De moeder verzocht de rechtbank om vervangende toestemming voor speltherapie voor haar dochter vanwege ernstige depressieve klachten en mogelijke automutilatie. De vader betwistte de ernst van de klachten en gaf geen toestemming voor de therapie.
De rechtbank nam kennis van medische rapporten, dagboekfragmenten en het verweer van beide ouders. De huisarts had herhaaldelijk signalen van somberheid en suïcidale gedachten vastgesteld en achtte behandeling noodzakelijk. De vader ontkende deze klachten en stelde dat de moeder onrealistische angsten had.
De rechtbank oordeelde dat de medische signalen en dagboekfragmenten voldoende bewijs vormden voor de noodzaak van therapie. Het ontbreken van erkenning door de vader maakte de klachten niet minder reëel. Daarom werd de vervangende toestemming aan de moeder verleend, waarmee de toestemming van de vader werd vervangen.