ECLI:NL:RBDHA:2026:16045

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
C/09/677588 / FA RK 24-9115
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 815 RvArt. 827 RvArt. 3 Protocol onderhoudsverplichtingenArt. 1:93 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met verdeling huwelijksgemeenschap en kinderalimentatie

De rechtbank Den Haag heeft op 15 mei 2026 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen een man en een vrouw, gehuwd sinds 2011. De rechtbank sprak de echtscheiding uit en nam het ouderschapsplan op in de beschikking. De kinderen zijn minderjarig en het gezamenlijk gezag wordt voortgezet.

De vrouw verzocht onder meer om toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning aan haar, kinderalimentatie voor de minderjarige kinderen en de verdeling van de huwelijksgemeenschap. De man stemde in met de echtscheiding en het ouderschapsplan, maar voerde verweer tegen de alimentatie, het huurrecht en de vermogensverdeling.

De rechtbank wees het verzoek tot onderhoudsbijdrage voor de jong-meerderjarige af wegens niet-ontvankelijkheid. Voor de twee minderjarige kinderen werd kinderalimentatie vastgesteld op respectievelijk €40 en €155 per maand, rekening houdend met draagkracht, zorgkorting en behoefte. Het huurrecht van de echtelijke woning werd toegekend aan de vrouw. De huwelijksgemeenschap, bestaande uit onder meer twee auto's, inboedel, bankrekeningen en woningen, werd verdeeld conform wettelijke regels, waarbij de woning aan de vrouw werd toegewezen onder voorwaarden. De rechtbank stelde een procedure voor verkoop en taxatie vast voor onenigheid over de verdeling van bepaalde goederen.

Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit, wijst het huurrecht toe aan de vrouw, stelt kinderalimentatie vast en regelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-9115 (echtscheiding) en FA RK 25-3553 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/677588 (echtscheiding) en C/09/685124 (verdeling)
Datum beschikking: 15 mei 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 20 december 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Çiçek in ’s-Gravenhage .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.V. Garib in Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 8 januari 2025, met bijlagen, van de vrouw;
  • het F9-formulier van 16 januari 2025, van de vrouw;
  • het F9-formulier van 14 februari 2025, van de vrouw;
  • het F9-formulier van 19 februari 2025, met bijlagen, van de vrouw;
  • het verweerschrift met een zelfstandig verzoek;
  • het F9-formulier van 14 maart 2025, van de vrouw;
  • het F9-formulier van 11 april 2025, met bijlagen, van de vrouw;
  • het verweer op het zelfstandig verzoek;
  • de F9-formulieren van 9 mei 2025, van de vrouw;
  • het F9-formulier van 10 juni 2025, van de vrouw;
  • het F9-formulier van 10 juli 2025, van de vrouw;
  • het F9-formulier van 19 augustus 2025, van de vrouw;
  • het F9-formulier van 22 september 2025, van de vrouw;
  • het F9-formulier van 3 november 2025, met bijlagen, van de vrouw;
  • het F9-formulier van 29 december 2025, van de man;
  • het F9-formulier van 15 januari 2026, met bijlagen, van de vrouw;
  • het F9-formulier van 19 januari 2026, met bijlagen, van de vrouw;
  • het F9-formulier van 16 april 2026, met bijlagen, van de vrouw;
  • het F9-formulier van 16 april 2026, met bijlagen, van de man;
  • het F9-formulier van 17 april 2026, met bijlagen, van de man;
  • het F9-formulier van 17 april 2026, met bijlagen, van de vrouw.
[minderjarige 1] en [minderjarige 1] zijn uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter op 17 april 2026. Zij hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Op 17 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man, bijgestaan door zijn advocaat.
De rechtbank heeft de man in de gelegenheid gesteld om na de zitting stukken ten aanzien van de Ford Focus ( [kenteken 1] ) in te dienen. De vrouw is in de gelegenheid gesteld om daar op te reageren.
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
- een F9-formulier van 20 april 2026, met bijlagen, van de man.
Van de kant van de vrouw is daar geen reactie op gekomen.

Feiten

  • Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2011 in [plaats 1] , [land] .
  • Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
 [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1] );
 [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1] ).
  • De ouders oefenen het gezamenlijk gezag uit over de kinderen.
  • Zij zijn ook de ouders van de volgende meerderjarige kinderen:
 [jong-meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 3] 2006 te [geboorteplaats] ;
 [meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 4] 2004 te [geboorteplaats] ;
  • De vrouw, de man en de kinderen hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.
  • Op 20 maart 2025 heeft deze rechtbank voorlopige voorzieningen getroffen, inhoudende dat – voor zover hier van belang –:
  • de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd;
  • de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning;
  • de man aan de vrouw, met ingang van 5 maart 2025, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen van € 364,- per maand, ofwel €182,- per maand per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
  • de man gerechtigd is om de kinderen bij zich te hebben:
  • in het geval de man geen eigen woonruimte heeft:eens in de veertien dagen op zaterdag en zondag van 11:00 uur tot 19:00 uur,
  • in het geval de man wel een eigen woonruimte heeft:eens in de veertien dagen van zaterdag 11:00 uur tot zondag 19:00 uur;

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt – na wijziging –, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
  • een afschrift van het door partijen ondertekende ouderschapsplan aan te hechten en deel uit te laten maken van de beschikking;
  • te bepalen dat de man voorlopig, met ingang van heden, aan de vrouw zal betalen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 1] met een bedrag van € 700,- in totaal per maand, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie redelijk acht, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
  • te bepalen dat de man voorlopig, met ingang van heden, aan [jong-meerderjarige] zal betalen een verlengde onderhoudsbijdrage van € 350,- per maand, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie redelijk acht, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
  • het huurrecht van de woning staande en gelegen aan de [adres 1] in [plaats 2] , aan de vrouw toe te delen;
  • vaststelling van de huwelijksgemeenschap conform het voorstel van de vrouw.
De [jong-meerderjarige] heeft de vrouw gemachtigd om namens hem zijn belangen te behartigen ten aanzien van het verzoek met betrekking tot de onderhoudsbijdrage.
De man stemt in met de verzoeken van de vrouw ten aanzien van de echtscheiding en het ouderschapsplan. Hij voert verweer tegen de verzoeken met betrekking tot de kinderalimentatie, het huurrecht en de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Daarnaast verzoekt de man zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
  • primair:te bepalen dat de man met ingang van datum beschikking aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal betalen van
€ 126,- per maand per kind, althans een bedrag dat de rechtbank juist acht, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
subsidiair:te bepalen dat de man met ingang van datum beschikking aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal betalen van
€ 75,- per maand per kind, althans een bedrag dat de rechtbank juist acht, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
-
primair:te bepalen dat het huurrecht van de echtelijke woning, gelegen aan de [adres 1] in [plaats 2] , aan de man wordt toegewezen en te bevelen dat de vrouw deze woning dient te verlaten nadat zij een eigen woning heeft gevonden, en dat zij de woning daarna niet mag betreden, met machtiging voor de man om deze beschikking zo nodig zelf ten uitvoer te leggen met behulp van politie en justitie;
subsidiair:te bepalen dat de vrouw, na toekenning van de echtelijke woning aan haar, per direct alle vaste lasten zal dragen, waaronder de huur-, water- en elektriciteitskosten alsmede de verzekeringskosten;
- vaststelling van de huwelijksgemeenschap conform het voorstel van de man.
De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – wordt besproken.

Beoordeling

Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. Op grond van artikel 10:56 van Pro het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
Ontvankelijkheid
De rechtbank zal de vrouw en man ontvangen in hun verzoek tot echtscheiding omdat aan de wettelijke formaliteiten zoals genoemd in artikel 815 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is voldaan.
Inhoudelijke beoordeling
Beide partijen stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond worden toegewezen.
Opname ouderschapsplan
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek het ouderschapsplan op te nemen in de beschikking. De rechtbank zal hierop Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Het verzoek het ouderschapsplan op te nemen in de beschikking kan als op de wet gegrond worden toegewezen.
Op de zitting hebben de ouders aangegeven dat zij open staan voor hulpverlening, onder andere om hun communicatie te verbeteren en hun ouderschap samen vorm te geven.
Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
Onderhoudsbijdrage jong-meerderjarige
De vrouw heeft namens de [jong-meerderjarige] verzocht om een door de man te betalen onderhoudsbijdrage vast te stellen. De man betoogt dat het verzoek afgewezen dient te worden.
De rechtbank overweegt dat een verzoek voor alimentatie ten behoeve van een meerderjarige niet valt onder de limitatieve opsomming van artikel 827 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Daarom kan het niet als nevenvoorziening in een echtscheidingsprocedure worden aangemerkt. Gelet hierop is de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek. [jong-meerderjarige] moet voor het vaststellen van een onderhoudsbijdrage een afzonderlijke procedure starten.
De rechtbank zal hierna een kinderalimentatieberekening maken voor twee kinderen ( [minderjarige 1] en [minderjarige 1] ). Op de zitting heeft de rechtbank voorgesteld dat de rechtbank ook de alimentatie voor [jong-meerderjarige] zou berekenen, zodat de man die wel kan betalen en daarmee rekening kan worden gehouden in de berekening van de alimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 1] . Daar stemden de ouders niet mee in. Daarom zal de rechtbank hierna alleen een berekening voor [minderjarige 1] en [minderjarige 1] maken.
Kinderalimentatie [minderjarige 1] en [minderjarige 1]
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de kinderen in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek. Op het verzoek tot kinderalimentatie zal de rechtbank op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de vaststelling en de berekening van de kinderalimentatie neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 1]
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van de kinderen zijn. De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 1] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald. Omdat de ouders sinds eind 2024 uit elkaar zijn, zal de rechtbank met de gegevens uit die periode rekenen.
Voor het NBI van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van een gemiddeld inkomen van
€ 2.303,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de salarisspecificaties van augustus tot en met oktober 2024.
De rechtbank houdt verder rekening met:
  • de premie Ouderdomspensioen van € 195,-;
  • de premie Arbeidsongeschiktheidspensioen van € 1,-;
  • de premie Loyalis VVT WGIA-hiaat van € 7,-;
  • de premie Loyalis VVT 3e WW jaar van € 3,-;
  • de premie Werkhervattingskas van € 13,-.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI op het moment van het huwelijk op € 2.132,- per maand.
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de man. De rechtbank gaat voor het NBI van de man uit van de jaaropgave 2024, waaruit een inkomen volgt van € 55.949,-.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van het huwelijk op € 3.421,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2025 dus
€ 5.553,- per maand (€ 2.783 + € 2.132). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 198,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.543,- per maand voor drie kinderen. Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 1] komt dit neer op € 1.029,- per maand. De rechtbank houdt immers rekening met het feit dat partijen toen zij uit elkaar gingen drie minderjarige kinderen hadden. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.146,- per maand, en dus € 573,- per maand per kind.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een gemiddeld inkomen van € 2.352,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Dit volgt uit van de salarisspecificaties van januari tot en met maart 2026.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
De rechtbank houdt verder rekening met:
  • de premie Ouderdomspensioen van € 209,-;
  • de premie Loyalis VVT WGIA-hiaat van € 8,-;
  • de premie Loyalis VVT 3e WW jaar van € 3,-;
  • de premie Werkhervattingskas van € 13,-.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 3.102,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [ 3.102 – (931 + 1.365)] = € 564,- per maand.
Draagkracht man
De draagkracht van de man is tussen partijen in geschil.
Het inkomen van de man is lager geworden ten opzichte van 2025. Volgens de vrouw is sprake van verwijtbaar inkomensverlies, nu nergens uit blijkt dat de man ziek is en daardoor minder kan werken. Als gevolg hiervan dient voor de berekening van de draagkracht van de man rekening te worden gehouden met het hoogste inkomen wat de man in 2025 verdiende.
De man betwist dit en voert aan dat hij nog altijd 40 uur werkt, maar minder overuren maakt ten opzichte van vorige jaren. Die tijd heeft hij nu nodig voor afspraken bij de fysiotherapeut en de dokter in verband met zijn gezondheid.
De rechtbank is van oordeel dat er niet van de man gevergd kan worden dat hij – naast zijn 40-urige werkweek – overuren blijft maken. Daarom zal de rechtbank voor de man geen rekening houden met een verdiencapaciteit.
Voor de vaststelling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van zijn salarisspecificatie van week 1-4 in 2026, waaruit een inkomen volgt van € 3.220,- bruto per vier weken, exclusief vakantiegeld.
De rechtbank houdt verder rekening met:
  • de pensioenpremie van € 207,-;
  • de WIA hiaat premie van € 18,-;
  • de WIA hiaat ext. premie van € 9,-;
  • de WGA premie van € 16,-.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 2.732,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man ook hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [2.732 – (820 + 1.365)] = € 383,- per maand,
€ 192,- per maand per kind.
Draagkrachttekort
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 947,- per maand (€ 383 + € 564). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 1] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van
€ 199,- per maand (€ 1.146 – € 947).
Zorgkorting
Gelet op de zorgregeling die partijen overeen zijn gekomen, hanteert de rechtbank een zorgkortingspercentage van 35% voor [minderjarige 1] en een zorgkortingspercentage van 15% voor [minderjarige 1] .
De zorgkorting bedraagt dan € 201,- per maand voor [minderjarige 1] (35% van € 573). De zorgkorting voor [minderjarige 1] bedraagt dan € 86,- per maand (15% van € 573).
Aandeel man
Omdat sprake is van een tekort van € 201,- per maand, € 100 per maand per kind, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend.
De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij voor [minderjarige 1] nog aanspraak maakt op een zorgkorting van € 151,- per maand (€ 201 - € 50). Voor [minderjarige 1] maakt de man aanspraak op een zorgkorting van € 36,- per maand (€ 86 - € 50).
Het aandeel van de man in kosten van [minderjarige 1] bedraagt € 40,- per maand (€ 192 – 151). Het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] bedraagt € 155,- per maand (€ 192 – € 36).
Ingangsdatum
In het ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand een bij deze beschikking vast te stellen bedrag aan de vrouw zal betalen. De rechtbank zal partijen hierin volgen.
Conclusie
De rechtbank zal bepalen dat de man vanaf de datum van de inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand een bedrag aan kinderalimentatie van
€ 40,- per maand voor [minderjarige 1] en een bedrag van € 155,- per maand voor [minderjarige 1] moet betalen aan de vrouw, telkens steeds vóór de eerste van de maand.
Huurrecht
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning aan een van partijen en wordt dit verzoek volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.
Inhoudelijke beoordeling
De man woont inmiddels al enige tijd in een nieuwe woning. Partijen zijn het er over eens dat het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw kan worden toegekend. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning aan haar als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.
De man heeft verzocht om te bepalen dat de vrouw na toekenning van de echtelijke woning aan haar, per direct alle vaste lasten zal dragen, waaronder de huur-, water- en elektriciteitskosten alsmede de verzekeringskosten. Omdat partijen op dat moment niet meer zijn getrouwd en de man niet meer aansprakelijk is voor die lasten, hoeft hij die niet meer te betalen. Een beslissing van de rechtbank is daarvoor niet nodig. Hij kan zelf stoppen met betalen en (met tijdige kennisgeving aan de vrouw) de verzekering opzeggen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijks-vermogensstelsels).
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (het Verdrag) van toepassing.
Omdat partijen geen rechtskeuze hebben uitgebracht vóór of tijdens het huwelijk, moet het toepasselijk recht worden bepaald aan de hand van artikel 4 lid 1 van Pro het Verdrag. Partijen hebben hun eerste huwelijksdomicile in Nederland gevestigd. Het huwelijksvermogensregime wordt daarmee beheerst door het Nederlandse recht.
Inhoudelijke beoordeling
Algehele gemeenschap van goederen
De vrouw en de man zijn gehuwd op [datum] 2011. Zij hebben geen huwelijkse voorwaarden gemaakt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestond. Deze wettelijke algehele gemeenschap van goederen omvat alle goederen en alle schulden, tenzij sprake is van een van de uitzonderingen genoemd in het oude artikel 1:94 BW Pro. Het uitgangspunt is dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap bij helfte tussen de echtgenoten moet worden verdeeld.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding, zijnde 20 december 2024. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van de feitelijke verdeling.
Omvang
Partijen hebben de volgende bestanddelen (goederen en schulden) opgevoerd die per de peildatum in de gemeenschap vallen:
de Toyota Auris ( [kenteken 2] );
de Ford Focus ( [kenteken 1] );
de inboedel;
de saldi op de bankrekeningen;
de woning gelegen te [plaats 1] , [land] , [kadastraal kenmerk] ;
de woning gelegen aan de [adres 2] , te [plaats 1] , [land] .
Ad. 1) de Toyota Auris ( [kenteken 2] )
Op de zitting heeft de vrouw haar verzoek gewijzigd, in die zin dat zij nu verzoekt te bepalen dat de Toyota Auris zal worden verkocht en de opbrengst bij helfte verdeeld wordt. De man heeft hiermee ingestemd.
Nu partijen het hierover eens zijn, zal de rechtbank in de beslissing een spoorboekje opnemen met betrekking tot de verkoop van de Toyota Auris.
Ad. 2) de Ford Focus ( [kenteken 1] )
Op de zitting heeft de man aangevoerd dat hij een ongeluk heeft gehad met de Ford Focus, waardoor die total loss is verklaard en niet meer bestaat. Ook heeft de man verklaard dat de auto een kilometerstand ten tijde van het ongeluk een kilometerstand van ongeveer 420.000 kilometer had. De man handhaaft zijn verzoek om de helft van de (fictieve) waarde van de auto aan de vrouw te vergoeden, zijnde een bedrag van € 391,- (50% van € 781,-).
De rechtbank heeft de man in de gelegenheid gesteld om na de zitting een schaderapport, dan wel een recente kilometerstand van de auto toe te sturen. Uit het schaderapport van Univé Expertise volgt dat de man op 6 juli 2025 een ongeval heeft gehad met de Ford Focus. De reparatiekosten hiervoor waren € 5.000,- en de auto heeft uiteindelijk (door verkoop aan een autodealer) nog € 100,- opgeleverd. De kilometerstand ten tijde van het ongeval was 428.538 kilometer.
Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de man ten behoeve van de Ford Focus de helft van de fictieve waarde, zijnde een bedrag van € 391,- zal vergoeden aan de vrouw.
Ad. 3) de inboedel
Het is partijen niet gelukt om overeenstemming te bereiken over de inboedel. De rechtbank zal vaststellen dat partijen de inboedel in onderling overleg bij helfte zullen verdelen. Indien partijen hier niet uitkomen, zullen zij, eventueel in het bijzijn van een objectieve derde, om de beurt een goed uit de inboedel kiezen zonder dat enige verrekening behoeft plaats te vinden. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
Ad. 4) de saldi op de bankrekeningen
Partijen zijn het erover eens dat ieder zijn of haar eigen bankrekening en de daarop behorende saldi toebedeeld krijgt, zonder nadere verrekening van de saldi. De rechtbank zal dit opnemen in de beslissing.
Ad. 5) 5. de woning gelegen te [plaats 1] , [land] , [kadastraal kenmerk]
Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de woning zal worden verkocht en dat de opbrengst bij helfte wordt verdeeld.
Nu partijen het hierover eens zijn, zal de rechtbank in de beslissing een spoorboekje opnemen met betrekking tot de verkoop van woning.
Ad. 6) 6. de woning gelegen aan de [adres 2] , te [plaats 1] , [land]
Tussen partijen is in geschil of de woning in de gemeenschap valt.
De man stelt dat de woning tijdens het huwelijk is gekocht met geld van partijen en daarom in de huwelijksgemeenschap valt. De man verzoekt de rechtbank te bepalen dat de woning wordt getaxeerd en na de taxatie de overwaarde tussen partijen bij helfte wordt verdeeld.
De vrouw verzoekt om dit verzoek af te wijzen. Zij stelt dat de woning is gefinancierd met geld dat zij van haar moeder (600.000 dirham) met een uitsluitingsclausule geschonken heeft gekregen. Het gevolg daarvan zou zijn dat de woning buiten de gemeenschap valt en dus niet hoeft te worden verdeeld.
De rechtbank stelt vast dat de woning tijdens het huwelijk is gekocht. Het is daarom aan de vrouw om te onderbouwen dat de woning is gekocht met geld dat zij met een uitsluitingsclausule geschonken heeft gekregen. Dat heeft zij niet gedaan. Zij heeft enkel een verklaring van haar moeder uit 2025 overgelegd, waarin staat dat zij in 2017 een schenking aan de vrouw heeft gedaan voor de aankoop van een perceel grond en het daarop gelegen gebouw. De moeder van de vrouw verklaart dat de schenking uitsluitend is bedoeld voor haar dochter en persoonlijk van aard is, dat het niet de bedoeling is om dit te delen met haar echtgenoot of met een ander individu. Een uitsluitingsclausule moet echter bij het geven van de schenking worden gedaan en kan niet achteraf worden opgesteld. Deze achteraf opgestelde verklaring kan daarom niet dienen als onderbouwing van een destijds rechtsgeldig gemaakte uitsluitingsclausule. Daar komt bij dat de vrouw verder ook geen informatie heeft gegeven over de aankoopprijs van het perceel grond, waardoor de rechtbank niet eens kan vaststellen voor welk deel het stuk grond met het geld van de schenking is betaald.
Op de zitting heeft de vrouw nog aangeboden om een notariële akte uit 2017 op te zoeken, waarin een uitsluitingsclausule is gedaan. De rechtbank gaat daaraan voorbij, omdat door het gebrek aan verdere gegevens daarmee nog steeds niet kan worden vastgesteld dat de woning buiten de gemeenschap valt.
De rechtbank concludeert daarom dat de woning binnen de gemeenschap valt, en dat ieder recht heeft op de helft van de waarde van de woning.
De rechtbank zal de woning aan de vrouw toedelen op de wijze en onder de voorwaarden die hierna in het dictum zijn vermeld. Indien de vrouw niet in staat blijkt om binnen de gestelde termijn aan de voorwaarden te voldoen, moet de woning worden verkocht aan een derde, eveneens op de wijze en onder de voorwaarden die hierna in het dictum zijn vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2011 in [plaats 1] , [land] ;
*
bepaalt dat het (in fotokopie) aangehechte ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking;
*
stelt vast dat partijen, te weten:

[de vrouw] (de moeder),

wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
en

[de man] (de vader),

wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg en de Raad voor de Kinderbescherming;
*
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek ten aanzien van een onderhoudsbijdrage voor de [jong-meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 3] 2006 te [geboorteplaats] ;
*
bepaalt dat de man vanaf de datum van de inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand een bedrag aan kinderalimentatie van € 40,- per maand voor [minderjarige 1] en een bedrag van € 155,- per maand voor [minderjarige 1] moet betalen aan de vrouw, telkens steeds vóór de eerste van de maand;
*
stelt de (wijze van) verdeling van de algehele gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
1. met betrekking tot de Toyota Auris ( [kenteken 2] ):
i) de Toyota Auris wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor koper, dient de man aan de vrouw binnen één maand na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie erkende autodealers voor te stellen die bereid en in staat zijn de auto te kopen, waaruit de vrouw er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen dienen vervolgens binnen één week over te gaan tot verkoop en levering van de auto.
b) de verkoopopbrengst wordt tussen partijen bij helfte gedeeld;
2. bepaalt dat de man ten behoeve van de Ford Focus ( [kenteken 1] ) een bedrag van € 391,- aan de vrouw moet betalen;
3. bepaalt dat de inboedel in onderling overleg bij helfte wordt verdeeld, waarbij partijen eventueel in het bijzijn van een objectieve derde om de beurt een goed kunnen kiezen uit de woning;
4. bepaalt dat ieder zijn/haar eigen bankrekening behoudt, zonder verrekening van de daarop behorende saldi;
5. met betrekking tot de woning gelegen te [plaats 1] , [land] , [kadastraal kenmerk] en de eventueel daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening(en) en polis(sen):
ii) de woning wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur, dient de vrouw aan de man binnen één maand na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren en verkopen, waaruit de man er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen dienen vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht te verstrekken aan de makelaar-taxateur tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polissen ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning.
6. met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres 2] , te [plaats 1] , [land] , en de eventueel daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening(en) en polis(sen):
iii) de woning wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de man aan de vrouw binnen één maand na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren, waaruit de vrouw er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de vrouw de woning zal overnemen;
b) de vrouw dient binnen twee maanden na de taxatie aan de man aan te tonen dat zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening;
c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
d) de kosten van de notariële overdracht worden door de vrouw, als kosten koper, voldaan;
e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
indien de vrouw de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de vrouw kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
*
verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. van Hees, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.A.L. Niemantsverdriet als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 15 mei 2026.
Partij
Man
Zaak
Man / Vrouw (677588)
Berekening
Behoefte
Tarieven
2024-2
Datum uitdraai
12-05-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon volgens jaaropgaaf
(60)
60
Loon volgens jaaropgaaf
55.949
Op het bruto loon ingehouden
59
Inkomsten (transport)
55.949
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
55.949
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
55.949
- Schijf 1a, 36,97% (19,07%) over € 0 t/m € 38.097 (€ 40.020)
14.084
- Schijf 1b, 36,97% over € 38.098 (€ 40.021) t/m € 75.517
6.599
95
Inkomensheffing box 1
20.683
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
55.949
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
20.683
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
5.789
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
14.894
Inkomen na aftrek inkomensheffing
41.055
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
1.298
jaar
Arbeidskorting
4.491
jaar
Totale inkomsten
41.055
120
Besteedbaar inkomen
41.055
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
41.055
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
3.421
Partij
Vrouw
Zaak
Man / Vrouw (677588)
Berekening
Behoefte
Tarieven
2024-2
Datum uitdraai
12-05-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
27.636
44
Vakantietoeslag
2.211
Bruto inkomsten
29.847
Premies (51-59)
Pensioenpremie
51
Ingehouden pensioenpremie
-
2.34
53
Aanvullende pensioenpremie / premie reparatie WAO/WIA-gat
-
288
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
27.219
59
Inkomsten
27.219
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
27.219
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
27.219
- Schijf 1a, 36,97% (19,07%) over € 0 t/m € 38.097 (€ 40.020)
10.062
95
Inkomensheffing box 1
10.062
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
27.219
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
10.062
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
8.421
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
1.641
Inkomen na aftrek inkomensheffing
25.578
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
3.203
jaar
Arbeidskorting
5.218
jaar
Totale inkomsten
25.578
120
Besteedbaar inkomen
25.578
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
25.578
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
2.132
NBGI voor scheiding
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding
NBI voor scheiding Man
3.421
NBI voor scheiding Vrouw
2.132
Bij: Kindgebonden budget voor scheiding
198
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding
5.751
Eigen aandeel kosten kinderen
Eigen aandeel kosten kinderen
Ouders hebben in gezinsverband geleefd
ja
NBGI voor scheiding
5.751
Tabel aantal kinderen
3
Eigen aandeel ouders in de kosten kinderen volgens tabel
1.543
#
Indexeren
ja
Startjaar
2024
Eindjaar
2026
Eigen aandeel ouders geïndexeerd
1.719
Partij
Man
Zaak
Man / Vrouw (C/09/677588)
Berekening
Draagkracht
Tarieven
2026-1
Datum uitdraai
12-05-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
38.64
44
Vakantietoeslag
3.091
Bruto inkomsten
41.731
Premies (51-59)
Pensioenpremie
51
Ingehouden pensioenpremie
-
2.484
53
Aanvullende pensioenpremie / premie reparatie WAO/WIA-gat
-
516
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
38.731
Notitie: 53
WIA hiaat premie van € 18,-
WIA hiaat extr. premie van € 9,-
WGA premie van € 16,-
59
Inkomsten
38.731
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
38.731
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
38.731
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
13.846
95
Inkomensheffing box 1
13.846
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
38.731
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
13.846
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
8.092
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
5.754
Inkomen na aftrek inkomensheffing
32.977
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
2.54
jaar
Arbeidskorting
5.552
jaar
Af: Netto premie (WGA/WHK)
192
120
Besteedbaar inkomen
32.785
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
32.785
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
2.732
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
2.732
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
1.365
123a
Woonbudget
820
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
2.185
136a
Draagkrachtruimte
547
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
383
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
383
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
3.102
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
1.365
123a
Woonbudget
931
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
2.296
136a
Draagkrachtruimte
806
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
564
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
564