ECLI:NL:RBDHA:2026:16016

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 juni 2026
Zaaknummer
C/09/703952 / FA RK 26-4108
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WzdArt. 3.2.3 Wet langdurige zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning opvolgende rechterlijke machtiging voor verblijf in zorgaccommodatie bij dementie

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) tot verlening van een opvolgende rechterlijke machtiging voor de duur van twee jaar voor cliënt, geboren in 1943, die verblijft in een zorgaccommodatie vanwege een psychogeriatrische aandoening (dementie).

Cliënt vertoont wegloopgedrag en verzet zich tegen het verblijf, maar de medische verklaring en het zorgplan tonen aan dat zij ernstige nadelen ondervindt, zoals lichamelijk letsel en maatschappelijke teloorgang, indien zij niet in de accommodatie blijft. De zoon en zorgverleners bevestigen de noodzaak van toezicht en zorg.

De rechtbank concludeert dat minder ingrijpende maatregelen niet toereikend zijn en dat de machtiging noodzakelijk is om ernstig nadeel te voorkomen. Ondanks het verzoek van de advocaat om een machtiging voor één jaar toe te kennen, wordt de machtiging voor twee jaar verleend vanwege het stabiele of verslechterende ziektebeeld en het blijvende weglooprisico.

De beschikking is uitgesproken op 13 mei 2026 en geldt tot en met 13 mei 2028. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: De rechtbank verleent een opvolgende rechterlijke machtiging voor twee jaar voor het verblijf van cliënt in de zorgaccommodatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/703952 / FA RK 26-4108
Datum beschikking: 13 mei 2026

Opvolgende rechterlijke machtiging

Beschikkingnaar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een opvolgende machtiging voor de duur van twee jaar als bedoeld in artikel 24 van Pro de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:
[cliënt]
,
hierna te noemen: cliënt,
geboren op [geboortedatum] 1943 te [geboorteplaats], [land],
wonende te [woonplaats],
thans verblijvende in de accommodatie [zorginstelling], [plaats],
advocaat: mr. B.S. van Haeften te Den Haag.

ProcesverloopHet procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 23 april 2026.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- het indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 9 mei 2025;
- de aanvraag voor een opvolgende machtiging aan het CIZ van 16 april 2026;
- de op 16 april 2026 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige arts, [naam 1], die cliënt met het oog op de machtiging kort tevoren heeft onderzocht, maar niet bij haar behandeling betrokken was;
- het zorgplan van 13 maart 2026.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 13 mei 2026. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
- cliënt, bijgestaan door zijn advocaat;
- de arts, [naam 2];
- de verpleegkundige, [naam 3];
- de zoon, [naam 4].

Standpunten ter zitting

Door en namens cliënt is ter zitting naar voren gebracht dat cliënt in de huidige accommodatie wil blijven wonen en dat het verzoek kan worden toegewezen. Cliënt wil soms weggaan omdat zij dan naar haar ‘werk’ wil gaan. De advocaat verzoekt namens cliënt om de opvolgende rechterlijke machtiging toe te wijzen voor de duur van één jaar in plaats van de verzochte duur van twee jaar aangezien cliënt rustiger wordt en het verzet mogelijk het komende jaar afneemt.
Door de arts is naar voren gebracht dat cliënt op haar plek zit in de huidige accommodatie, dat zij het goed met de zorg kan vinden maar dat zij desondanks regelmatig aangeeft dat zij weg wil. Overdag doet zij pogingen om naar buiten te lopen. Zij is veel beneden bij de receptie en zodra de receptioniste weg is, probeert ze haar kans te grijpen. Cliënt heeft een tag waarmee zij de afdelingsdeuren kan openen zodat zij zelfstandig van de afdeling naar beneden kan gaan. Haar tag geeft geen toegang om de buitendeur van het verpleeghuis te openen. Omdat er geen verandering in haar wegloopgedrag zichtbaar is, is de rechtelijke machtiging voor de duur van twee jaar aangevraagd.
Door de verpleegkundige is toegelicht dat het wassen en douchen goed gaat bij cliënt.
Door de zoon is naar voren gebracht dat hij tevreden is over de zorg in de huidige accommodatie en dat cliënt vrolijker is en beter in haar vel zit. Zij weigert wel eens zorg maar dit is persoonsafhankelijk en dit ligt aan de benaderingswijze. Cliënt gaat regelmatig met familie mee waarbij het terugbrengen naar het verpleeghuis geen problemen oplevert. De drang om naar buiten te gaan blijft aanwezig maar het daadwerkelijk vluchten is minder geworden en het personeel is alert. De zoon verwacht niet dat het wegloopgedrag volledig zal afnemen aangezien cliënt altijd een zeer onafhankelijke vrouw is geweest. De familie maakt zich daar zorgen om aangezien de gevaren op de weg niet minder worden en cliënt deze gevaren niet ziet.

Beoordeling

Op 10 december 2025 is door de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie verleend tot en met 14 mei 2026.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat cliënt lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten een neurocognitieve stoornis (dementie).
Deze psychogeriatrische aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit ernstig nadeel bestaat uit:
– ernstig lichamelijk letsel;
– maatschappelijke teloorgang;
– bedreiging van de veiligheid van cliënt al dan niet doordat hij onder invloed van een ander raakt;
– de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
Cliënt heeft behoefte aan zorg, toezicht en structuur. Cliënt is meerdere malen uit het verpleeghuis weggelopen, waarbij sprake was van desoriëntatie en onvermogen om zelfstandig de weg terug te vinden. Zij staat vaak bij de voordeur van het verpleeghuis om te kijken of ze met iemand mee naar buiten kan lopen en vraagt regelmatig aan bewoners en bezoekers of zij de deur kunnen openen. In enkele gevallen kon cliënt worden gelokaliseerd en teruggebracht door zorgverleners en in andere gevallen is cliënt door de politie teruggebracht.
De voortzetting van het verblijf in een accommodatie is noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.
Gebleken is dat cliënt zich verzet tegen de voortzetting van het verblijf in een accommodatie. Cliënt geeft regelmatig aan dat zij weg wil en onderneemt hier ook pogingen toe. Zij is reeds diverse malen uit het verpleeghuis weggelopen. De rechtbank acht daarom een opvolgende rechterlijke machtiging noodzakelijk.
Omdat het ziektebeeld van cliënt niet zal veranderen en mogelijk verder achteruitgaat, ziet de rechtbank geen aanleiding om de opvolgende rechterlijke machtiging voor een kortere periode toe te wijzen. De rechtbank houdt hierbij ook rekening met het feit dat de zoon van cliënt ter zitting heeft aangegeven dat hij niet verwacht dat de drang van zijn moeder om naar buiten te kunnen gaan, volledig zal weggaan gezien haar karakter.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor verlening van een opvolgende machtiging tot voortzetting van het verblijf in een accommodatie als bedoeld in de Wzd. De machtiging zal worden verleend voor de duur van twee jaar.

Beslissing

De rechtbank:
verleent een opvolgende machtiging tot voortzetting van het verblijf in een accommodatie ten aanzien van:
[cliënt]
,
geboren op [geboortedatum] 1943 te [geboorteplaats], [land],
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 13 mei 2028.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. van den Dries, rechter, bijgestaan door I. de Vroom als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 13 mei 2026.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 3 juni 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.