De moeder verzocht de rechtbank om vervangende toestemming om met haar minderjarige kind naar de Verenigde Staten te verhuizen. De vader verzette zich hiertegen en verzocht tevens om vaststelling van de hoofdverblijfplaats bij hem. De rechtbank nam kennis van de feiten, waaronder het ouderschapsplan, de zorgregeling en de bijzondere omstandigheden van het kind, dat autisme heeft en momenteel in Nederland speciaal basisonderwijs volgt.
De rechtbank beoordeelde het verzoek aan de hand van de criteria uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, waarbij het belang van het kind centraal staat. De moeder stelde dat verhuizing in het belang van het kind is vanwege betere onderwijs- en arbeidsvooruitzichten en haar eigen mentale gezondheid. De vader betwistte dit en voerde aan dat het kind gebaat is bij continuïteit, stabiliteit en contact met beide ouders in Nederland.
De rechtbank oordeelde dat de verhuizing niet in het belang van het kind is, mede vanwege de behoefte aan structuur en continuïteit, de sterke band met de vader, en het feit dat het kind zelf aangaf bij de vader te willen blijven. De voorgestelde compensatiemaatregelen waren onvoldoende om de negatieve gevolgen te compenseren. De hoofdverblijfplaats werd daarom bij de vader vastgesteld.
Daarnaast stelde de rechtbank een zorg- en contactregeling vast waarbij het kind regelmatig via videobellen contact heeft met de moeder en vakanties bij haar doorbrengt. Ook werd bepaald dat het kind tot 14 jaar begeleid moet worden bij internationale vluchten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad gegeven.