ECLI:NL:RBDHA:2026:16034

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
C/09/676073 / FA RK 24-8385
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BWArt. 3 Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nihilstelling kinderalimentatie na wijziging hoofdverblijfplaats en afwijzing partneralimentatieverzoek

Partijen zijn in 2019 gescheiden waarbij de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw was vastgesteld en de man kinderalimentatie betaalde. In 2024 is de hoofdverblijfplaats van de minderjarige gewijzigd naar de man. De man verzocht de kinderalimentatie per 25 juli 2023 op nihil te stellen, terwijl de vrouw dit per 5 juli 2024 wilde laten ingaan.

De rechtbank oordeelt dat de feitelijke verzorging en kosten door de man vanaf 25 juli 2023 zijn gedragen, ondanks dat de formele hoofdverblijfplaats pas in juli 2024 werd gewijzigd. Daarom wordt de kinderalimentatie met ingang van die datum op nihil gesteld.

De vrouw verzocht daarnaast partneralimentatie vanaf 1 juli 2024 wegens verkoop van de echtelijke woning en vermeende inkomensdaling. De rechtbank oordeelt dat de verkoop onderdeel was van de oorspronkelijke afspraak en dat het inkomen van de vrouw niet is gedaald. Daarom wordt het verzoek afgewezen en verklaart de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk.

De proceskosten worden door partijen zelf gedragen. De beschikking wijzigt de eerdere regeling en is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De kinderalimentatie wordt per 25 juli 2023 op nihil gesteld en het verzoek tot wijziging van partneralimentatie wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-8385
Zaaknummer: C/09/676073
Datum beschikking: 15 mei 2026

Alimentatie

Beschikking op het op 20 november 2024 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.J. den Hollander-Fischer te Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Burger te [geboorteplaats] .

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift van de zijde van de man, ingekomen op 20 november 2024;
  • de brief van 18 december 2024, met bijlage, van de zijde van de man;
  • de brief van 13 januari 2025, met bijlage, van de zijde van de man;
  • het verweerschrift met een zelfstandig verzoek van de zijde van de vrouw, ingekomen op 16 januari 2025;
  • het verweerschrift tegen het zelfstandige verzoek tevens houdende een aanvullend verzoek van de zijde van de man, ingekomen op 12 maart 2025;
  • het verweerschrift tegen het aanvullende verzoek van de zijde van de vrouw, ingekomen op 6 mei 2025;
  • het bericht van 7 april 2026, met bijlagen, van de zijde van de man;
  • het bericht van 7 april 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
  • het bericht van 13 april 2026, met bijlagen, van de zijde van de man.
De minderjarige [de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven over het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
Op 17 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met mr. Y.M. Bérénos (waarnemend voor mr. Den Hollander-Fischer) en een tolk, mevrouw R.B. Berkhout, alsmede de vrouw met haar advocaat. Van de zijde van de man zijn nadere stukken overgelegd (recente inkomensgegevens).

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2003 tot [datum 2] 2019.
  • Zij zijn de ouders van de volgende kinderen:
- [de meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats] ;
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2009 te [geboorteplaats] .
  • De man is Brits burger en de vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit.
  • Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 1 augustus 2019 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is, voor zover hier van belang:
  • bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal zijn;
  • bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren € 390,- per maand per kind;
  • ten laste van de man aan de vrouw tot 1 september 2022 een uitkering tot levensonderhoud toegekend van € 392,- per maand, hetgeen correspondeert met het gedeelte van de hypotheekrente van de echtelijke woning door de man voldaan ten titel van partnerbijdrage, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waarbij geheel is uitgesloten de wijziging die genoemde uitkering op grond van de wettelijk vastgestelde indexering over het komende jaar tot 1 september 2022 kan of zal ondergaan.
- Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2024 is, voor zover hier van belang, bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de man zal zijn.

Verzoek en verweer

De man verzoekt – na intrekking op de zitting van zijn verzoek tot vaststelling van een door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige] – nu nog:
- de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige] per 25 juli 2023 op nihil te stellen;
- de vrouw te veroordelen in de proceskosten,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de vrouw zelfstandig met ingang van 1 juli 2024 een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 800,- bruto per maand vast te stellen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer tegen het zelfstandige verzoek van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu [de minderjarige] in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie.
Op het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie zal de rechtbank op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Op grond van artikel 1:401, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
Vaststaat dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds de beschikking van
1 augustus 2019, te weten dat [de minderjarige] bij de man is gaan wonen. Tussen partijen is niet in geschil dat als gevolg van deze wijziging de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige] op nihil moet worden bepaald. Partijen zijn het echter niet eens over de ingangsdatum van de nihilstelling. De man verzoekt de kinderalimentatie per 25 juli 2023 op nihil te bepalen en de vrouw per 5 juli 2024.
De rechtbank overweegt als volgt.
Volgens de man is [de minderjarige] feitelijk per 25 juli 2023 bij hem komen wonen. Deze datum is door de vrouw niet betwist. Per 25 juli 2023 is de man ook gestopt met het betalen van kinderalimentatie voor [de minderjarige] aan de vrouw. In september 2023 heeft [de minderjarige] via de informele rechtsingang (onder meer) verzocht om wijziging van zijn hoofdverblijfplaats. Uiteindelijk heeft de rechtbank Rotterdam bij beschikking van 5 juli 2024 de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de man bepaald. Hoewel [de minderjarige] in de periode van 25 juli 2023 tot 5 juli 2024 formeel zijn hoofdverblijfplaats nog bij de vrouw had, heeft de man toen feitelijk bijna alle kosten van [de minderjarige] voldaan. De enige kosten die de vrouw heeft betaald zijn de kosten voor de huurlaptop van [de minderjarige] (in totaal € 315,-) en de kosten van het verblijf van [de minderjarige] bij haar ( [de minderjarige] verbleef in principe om het weekend bij de vrouw, maar er is ook een aantal maanden geen contact geweest). Verder was [de minderjarige] meeverzekerd bij de zorgverzekering van de vrouw. Naar de rechtbank begrijpt had de vrouw een duurdere verzekering afgesloten in verband met (te verwachten) orthodontiekosten van [de minderjarige] . Gedurende het jaar dat [de minderjarige] nog stond ingeschreven op het adres van de vrouw terwijl hij feitelijk bij de man woonde, heeft de vrouw kinderbijslag en kindgebonden budget voor [de minderjarige] ontvangen. De vrouw heeft niet gesteld of aangetoond dat de kosten die zij voor [de minderjarige] heeft gemaakt daar niet door werden gedekt. In dit licht bezien acht de rechtbank het niet redelijk om de kinderalimentatieverplichting van de man over de periode van 25 juli 2023 tot 5 juli 2024 in stand te laten. Zij zal de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige] dan ook met ingang van 25 juli 2023 op nihil bepalen.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de man in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek om partneralimentatie.
Op het verzoek om partneralimentatie zal de rechtbank op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Blijkens de echtscheidingsbeschikking van 1 augustus 2019 zijn partijen destijds op de zitting overeengekomen dat de vrouw totdat [de minderjarige] de basisschool zou hebben afgerond (de zomer van 2022) in de echtelijke woning mocht blijven wonen met de kinderen, waarbij het gedeelte van de hypotheekrente dat de man doorbetaalt ten behoeve van de vrouw (€ 392,- per maand), door de man ten titel van partnerbijdrage ten behoeve van de vrouw zou worden voldaan. Omwille van de praktische uitwerking heeft de rechtbank de einddatum van de overeengekomen regeling vastgesteld op 1 september 2022. Uiteindelijk is de echtelijke woning pas geleverd aan een derde in juli 2024. Tot dat moment heeft de man de hypotheekrente doorbetaald.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401, eerste lid, BW op grond waarvan voormelde afspraak moet worden gewijzigd en met ingang van 1 juli 2024 weer een door de man aan haar te betalen partneralimentatie moet worden vastgesteld.
Op de zitting is namens de vrouw aangegeven dat de wijziging van omstandigheden er primair in is gelegen dat de echtelijke woning is verkocht en geleverd aan een derde. De rechtbank ziet niet waarom dit een gewijzigde omstandigheid is. Dat de echtelijke woning zou worden verkocht en geleverd aan een derde was immers onderdeel van de afspraak tussen partijen. Op 1 september 2022, althans op het moment dat de echtelijke woning zou zijn verkocht en geleverd, zou de overeengekomen partneralimentatieverplichting van de man stoppen.
Subsidiair heeft de advocaat van de vrouw betoogd dat er sprake is van een gewijzigde omstandigheid omdat de vrouw minder is gaan verdienen. Ook hierin gaat de rechtbank niet mee. Het inkomen van de vrouw is sinds 1 juli 2024 immers niet lager geweest dan haar inkomen ten tijde van het maken van de partneralimentatieafspraak in 2019.
Nu er gelet op het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een wijziging van omstandigheden, zal de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek om wijziging van de partneralimentatie.
Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding om de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure. Het verzoek van de man hiertoe zal dan ook worden afgewezen en de proceskosten zullen worden gecompenseerd als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt – met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van
1 augustus 2019 – de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2009 te [geboorteplaats] , met ingang van 25 juli 2023 op nihil, en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek ter zake de wijziging van de partneralimentatie;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, rechter, bijgestaan door mr. C.P.E. van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 15 mei 2026.