Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15941

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 juni 2026
Zaaknummer
C/09/689295 / FA RK 25-5744
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 1:377a lid 1 BWArt. 9 lid 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling omgangsregeling tussen man en minderjarige

De man verzocht de rechtbank om een omgangsregeling vast te stellen waarbij de minderjarige eens per 14 dagen bij hem zou verblijven, inclusief een verdeling van feestdagen en vakanties. De moeder voerde verweer en stelde dat er geen nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en de minderjarige bestaat en dat omgang een ernstig nadeel zou opleveren voor het kind.

De rechtbank stelde vast dat de man niet de biologische vader is, maar wel een substantiële rol heeft gespeeld in het leven van de minderjarige. De man is ontvankelijk in zijn verzoek. Uit de stukken en zitting bleek dat de omgang onder begeleiding van een professional was, maar dat deze is gestopt vanwege incidenten die stress bij het kind veroorzaakten.

De rechtbank oordeelde dat het vaststellen van een omgangsregeling niet in het belang van de minderjarige is, mede vanwege de spanning en onrust bij de moeder, die de hoofdverzorger is. De rechtbank wees het verzoek af, maar benadrukte dat dit niet betekent dat er nooit meer contact kan zijn. De moeder wordt geacht het contact in de toekomst te faciliteren indien passend.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling wordt afgewezen omdat dit niet in het belang van de minderjarige is.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-5744
Zaaknummer: C/09/689295
Datum beschikking: 13 mei 2026

Omgang

Beschikking op het op 29 juli 2025 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.S. Dijkstra te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.A. van der Stroom-Willemsen te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 1 augustus 2025 van de zijde van de man, met bijlage;
  • het verweerschrift;
  • het F9-formulier van 13 april 2026 van de zijde van de man;
  • de F9-formulieren van 14 april 2026 van de zijde van de man, met bijlage;
  • het F9-formulier van 14 april 2026 van de zijde van de moeder.
De [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek, maar heeft hier geen gebruik van gemaakt.
Op 16 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat en vergezeld door een tolk, M.V. Babkima;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld door een tolk, P. van Nieuwenhuizen;
  • [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- De moeder is de moeder van de [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] , [land] .
- De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.
- De man is niet de biologische vader van [minderjarige] . De biologische vader van [minderjarige] heeft tot op heden geen betrokken rol in het leven van [minderjarige] .
- De man, de moeder en [minderjarige] hebben de Italiaanse nationaliteit.
- Bij vonnis van 18 april 2024 van deze rechtbank heeft de voorzieningenrechter de vordering van de man tot vaststelling van een omgangsregeling afgewezen, wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Verzoek en verweer

De man verzoekt:
  • primair: een omgangsregeling te bepalen, inhoudende dat [minderjarige] eens per 14 dagen bij de man zal verblijven van vrijdag uit school tot maandag naar school, dan wel indien [minderjarige] geen school heeft eens per 14 dagen op vrijdag van 16:00 uur tot maandagochtend 09:00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] telkens naar de man zal brengen en de man [minderjarige] na afloop bij de moeder zal terugbrengen op de dagen dat [minderjarige] geen school heeft, alsmede een verdeling van de feestdagen en vakanties te bepalen conform het schema zoals opgenomen in productie 8 van het verzoekschrift;
  • subsidiair: een omgangsregeling te bepalen, waarvan de rechtbank meent dat dit behoort;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Opmerking vooraf - toelaten stukken
De man stelt dat het verweerschrift van de moeder, inclusief bijbehorende producties, te laat is ingediend. Volgens de man dient het verweerschrift dan ook buiten beschouwing te worden gelaten op grond van de goede procesorde.
De moeder heeft zich hiertegen verweerd. Zij stelt dat het verweerschrift is ingediend binnen de daarvoor geldende termijn. Daarbij bevat het verweerschrift stukken die de man al bekend waren en is het slechts aangevuld met enkele recente stukken.
Zoals ter zitting al is aangegeven, zal de rechtbank het verzoek van de man om het verweerschrift, inclusief bijbehorende producties, buiten beschouwing te laten, afwijzen. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van strijd met de goede procesorde door het verweerschrift, inclusief bijbehorende producties, toe te laten in de procedure. Bij dat oordeel speelt een rol dat de rechtbank heeft geconstateerd dat er slechts enkele voor de man nieuwe stukken zijn ingediend die eenvoudig te doorgronden zijn.
Omgang
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek ten aanzien van de omgang.
Wettelijk kader
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt gewaarborgd door onder meer artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 van Pro het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK).
Standpunten man
De man stelt dat er sprake is van een nauwe en persoonlijke betrekking tussen hem en [minderjarige] . Hij voert aan dat hij vanaf de babytijd in het leven van [minderjarige] betrokken is (geweest). Ook na het beëindigen van de relatie door partijen heeft de man eens per 14 dagen een uur omgang gehad met [minderjarige] , onder begeleiding van drs. [naam 2] . Inmiddels is deze omgangsbegeleiding gestopt. De man heeft in oktober 2024 voor het laatst contact gehad met [minderjarige] . De man heeft, op advies van drs. [naam 2] , pedagogische begeleiding gezocht. Hij wenst in de praktijk te laten zien dat hij in staat is op een goede wijze met [minderjarige] om te gaan. Daarbij is hij bereid zich aan bepaalde regels te houden en het contact eerst op te bouwen door middel van videobellen, eventueel in de aanwezigheid van een derde.
Standpunten moeder
Volgens de moeder is er geen sprake van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en [minderjarige] . Ondanks dat de man na het beëindigen van de relatie nog drie jaar bij de moeder en [minderjarige] heeft gewoond, heeft hij geen opvoedverantwoordelijkheid voor [minderjarige] gedragen. De moeder heeft lange tijd haar best gedaan om het contact tussen [minderjarige] en de man te onderhouden. Zo heeft de moeder een professional ingeschakeld, drs. [naam 2] , om de omgang te begeleiden. Omdat zich meerdere incidenten hebben voorgedaan, waarbij de man tegen de afspraken in handelde, heeft drs. [naam 2] besloten de omgangsmomenten niet langer te begeleiden. Daarbij blijkt uit de rapportages van drs. [naam 2] dat [minderjarige] veel stress en spanning ervaarde tijdens de omgangsmomenten. Sinds de omgang is gestopt heeft [minderjarige] volgens de moeder een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Gelet op het voorgaande is de moeder van mening dat het vaststellen van een omgangsregeling een ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige] . Het verzoek van de man dient dan ook te worden afgewezen.
Ontvankelijkheid man – nauwe persoonlijke betrekking?
De rechtbank stelt vast dat de man niet de biologische vader is van [minderjarige] . Wel heeft hij een zekere tijd een substantiële rol gespeeld in het leven van [minderjarige] . De man, de moeder en [minderjarige] hebben immers een aantal jaar met elkaar in één huis gewoond. Ook nadat de man de woning heeft verlaten zijn [minderjarige] en de man elkaar blijven zien. Eerst heeft de moeder dat contact zelf gefaciliteerd en later heeft drs. [naam 2] de omgang tussen de man en [minderjarige] begeleid. Tegen die achtergrond is de rechtbank van oordeel dat er sprake is (geweest) van een nauwe en persoonlijke betrekking tussen de man en [minderjarige] . De man is dan ook ontvankelijk in zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling. De rechtbank zal daarom hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken, is de rechtbank het volgende duidelijk geworden. De man heeft gesteld dat hij en [minderjarige] altijd leuk contact met elkaar hebben gehad. Door de moeder wordt dat niet betwist. Wel geeft de moeder aan dat er de afgelopen jaren een aantal spanningsvolle incidenten hebben plaatsgevonden. Ondanks die incidenten hebben partijen langere tijd geprobeerd om het contact tussen de man en [minderjarige] in stand te houden. Zo heeft drs. [naam 2] de omgang een aantal keer begeleid. Uit de documentatie daarover blijkt dat drs. [naam 2] op een bepaald punt heeft besloten de omgang niet langer te begeleiden. De reden hiervan was – kort gezegd – dat er meerdere voorvallen hebben plaatsgevonden, die voor [minderjarige] veel spanning opleverden en waarbij de man de pedagogische autoriteit van de moeder ondermijnde. Verder is het de rechtbank gebleken dat de situatie bij de moeder veel spanning en onrust oplevert, terwijl duidelijk is dat zij de hoofdverzorger en -opvoeder van [minderjarige] is. Omdat de moeder alleen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] draagt, acht de rechtbank het van belang dat zij in deze verantwoordelijkheid niet wordt gehinderd door de spanning en onrust die de situatie voor haar veroorzaakt. [minderjarige] zal het immers ervaren als de moeder haar verantwoordelijkheid niet ongehinderd kan dragen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het vaststellen van een omgangsregeling niet in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank zal het verzoek van de man dan ook afwijzen. Hierbij merkt de rechtbank op dat dit niet betekent dat er nooit meer contact kan of mag zijn tussen de man en [minderjarige] . De rechtbank acht het vaststellen van een vaste regeling niet aangewezen, maar vertrouwt erop dat de moeder steeds zal bezien of en op welke manier er contact kan zijn tussen de man en [minderjarige] en dat zij daarbij oog zal hebben voor de belangen en behoeften van [minderjarige] .
Brief aan [minderjarige]
De rechtbank heeft [minderjarige] een brief geschreven om hem te laten weten wat de rechtbank heeft beslist. Volledigheidshalve staat de inhoud van die brief hieronder, zodat beide partijen daarvan op de hoogte zijn:
Beste [minderjarige] ,
Wij hebben elkaar nooit ontmoet, maar ik ben de rechter die heeft beslist over contact tussen jou en meneer [de man] . Hij wil jou namelijk graag weer zien, net zoals vroeger toen je nog wat jonger was. Ik weet dat er een tijdje contact is geweest tussen jullie bij mevrouw [naam 2] . Mijn indruk is dat dat niet altijd makkelijk is geweest voor je.
Ik heb met je moeder en meneer [de man] gesproken. Wij hebben gesproken over de voordelen en de nadelen van vaste afspraken. Mijn beslissing is dat het voor nu beter is dat er geen vaste afspraken zullen zijn. Ik heb daarom geen regeling vastgesteld.
Dat betekent niet dat er nooit meer contact tussen jou en meneer [de man] mag zijn. Als het in de toekomst zo is dat je hem graag weer eens zou willen zien, dan kun je dat tegen je moeder zeggen. Zij zal dan kijken of dat kan.
Ik heb goede dingen over je gehoord, [minderjarige] . Ik hoop dat het zo goed zal blijven gaan met je.
Met vriendelijke groet,
de rechter

Beslissing

De rechtbank:
*
wijst af het verzoek van de man tot het vaststellen van een omgangsregeling.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 13 mei 2026.