats bij de vader in Nederland.

De rechtbank stelde vast dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft omdat het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Op grond van het toepasselijke recht, het HKBV 1996, past de rechtbank Nederlands recht toe. Hoewel de moeder bij de geboorte minderjarig was, is het ouderlijk gezag van beide ouders volgens Bulgaars recht ontstaan.

De moeder is echter sinds enige tijd onbereikbaar, waardoor het gezamenlijk gezag niet goed kan worden uitgeoefend. De vader ondervindt problemen bij het nemen van belangrijke beslissingen, zoals inschrijving op een kinderdagverblijf en medische zorg. De rechtbank oordeelt dat wijziging van het gezag in het belang van het kind noodzakelijk is en wijst het verzoek van de vader toe om het eenhoofdig gezag te verkrijgen.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad gegeven en de vader wordt belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.

Uitkomst: De rechtbank beëindigt het gezamenlijk gezag en belast de vader met het eenhoofdig gezag over de minderjarige.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-7226
Zaaknummer: C/09/692077
Datum beschikking: 15 mei 2026

Beëindiging gezag

Beschikking op het op 24 september 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.D. Radenovska te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
zonder bekende woon- en/of verblijfplaats binnen en buiten Nederland.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het verzoekschrift en het bericht van 6 oktober 2025 namens de vader met bijlage.
Op 17 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
 de vader in het bijzijn van zijn advocaat en tolk M.P. Ilieva;
 [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
De moeder heeft geen bekende woon- of verblijfplaats. Zij heeft zich nimmer in Nederland laten registreren in de Basisregistratie Personen (BRP). De vader beschikt ook niet over een
(e-mail)adres waarop de moeder schriftelijk bereikbaar is. Gelet op het voorgaande is de moeder openbaar opgeroepen voor de zitting door middel van een advertentie in de op
12 maart 2026 verschenen editie van de Staatscourant. De moeder is niet op de zitting verschenen.

Feiten

 De vader en de moeder hebben van begin 2022 tot eind februari 2024 een affectieve relatie gehad.
 Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
 [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats] , [geboorteland] .
 Bij de geboorte van [minderjarige] was de moeder veertien jaar oud. Zij is op dit moment achttien jaar oud.
 De vader heeft [minderjarige] na de geboorte in Bulgarije erkend.
 [minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de vader.
 De vader, de moeder en [minderjarige] hebben de Bulgaarse nationaliteit.

Verzoek en verweer

Het verzoekschrift van de vader strekt – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – tot:
primair
het gezamenlijk gezag van de ouders te beëindigen en de vader met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten;
subsidiair
voor recht te verklaren dat de vader met eenhoofdig gezag over [minderjarige] wordt belast.
De vader doet zijn verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden na de geboorte van [minderjarige] zijn gewijzigd.

Beoordeling

Rechtsmacht
Doordat de beide ouders en [minderjarige] de Bulgaarse nationaliteit bezitten, draagt deze zaak een internationaal karakter, zodat eerst de vraag moet worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.
Het verzoek betreft een geschil inzake de totstandkoming van de ouderlijke verantwoordelijkheid en valt als zodanig binnen het materiële toepassingsgebied van de Verordening Brussel II-ter. Op grond van artikel 7 van Pro deze Verordening zijn de gerechten van de EU-lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt, bevoegd te oordelen over de ouderlijke verantwoordelijkheid. Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] – in ieder geval zoals blijkt uit de BRP vanaf 5 juli 2023 – in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek van de vader.
Hebben de ouders gezag?
Voor de beantwoording van de vraag naar het bestaan van een gezagsverhouding tussen de ouders en [minderjarige] moet gekeken worden naar het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (HKBV 1996). Zowel Bulgarije als Nederland zijn lidstaat bij dit Verdrag.
Artikel 16 lid 1 van Pro het HKBV 1996 bepaalt dat het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid, zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit, wordt beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Lid 3 van dit artikel bepaalt dat de ouderlijke verantwoordelijkheid die bestaat krachtens het recht van de staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, blijft bestaan ​​na een verandering van die gewone verblijfplaats naar een andere staat.
[minderjarige] is in [geboorteland] geboren. De vader heeft [minderjarige] in januari 2023 in Bulgarije erkend. Dit betekent dat beide ouders in beginsel op grond van het Bulgaarse recht zijn belast met het ouderlijk gezag. Op grond van artikel 122 van Pro de Bulgaarse Familiecodex heeft elke ouder namelijk gelijke ouderlijke rechten en verantwoordelijkheden. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld wat de leeftijd van de moeder bij de geboorte – zij was toen veertien jaar oud – betekent voor haar ouderlijk gezag. Uit de artikelen 2-4 van de Bulgaarse Personen- en familiewet volgt dat personen jonger dan veertien jaar geen rechtshandelingen kunnen verrichten. Personen tussen de veertien en achttien jaar kunnen rechtshandelingen verrichten met toestemming van hun ouders en personen boven de 18 jaar zijn volledig bekwaam tot het uitoefenen van rechtshandelingen.
De rechtbank begrijpt het hierboven geschetste Bulgaarse recht zo dat het ouderlijk gezag van de moeder is ontstaan op het moment van de geboorte van [minderjarige] . Dat zij op dat moment naar Bulgaars recht niet bekwaam was om dat gezag zelfstandig uit te oefenen doet aan het bestaan van het gezag niets af. Kortom: allebei de ouders hebben het gezag.
Toepasselijk recht
Op grond van artikel 15 lid 1 HKBV Pro 1996 past de rechtbank Nederlands recht toe op het onderhavige verzoek tot wijziging van het ouderlijk gezag.
Ontvankelijkheid
De rechtbank is gebleken dat na de geboorte van [minderjarige] de omstandigheden zijn gewijzigd. De moeder is immers vertrokken met onbekende bestemming en heeft al het contact met de vader en [minderjarige] verbroken. De vader weet momenteel niet waar de moeder verblijft. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de gezagssituatie opnieuw moet worden beoordeeld.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de stukken en wat op de zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank het volgende gebleken. De vader en de moeder hebben vanaf begin 2022 tot en met eind februari 2024 een affectieve relatie met elkaar gehad. Sinds 2021 woont de vader bij zijn ouders in Nederland. De moeder leidde met haar ouders een bestaan waarbij zij steeds enkele maanden op een plek verbleef, om vervolgens weer naar een ander land te trekken. Zij waren in Nederland toen zij de vader ontmoette en de moeder is, met toestemming van haar ouders, in het begin van de relatie bij de vader in Nederland gebleven. Zij is zwanger geraakt en voor de geboorte samen met de vader teruggekeerd naar Bulgarije, waar haar familie op dat moment verbleef. Op [geboortedatum 1] 2022 is [minderjarige] geboren. De vader heeft in januari 2023 [minderjarige] in Bulgarije erkend. Vervolgens zijn de ouders in juli 2023 weer bij de ouders van de vader gaan wonen in Nederland. De moeder heeft enige maanden later, zonder enig overleg, de woning verlaten en het contact verbroken. De vader heeft meerdere pogingen gedaan om in contact te komen met de moeder en haar ervan te overtuigen terug te komen, maar zonder resultaat. De vader stelt dat de moeder op dit moment ergens in het buitenland op een voor hem onbekend adres verblijft.
De rechtbank overweegt dat het wettelijk uitgangspunt is dat ouders na uiteengaan gezamenlijk het gezag over de kinderen blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:253n BW lid 2 in samenhang met artikel 1:251a eerste en derde lid BW kan het gezamenlijk gezag worden beëindigd indien
a. a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien
b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De moeder is met de noorderzon vertrokken en al ongeveer twee jaar onbereikbaar voor de vader. Het is daardoor niet mogelijk om, wanneer het nodig is, toestemming te verkrijgen van de moeder voor belangrijke beslissingen over [minderjarige] . Tijdens de zitting heeft de vader toegelicht dat hij tegen problemen is aangelopen met het inschrijven van [minderjarige] op een kinderdagverblijf en met doktersbezoeken. Ook wil hij graag met [minderjarige] op vakantie naar het buitenland, maar dat durft hij niet bij het ontbreken van toestemming van de moeder. Volgens de vader is de verwachting dat ook in de toekomst communicatie met de moeder niet mogelijk zal zijn en als gevolg daarvan [minderjarige] klem en verloren kan raken tussen de ouders. De vader verzoekt daarom om hem met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten en subsidiair de vader voor recht te verklaren dat hij het eenhoofdig gezag over [minderjarige] heeft.
De rechtbank is van oordeel dat een wijziging van het gezag in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. De moeder geeft feitelijk geen invulling aan het gezag over de kinderen. Zij is onbereikbaar voor de vader, waardoor het niet mogelijk is om met haar in overleg te treden over gezagsgerelateerde beslissingen. Dit heeft meerdere keren tot problemen geleid. Daarnaast is de moeder al meerdere jaren niet meer betrokken bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , waardoor zij geen weet heeft van zich afspeelt in zijn leven. De rechtbank acht de moeder dan ook onvoldoende in staat om in te schatten waar de belangen van de kinderen het meest mee zijn gediend als het aankomt op gezagsbeslissingen.
Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank het verzoek van de vader om haar voortaan met het eenhoofdig gezag over de kinderen te belasten als anderszins in het belang van [minderjarige] toewijzen.

BeslissingDe rechtbank:

belast de vader, [de vader] , geboren op [geboortedatum 2] 2001 te [geboorteplaats] in [geboorteland] , met de uitoefening van het ouderlijk gezag over de minderjarige:
 [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats] in [geboorteland] .
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, kinderrechter, bijgestaan door
mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 15 mei 2026.