ECLI:NL:RBDHA:2026:16046

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
C/09/684508 / FA RK 25-3268
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 815 lid 2 RvArt. 1:253n BWArt. 1:12 BWArt. 3 Protocol onderhoudsverplichtingen 2007
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en gezagswijziging na mishandeling en contactverbod

Partijen zijn gehuwd sinds 2006 en hebben drie minderjarige kinderen. De rechtbank heeft op 26 juni 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, waaronder het exclusieve gebruiksrecht van de echtelijke woning voor de man en toewijzing van de kinderen aan de vrouw.

De vrouw verzoekt de echtscheiding uit te spreken, het eenhoofdig gezag aan haar toe te kennen, het huurrecht van de woning aan de man toe te wijzen, en kinderalimentatie vast te stellen. De man stemt in met de echtscheiding, hoofdverblijfplaats en huurrecht, maar verzet zich tegen overige verzoeken.

De rechtbank oordeelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en kent het eenhoofdig gezag toe aan de vrouw vanwege een contactverbod en mishandeling. De hoofdverblijfplaats van de kinderen is bij de vrouw. Het huurrecht wordt aan de man toegekend. De rechtbank stelt de kinderalimentatie vast op €1.026 per maand, rekening houdend met de draagkracht van partijen en het tekort in de behoefte van de kinderen. Partneralimentatie wordt afgewezen wegens gebrek aan draagkracht van de man. De huwelijksgemeenschap wordt bij helfte verdeeld, waarbij bankrekeningen worden verrekend.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, eenhoofdig gezag aan moeder toegekend, huurrecht aan man toegewezen en kinderalimentatie vastgesteld op €1.026 per maand.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3268 (scheiding) en FA RK 25-7466 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/684508 (scheiding) en C/09/692516 (verdeling)
Datum beschikking: 15 mei 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 30 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Ertekin in ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.J. Zennipman in ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 12 mei 2025, met bijlagen, van de vrouw;
  • het verweerschrift met een zelfstandig verzoek;
  • het verweer op het zelfstandig verzoek, tevens een zelfstandig verzoek;
  • het F9-formulier van 31 maart 2026, met bijlagen, van de man;
  • het F9-formulier van 3 april 2026, met bijlagen, van de vrouw;
  • de F9-formulieren van 9 april 2026, met bijlagen, van de man.
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben een gesprek gehad met de kinderrechter op 17 april 2026.
Op 17 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en tolk;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd op [datum] 2006 op het Marokkaanse Consultaat in Rotterdam.
  • Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats 1] ;
  • [de minderjarige 2] , geboren [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats 1] ;
  • [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2019 in [geboorteplaats 1] .
  • De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
  • Blijkens uittreksels uit de Basisregistratie Personen heeft de vrouw de Nederlandse nationaliteit en de man de Marokkaanse nationaliteit.
  • Op 26 juni 2025 heeft deze rechtbank voorlopige voorzieningen getroffen, waarbij is bepaald dat:
  • de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres] ;
  • de kinderen aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
  • de man aan de vrouw, met ingang van 28 april 2025, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen van € 369,- per kind per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • de echtscheiding tussen partijen uit te spreken naar Nederlands recht;
  • te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal zijn;
  • te bepalen dat voortaan alleen de vrouw belast zal zijn met het eenhoofdig gezag over de kinderen;
  • te bepalen dat het huurrecht van de echtelijke woning gelegen te [adres] , aan de man wordt toegescheiden;
  • vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap conform het voorstel van de vrouw;
  • te bepalen dat de man met terugwerkende kracht vanaf 7 maart 2025 aan de vrouw zal betalen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen ter hoogte van een bedrag van €570,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
  • de man te veroordelen om aan de vrouw tot haar levensonderhoud te betalen €79,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
  • te bepalen dat het overleggen van een ouderschapsplan door de vrouw niet mogelijk is
en dat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek tot scheiding en de nevenverzoeken.
De man stemt in met de verzoeken van de vrouw ten aanzien van de echtscheiding, de hoofdverblijfplaats en het huurrecht. Hij voert verweer tegen het overige. Hierbij verzoekt hij zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
  • te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal zijn;
  • een vaststelling van een zorgregeling aan te houden;
  • vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap conform het voorstel van de man;
  • het huurrecht van de echtelijke woning gelegen te [adres] , toe te scheiden aan de man;
  • te bepalen dat de man maandelijks een bedrag van € 250,- per kind aan de vrouw zal
voldoen ten behoeve van de kosten en van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, met ingang van 1 juni 2025.
Daarnaast heeft de man op de zitting een beslissing over contact met de kinderen gevraagd.

Beoordeling

Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. Op grond van artikel 10:56 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. Partijen hebben dat niet gedaan. In de gegeven omstandigheden begrijpt de rechtbank echter dat het de ouders niet is gelukt om ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen.
Nu aan de overige wettelijke formaliteiten is voldaan, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
Beide partijen stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de verzoeken tot echtscheiding kunnen worden toegewezen.
Gezag
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek in het kader van het gezag.
Inhoudelijke beoordeling
Op grond van artikel 1:253nvan het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezamenlijk gezag worden beëindigd, als:
er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt; of
wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
Een formeel vereiste is dat de omstandigheden zijn gewijzigd sinds de ouders samen het gezag kregen. Aan dat vereiste is voldaan, nu de ouders uit elkaar zijn, de man is veroordeeld voor mishandeling van de vrouw en [de minderjarige 3] en een contactverbod is opgelegd dat geldt tot 25 augustus 2026.
Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen. Hiervoor is echter wel vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijk overleg over zaken die de kinderen aangaan, zodat zij en dat zij beslissingen over hun kinderen gezamenlijk kunnen nemen.
De rechtbank constateert dat deze minimaal noodzakelijke basis voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag ontbreekt. Door het contactverbod is er geen enkele vorm van communicatie mogelijk. De relatie tussen de ouders is zodanig verstoord dat de vrouw op een geheime locatie woont.
De man erkent dat er nu geen basis is voor gezamenlijk gezag, maar wil mediation om te werken aan communicatie met de vrouw en contactherstel met de kinderen. Naar het oordeel van de rechtbank kan op dit moment echter niet van de vrouw worden verlangd dat zij met de man overleg voert over belangrijke beslissingen in het leven van de kinderen. Bij het in stand houden van het gezamenlijk gezag bestaat daarmee een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders. De rechtbank verwacht niet dat deze situatie binnen afzienbare tijd verbetert.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen en bepalen dat zij voortaan alleen belast zal zijn met het gezag over de kinderen.
Hoofdverblijfplaats
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken ten aanzien van de hoofdverblijfplaats.
Inhoudelijke beoordeling
Omdat de vrouw alleen met het gezag over de kinderen wordt belast, bepaalt de wet dat de kinderen bij de vrouw hun hoofdverblijf hebben (artikel 1:12 van Pro het Burgerlijk Wetboek). Een beslissing van de rechtbank is daarvoor niet nodig. De rechtbank zal de verzoeken over de hoofdverblijfplaats van de kinderen daarom op formele gronden afwijzen.
Contact tussen de man en de kinderen
Tot 25 augustus 2026 geldt voor de man een contactverbod ten aanzien van zowel de vrouw als de kinderen. De man wenst het contact met de kinderen (daarna) graag te hervatten, maar heeft daarvoor in deze procedure geen verzoek gedaan. De vrouw vindt dat momenteel niet in het belang van de kinderen, omdat zij nog veel verdriet en angst hebben over de gebeurtenissen in het verleden.
Voorop staat dat er de komende maanden voor de man nog een contactverbod geldt. Daarnaast is er bij de kinderen momenteel geen draagvlak om het contact met de man te hervatten. Daarom zal de rechtbank nu geen beslissing nemen over contact tussen de man en de kinderen.
Op de zitting is besproken dat de vrouw passende hulpverlening zal zoeken voor de kinderen om de gebeurtenissen en de scheiding te kunnen verwerken. De rechtbank heeft de man geadviseerd om voor zichzelf ook hulpverlening in te schakelen, bijvoorbeeld via de huisarts of bij de carrouselgroep. Dit kan bijdragen aan het gevoel van erkenning voor de kinderen, waardoor er in de toekomst bij hen misschien weer ruimte ontstaat voor contact met de man.
Doorverwijzing KIES traject
Op de zitting is besproken dat het goed voor de kinderen is als zij hulp krijgen bij het verwerken van de scheiding. [de minderjarige 1] is bijna achttien jaar. Voor haar lijkt het passend dat zij zelf – eventueel met behulp van de moeder – naar de huisarts gaat om passende hulp te zoeken. Voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben beide ouders de bereidheid uitgesproken om hen deel te laten nemen aan een training voor kinderen van gescheiden ouders. De rechtbank zal [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemde training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
Kindbrieven
De kinderrechter heeft tijdens de kindgesprekken met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en besproken om hen een brief te sturen om de beslissing van de rechtbank aan hen uit te leggen. Deze brieven worden tegelijk met de uitspraak verstuurd en luiden als volgt:
Kindbrief [de minderjarige 1]
Beste [de minderjarige 1] ,
Op 17 april heb ik met jou een gesprek gehad. We hebben gepraat over de scheiding van je ouders en hoe het met je gaat. Wij hebben besproken dat ik voor jou geen beslissingen meer ga nemen, omdat je bijna achttien jaar bent. Je mag dan voor jezelf beslissingen maken. Je mag dus ook zelf bepalen of je ooit weer contact wil met je vader.
Na ons gesprek heb ik een gesprek gehad met je ouders.
Ik heb met je ouders besproken dat het misschien goed voor je is om met iemand te praten over de scheiding van jouw ouders en over alles wat er is gebeurd binnen jullie familie. Er bestaan speciale trainingen voor kinderen om het hierover te hebben. Jouw broertjes zullen hieraan mee gaan doen. Omdat jij al bijna achttien jaar bent, zal ik jou niet aanmelden voor die training. Wel kan je zelf, of samen met je moeder, een afspraak maken bij de huisarts. Met de huisarts kan je bespreken wat bij jou past. Het is namelijk wel belangrijk om je zorgen met iemand te kunnen bespreken. Als je er alleen mee rond blijft lopen, worden ze alleen maar groter.
Tijdens ons gesprek hebben we het gehad over je broertjes en of zij verplicht naar je vader moeten. Ik wil je nog vertellen dat ik heb beslist dat dat voorlopig niet hoeft.
Ik hoop dat mijn beslissing het voor jou iets makkelijker maakt en ik wens je het allerbeste.
Met vriendelijke groet,
De kinderrechter
Kindbrief [de minderjarige 2]
Op 17 april heb ik met jou gesproken over jullie thuissituatie van vroeger en nu. Ook hebben we gehad over de scheiding van je ouders. Tijdens het gesprek heb je mij verteld dat je helemaal bij je moeder wil wonen en op dit moment geen contact met je vader wil.
Ik heb na ons gesprek met jouw ouders gepraat. We hebben besproken dat het misschien goed is dat je met iemand kan praten over de scheiding van jouw ouders. Je krijgt dan tips over hoe je om kan gaan met de gevolgen van de scheiding en hoe je er over kan praten met je familie en vrienden. Je moeder zal met je bespreken hoe dit eruit gaat zien.
Op dit moment is het voor jullie vader nog verboden om contact met jullie op te nemen. In augustus is dit verbod afgelopen. Voor de periode daarna heb ik besloten dat er geen vaste afspraken zijn om naar jullie vader toe te gaan. Dit betekent dat je niet naar hem toe hoeft te gaan als jij dat niet wil. Als je in de toekomst wel weer contact met je vader wilt, mag dat natuurlijk wel.
Ik hoop dat mijn beslissing het voor jou iets makkelijker maakt en ik wens je het allerbeste.
Met vriendelijke groet,
De kinderrechter
Huurrecht echtelijke woning
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning aan een van partijen. Dit verzoek wordt volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen zijn het eens dat het huurrecht van de echtelijke woning aan de man kan worden toegekend. De rechtbank zal de verzoeken om het huurrecht aan de man toe te kennen daarom toewijzen.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de kinderen in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek. Op het verzoek tot kinderalimentatie zal de rechtbank op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de vaststelling en de berekening van de kinderalimentatie neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Behoefte [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3]
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten de kinderen (de behoefte) zijn. De behoefte van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald.
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de vrouw, zodat de rechtbank dat zal vaststellen.
De rechtbank beschikt niet over inkomensgegevens van de vrouw tijdens het huwelijk. Zoals op de zitting besproken, zal de rechtbank voor het NBI van de vrouw daarom uitgaan van een inkomen van € 500,- netto per maand. De vrouw heeft op de zitting gezegd dat zij dit ongeveer verdiende en de man dacht niet dat het minder was.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op het moment van het huwelijk op € 500,- per maand.
Partijen zijn het ook niet eens over het NBI van de man, zodat de rechtbank dat zal berekenen.
De rechtbank hanteert bij de berekening van het NBI van een ondernemer als uitgangspunt de gemiddelde winst van de voorafgaande drie kalenderjaren, nu op deze wijze de (incidenteel) hoge en lage winsten worden gecompenseerd en een reëel beeld van de behaalde winst wordt gegeven. Voor het NBI van de man zal de rechtbank echter uitgaan van het gemiddelde resultaat over de jaren 2023 en 2024. De winst over 2025 wordt buiten beschouwing gelaten. Deze is niet representatief, omdat partijen in februari 2025 uit elkaar zijn gegaan en de man heeft verklaard dat de lagere winst in 2025 het gevolg is van de scheiding.
De rechtbank gaat uit van een winst in 2023 van € 68.264,- en van een winst in 2024 van
€ 63.999,-. Dit volgt uit de door de man overgelegde belastingaangiftes. De gemiddelde winst uit onderneming van 2023 en 2024 bedraagt dan € 66.132,-.
De rechtbank houdt rekening met de MKB-winstvrijstelling en de zelfstandigenaftrek.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 4.043,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2024 dus € 4.543 per maand (€ 500 + € 4.043). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 583,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2024, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.349,- per maand voor [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] . Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.503,- per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht vrouw
De vrouw werkt niet en ontvangt een Ziektewetuitkering. De draagkracht van de vrouw is tussen partijen in geschil.
De man stelt zich op het standpunt dat voor de vrouw een verdiencapaciteit moet worden aangenomen, omdat er van haar kan worden verwacht dat zij opnieuw gaat werken en daarmee een inkomen genereert van € 28.000,- per jaar. De vrouw betwist dit. Zij voert aan dat voor de toekenning van een Ziektewetuitkering al een medische beoordeling is gemaakt, waarbij door een deskundige arts is vastgesteld dat zij wegens ziekte niet in staat is arbeid te verrichten. Aangezien de uitkering aan de vrouw is toegekend, is daarmee vast komen te staan dat de vrouw arbeidsongeschikt is als gevolg van ziekte.
De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van een verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw. Nu de Ziektewetuitkering aan de vrouw is toegekend en zij al langer nauwelijks werkt, is voor de rechtbank voldoende vast komen te staan dat zij niet in staat is om te werken. De rechtbank zal dus uitgaan van het huidige inkomen van de vrouw.
De rechtbank gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de vrouw daarom uit van de betaalspecificaties van het UWV van 4 februari 2026 en 4 maart 2026, waaruit blijkt dat de vrouw in 2026 een Ziektewet-uitkering krijgt van € 490,- per maand.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 1.560,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Bij een NBI tot € 1.950,- per maand geldt volgens de draagkrachttabel (2026) een minimale draagkracht van € 50,- per maand voor twee of meer kinderen. De rechtbank zal deze draagkracht voor de vrouw in aanmerking nemen.
Draagkracht man
Partijen zijn het ook niet eens over de draagkracht van de man.
Zoals eerder overwogen, neemt de rechtbank voor de draagkracht van een ondernemer in beginsel de gemiddelde winst van de voorafgaande drie kalenderjaren. Dat zou betekenen dat uit wordt gegaan van het gemiddelde resultaat over de jaren 2023, 2024 en 2025.
De winst in het jaar 2025 (€ 36.974,-) is aanzienlijk lager dan de winst in de jaren 2023 en 2024 (€ 68.264,- en € 63.999,-). De man heeft hierover verklaard dat hij in 2025 minder is gaan werken, omdat het slecht met hem ging door de scheiding. De vrouw is van mening dat niet uit kan worden gegaan van de winst in het jaar 2025, nu de man geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij afgelopen jaar verminderd arbeidsongeschikt was. Volgens de vrouw moet daarom in plaats van het jaar 2025 rekening worden gehouden met de winst uit de jaren 2020 en/of 2021.
De rechtbank ziet aanleiding om de man een verdiencapaciteit toe te kennen. De man heeft niet onderbouwd waarom hij in 2025 minder is gaan werken. De rechtbank acht de man daarom in staat om eenzelfde winst uit onderneming te genereren als in de jaren 2023 en 2024. De winst over 2025 wordt daarom bij de draagkrachtberekening buiten beschouwing gelaten.
De rechtbank gaat voor de vaststelling van de draagkracht van de man uit van een winst uit onderneming van € 66.132,-.
Verder houdt de rechtbank rekening met de MKB-winstvrijstelling en de zelfstandigenaftrek.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 4.045,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [4.045 – (1.214 + 1.365)] = € 1.026,- per maand.
Draagkrachttekort
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.076 per maand (€ 50 + € 1.026). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. Er is sprake van een tekort van € 427,- per maand (€ 1.503 - € 1.076). De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking.
Zorgkorting
De man heeft helemaal geen contact met de kinderen, waardoor de rechtbank voor hem geen zorgkorting toepast.
Ingangsdatum
De rechtbank zal als ingangsdatum de datum van de beschikking hanteren, nu de man in het kader van de voorlopige voorzieningen al een bedrag aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen.
Conclusie
Omdat sprake is van een tekort en er geen sprake is van een zorgkorting, zal de man naar zijn volledige draagkracht moeten bijdragen in de behoefte van de kinderen.
De rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van deze beschikking, een bedrag ten behoeve van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] van € 1.026,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 Alimentatieverordening rechtsmacht toe om te oordelen op het verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van Pro het Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen van 23 november 2007, Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie.
Inhoudelijke beoordeling
Gezien het substantiële tekort aan draagkracht voor kinderalimentatie, stelt de rechtbank vast dat de man geen draagkracht heeft om partneralimentatie te voldoen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om een partneralimentatie vast te stellen afwijzen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijks-vermogensstelsels).
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (het Verdrag) van toepassing.
Omdat partijen geen rechtskeuze hebben uitgebracht vóór of tijdens het huwelijk, moet het toepasselijk recht worden bepaald aan de hand van artikel 4 lid 1 van Pro het Verdrag. Partijen hebben hun eerste huwelijksdomicile in Nederland gevestigd. Het huwelijksvermogensregime wordt daarmee beheerst door het Nederlandse recht.
Inhoudelijke beoordeling
Algehele gemeenschap van goederen
De vrouw en de man zijn gehuwd op [datum] 2006 op het Marokkaanse Consultaat in Rotterdam Zij hebben geen huwelijkse voorwaarden gemaakt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestond. Deze wettelijke algehele gemeenschap van goederen omvat alle goederen en alle schulden, tenzij sprake is van een van de uitzonderingen genoemd in het oude artikel 1:94 BW Pro. Het uitgangspunt is dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap bij helfte tussen de echtgenoten moet worden verdeeld.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding. Dit is 30 april 2025. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van de feitelijke verdeling.
Omvang
Partijen hebben de volgende bestanddelen opgevoerd die per de peildatum in de gemeenschap vallen:
1. de inboedel;
2. de saldi op de bankrekeningen.
Tijdens de zitting is gebleken dat partijen de inboedel in onderling overleg hebben verdeeld. Op dit punt is geen beslissing van de rechtbank meer nodig. Ten aanzien van de saldi op de bankrekeningen van de vrouw en de man zal de rechtbank bepalen dat deze bij helfte moeten worden verdeeld per peildatum van 30 april 2025.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2006 op het Marokkaanse Consultaat in Rotterdam;
*
bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, [de vrouw] , geboren op [geboortedatum 4] 2004 te [geboorteplaats 2] ( [land] ), het gezag zal toekomen over de minderjarigen:
  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats 1] ;
  • [de minderjarige 2] , geboren [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats 1] ;
  • [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2019 in [geboorteplaats 1] .
*
stelt vast dat de minderjarigen:
  • [de minderjarige 2] , geboren [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats 1] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
  • [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2019 in [geboorteplaats 1] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Training voor kinderen van gescheiden ouders en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] van in totaal € 1.026,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt de wijze van verdeling van de algehele gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
- bepaalt met betrekking tot de bankrekeningen dat ieder zijn/haar bankrekening behoudt op zijn/haar naam, onder verrekening van de saldi bij helfte per 30 april 2025;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. van Hees, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.A.L. Niemantsverdriet als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 15 mei 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Partij
Man
Zaak
Man / Vrouw
Berekening
Behoefte
Tarieven
2024-2
Datum uitdraai
29-04-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Winst uit onderneming (65-75)
65
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)
66.132
70
Winst uit onderneming
66.132
Ondernemersaftrek
71/ 72
Zelfstandigenaftrek
-
3.75
- Zelfstandigenaftrek
3.75
MKB Winstvrijstelling
-
8.303
75
Belastbare winst uit onderneming
54.079
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
54.079
- Schijf 1a, 36,97% (19,07%) over € 0 t/m € 38.097 (€ 40.020)
14.084
- Schijf 1b, 36,97% over € 38.098 (€ 40.021) t/m € 75.517
5.908
95
Inkomensheffing box 1
19.992
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
66.132
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
19.992
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
5.251
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
14.741
Inkomen na aftrek inkomensheffing
51.391
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
1.422
jaar
Arbeidskorting
3.829
jaar
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Winst uit onderneming
54.079
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
54.079
Maximum bijdrage loon
71.628
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
71.628
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
54.079
Percentage Zvw
%
5,32
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
2.877
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
2.877
120
Besteedbaar inkomen
48.514
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
48.514
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
4.043
Partij
Vrouw
Zaak
Man / Vrouw
Berekening
Behoefte
Tarieven
2024-2
Datum uitdraai
29-04-2026
Besteedbaar inkomen (113-120)
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
3.362
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
3.362
jaar
119a
Bij: Netto inkomsten
6
120
Besteedbaar inkomen
6
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
6
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
500
NBGI voor scheiding
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding
NBI voor scheiding Man
4.043
NBI voor scheiding Vrouw
500
Bij: Kindgebonden budget voor scheiding
583
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding
5.126
Eigen aandeel kosten kinderen
Eigen aandeel kosten kinderen
Ouders hebben in gezinsverband geleefd
ja
NBGI voor scheiding
5.126
Tabel aantal kinderen
3
Eigen aandeel ouders in de kosten kinderen volgens tabel
1.349
#
Indexeren
ja
Startjaar
2024
Eindjaar
2026
Eigen aandeel ouders geïndexeerd
1.503
Behoefte obv 60% norm
Netto Behoefte
Netto gezinsinkomen
5.126
Af: kosten van de kinderen
-
1.349
Saldo
3.777
Netto behoefte obv 60%
2.266
Netto behoefte
2.266
#
Indexeren
nee
Partij
Man
Zaak
Man / Vrouw
Berekening
Draagkracht
Tarieven
2026-1
Datum uitdraai
29-04-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Winst uit onderneming (65-75)
65
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)
66.132
70
Winst uit onderneming
66.132
Ondernemersaftrek
71/ 72
Zelfstandigenaftrek
-
1.2
- Zelfstandigenaftrek
1.2
MKB Winstvrijstelling
-
8.246
75
Belastbare winst uit onderneming
56.686
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
56.686
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
13.9
- Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426
6.687
95
Inkomensheffing box 1
20.587
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
66.132
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
20.587
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
5.739
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
14.848
Inkomen na aftrek inkomensheffing
51.284
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
1.391
jaar
Arbeidskorting
4.348
jaar
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Winst uit onderneming
56.686
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
56.686
Maximum bijdrage loon
79.412
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
79.412
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
56.686
Percentage Zvw
%
4,85
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
2.749
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
2.749
120
Besteedbaar inkomen
48.535
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
48.535
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
4.045
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
48.535
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
4.045
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
4.045
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
1.365
123a
Woonbudget
1.214
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
2.579
136a
Draagkrachtruimte
1.466
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
1.026
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
1.026
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
120b
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie
4.045
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122b
Kosten van levensonderhoud
1.365
123b
Woonbudget
1.214
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
2.579
136b
Draagkrachtruimte
1.466
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
1.466
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Draagkracht tbv partneralimentatie
880
140
Beschikbaar
880
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
Berekende ruimte voor partneralimentatie
880
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
880
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
1.409
Specificaties voor post: 144
Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 10.560 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van:
56.686
jaar
In de schijf van 37,56% valt € 10.560, € 10.560 x ( 100 / (100 - 37,56)) =
16.912
jaar
In de schijf van 35,75% valt € 0, € 0 x ( 100 / (100 - 35,75)) =
jaar
Het resultaat van de brutering is per jaar
16.912
jaar
Of per maand
1.409
maand
Partij
Vrouw
Zaak
Man / Vrouw
Berekening
Draagkracht
Tarieven
2026-1
Datum uitdraai
29-04-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
43
Bruto uitkering andere sociale verzekeringswetten
5.88
Bruto inkomsten
5.88
Premies (51-59)
Pensioenpremie
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
5.88
59
Inkomsten
5.88
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
5.88
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
5.88
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
2.102
95
Inkomensheffing box 1
2.102
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
5.88
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
2.102
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
3.115
Inkomen na aftrek inkomensheffing
5.88
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
3.115
jaar
Bij: Kindgebonden budget
12.844
120
Besteedbaar inkomen
18.724
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
18.724
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
1.56
120b
Af: correctie kindgebonden budget
-
12.844
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
5.88
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
490
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
1.56
Draagkracht wordt berekend op basis van
Tabel
Afwijken van de tabel?
nee
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
50
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
120b
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie
490
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
Afwijken van de tabel?
nee
122b
Kosten van levensonderhoud
1.365
123b
Woonbudget
147
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
1.512
136b
Draagkrachtruimte
-1.022
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
-1.022
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
Berekende ruimte voor partneralimentatie
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
Specificaties voor post: 144
Omdat de verschuldigde belasting lager is dan de heffingskortingen bestaat er geen ficaal voordeel. Resteert voor partneralimentatie per jaar
jaar
Of per maand
maand