Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16028

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
14 juni 2026
Zaaknummer
AWB 25 / 6137
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Verordening 810/2009Art. 8:72 lid 3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging visumafwijzing wegens onvoldoende zorgvuldigheid en onvoldoende binding met Syrië

Eiseres, van Jordaanse nationaliteit en woonachtig in Syrië, verzocht om een visum kort verblijf om haar in Nederland wonende dochter te bezoeken. De minister wees de aanvraag af wegens twijfel over het doel van het verblijf en onvoldoende sociale en economische binding met Jordanië, het land van terugkeer.

De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid, omdat eiseres niet is gehoord en het feit dat zij via Jordanië naar Syrië zou terugkeren niet is meegenomen. De rechtbank vernietigt daarom het besluit.

Echter, de rechtbank stelt vast dat eiseres onvoldoende sociale en economische binding met Syrië heeft aangetoond, mede omdat haar meerderjarige zoons zelfstandig zijn en zij financieel afhankelijk is van hen zonder eigen bezit of inkomen. Daarom laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, waardoor de afwijzing van het visum blijft gelden.

De minister wordt opgedragen het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand waardoor de visumafwijzing blijft gelden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 25/6137
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedag] 1956, van Jordaanse nationaliteit, eiseres,
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, de minister,

(gemachtigde: mr. A.R. Menschaart).

Inleiding

1. Met het besluit van 28 november 2023 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiseres voor een visum kort verblijf bij haar in Nederland wonende dochter, [referente] (hierna: referente), afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
1.1.
Met een besluit van 6 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.
1.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres aan de hand van de beroepsgronden die zij heeft aangevoerd.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is, maar zij ziet aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
4. Eiseres woont in Syrië en wilde referente bezoeken vanaf 3 december 2023 tot en met 8 februari 2024. Referente was op dat moment zwanger. In april 2026 is zij inmiddels van haar tweede kindje bevallen. De gemachtigde van eiseres is haar schoonzoon.
Besluitvorming
5. De minister stelt zich op het standpunt dat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. [1] Daarnaast bestaat er redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van het visum te verlaten. [2] De minister kan niet zonder meer aannemen dat eiseres een zodanige sociale en economische binding met Jordanië heeft dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd is.
Naar welk land keert eiseres terug?
6. De minister is in het bestreden besluit uitgegaan van terugkeer naar Jordanië en heeft daarom de sociale en economische binding met Jordanië beoordeeld. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres verklaart dat het ten tijde van de aanvraag niet mogelijk was om te vliegen naar Syrië. Eiseres was daarom van plan om na haar verblijf in Nederland via Jordanië naar Syrië terug te keren. De minister heeft het voorgaande op de zitting niet bestreden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Dit klemt temeer, omdat eiseres ook niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. Het bestreden besluit komt daarom in aanmerking voor vernietiging.
6.1
De rechtbank ziet aanleiding om te beoordelen of de rechtsgevolgen in stand kunnen worden gelaten. De minister heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat eiseres de sociale en de economische binding met Syrië niet heeft aangetoond.
Sociale en economische binding met Syrië
7. Eiseres stelt dat er sprake is van voldoende sociale en economische binding met Syrië. Eiseres woont met haar twee zoons in een huis in Syrië. Zij heeft drie verblijfsvergunningen waarin hetzelfde adres is vermeld.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen sprake is van een zodanige sociale binding met Syrië dat tijdige terugkeer gewaarborgd is. Daarbij heeft de minister in aanmerking mogen nemen dat haar zoons in Syrië meerderjarig zijn, die in hun eigen onderhoud kunnen voorzien. Dit, nog daargelaten dat eiseres de identiteit en de familierelatie met haar gestelde zoons niet heeft aangetoond.
9. De rechtbank volgt de minister ook in zijn standpunt dat er geen sprake is van een economische binding met Syrië. De gemachtigde van eiseres heeft in de gronden van beroep en op de zitting aangegeven dat eiseres thans bijna 70 jaar is. Zij is altijd huisvrouw geweest en heeft nooit een baan gehad. Eiseres is (financieel) volledig afhankelijk van haar zoons met wie zij in Aleppo in één (familie)huis woont. Eiseres is geen eigenaar van dat huis. Eiseres heeft verder geen bankrekening. Dat het vorenstaande gebruikelijk is in Syrië, zoals de gemachtigde van eiseres stelt, neemt niet weg dat daaruit blijkt dat eiseres geen economische binding met Syrië heeft.

Conclusie en gevolgen

10. Gelet op het gebrek onder 6 is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank zal bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, omdat eiseres de sociale en economische binding met Syrië niet heeft aangetoond. [3] Dit betekent dat het beroep weliswaar gegrond is, maar dat eiseres inhoudelijk geen gelijk krijgt. De afwijzing van de aanvraag blijft staan en de minister hoeft geen nieuw besluit te nemen.
11. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt griffier.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep op verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 32, sub a onder ii van verordening 810/2009 (hierna: de Visumcode).
2.Artikel 32, sub b van de Visumcode.
3.Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.