Eiser, een Pakistaanse asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel die door de minister werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister betwijfelde de geloofwaardigheid van het asielrelaas, met name de bedreigingen en mishandelingen die eiser zou hebben ondergaan, en stelde dat eiser zich niet tijdig had gemeld na binnenkomst in Nederland.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de ongeloofwaardigheid van het relaas aannam op grond van inconsistenties en onlogische verklaringen, zoals het late ontdekken van fraude en tegenstrijdigheden over aangiften en reisbewegingen. Echter, de rechtbank verwierp het standpunt van de minister dat eiser zich niet zo snel mogelijk had gemeld, omdat eiser aannemelijk had gemaakt dat hij zich binnen twee dagen na binnenkomst had gemeld.
Hierdoor was de kennelijke ongegrondheid van de aanvraag onterecht vastgesteld. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, handhaafde de afwijzing als ongegrond, maar stelde de vertrektermijn op vier weken in plaats van nul dagen. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.