ECLI:NL:RBDHA:2026:1602

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
NL26.3012
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 59b VwArt. 5.3 derde lid Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.3 vierde lid Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens risico op onttrekking toezicht

Eiser, een Algerijnse vreemdeling, is in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet vanwege het risico dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken en de uitzettingsprocedure zal ontwijken of beletten. Eiser betwistte de gronden voor de bewaring en stelde dat hij zijn asielaanvraag had ingetrokken om snel terug te keren naar zijn land van herkomst.

De rechtbank oordeelt dat de zware gronden waarop de maatregel is gebaseerd, waaronder het onrechtmatig binnenkomen van Nederland zonder paspoort en het onttrekken aan toezicht in september 2025, feitelijk juist zijn. De stellingen van eiser dat hij zich niet aan het toezicht heeft onttrokken in de periode voorafgaand aan de maatregel worden niet gevolgd.

De rechtbank concludeert dat de gronden voor de maatregel van bewaring voldoende zijn en dat het voortduren van de bewaring niet onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3012

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J. Singh),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Hopman).

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 20 januari 2026 heeft eiser beroepsgronden ingediend. Op 21 januari 2026 heeft verweerder een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 28 januari 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1992 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Eiser wijst er terecht op dat in het proces-verbaal van gehoor van 18 januari 2026 ten onrechte is aangekruist dat de advocatenpiketdienst was ingelicht, nadat eiser had aangegeven geen advocaat bij het gehoor te willen. Dit maakt echter niet dat geen waarde kan worden gehecht aan het proces-verbaal van gehoor, zoals eiser stelt. Verweerder heeft toegelicht dat voorafgaand aan het gehoor per e-mail contact is opgenomen met de gemachtigde van eiser over de aanwezigheid van de gemachtigde bij het gehoor. De rechtbank stelt met verweerder vast dat de gemachtigde van eiser om 9:47 uur per e-mail kenbaar heeft gemaakt niet bij het gehoor aanwezig te kunnen zijn en dat eiser hiermee akkoord was.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser voert aan dat het onjuist is dat sprake is van een onttrekkingsrisico en een risico dat eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting. Eiser heeft namelijk zijn asielaanvraag ingetrokken om zo snel mogelijk terug te keren naar zijn land van herkomst. Verder betwist eiser de zware gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd.
5. Wat eiser heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. Zware grond 3a is feitelijk juist, omdat eiser eerder zonder paspoort, voorzien van een geldig visum, Nederland is ingereisd. Dat eiser nu op basis van een Dublinclaim naar Nederland is teruggekomen, maakt dat niet anders. Ook zware grond 3b is feitelijk juist, omdat eiser in september 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. De stelling van eiser dat verweerder hem niet in bewaring heeft kunnen stellen op grond van informatie uit het verleden, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Ook de stelling van eiser dat hij zich in de periode tussen 8 januari 2026 en 18 januari 2026 niet aan het toezicht heeft onttrokken – omdat hij in die periode in bewaring was gesteld op basis van artikel 59b, eerste lid, van de Vw – doet niet af aan de feitelijke juistheid van zware grond 3b. De zware gronden 3a en 3b zijn tezamen reeds voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Hieruit volgt het risico dat eiser zich zal onttrekken aan het toezicht en de voorbereiding van zijn uitzetting ontwijkt of belemmert. Wat eiser tegen de overige gronden heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking meer, nu dit niet tot een andere uitkomst kan leiden.
6. Ook overigens is er geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 30 januari 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.3, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.3, vierde lid, van het Vb.