Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15917

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
NL26.30274
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 5.1b derde lid VbArt. 5.1b vierde lid Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel bewaring vreemdeling op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet

Eiser, een Algerijnse vreemdeling, is in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet vanwege een concreet risico op onderduiken en een aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening.

Eiser betoogt dat hij een verblijfsrecht ontleent aan zijn relatie met een partner in Nederland en dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld bij de wijziging van de verantwoordelijke lidstaat. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden voor bewaring niet heeft betwist en dat deze gronden feitelijk juist en voldoende onderbouwd zijn.

De rechtbank oordeelt dat de overgelegde bewijsstukken onvoldoende zijn om het afgeleide verblijfsrecht op grond van het Unierecht aannemelijk te maken. Ook is verweerder voldoende voortvarend geweest bij de wijziging van de verantwoordelijke lidstaat van Spanje naar Duitsland.

De maatregel van bewaring is niet onrechtmatig gebleken en het beroep wordt ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.30274

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [persoon]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2005 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
- 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
3. Eiser voert aan dat hij een afgeleid verblijfsrecht ontleent aan zijn relatie met zijn partner in Nederland en zijn betrokkenheid bij de verzorging van haar kind. Verweerder heeft onvoldoende onderzocht of sprake is van een duurzaam gezinsleven dat leidt tot een verblijfsrecht op grond van het Unierecht. Verder stelt eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, omdat al voor de inbewaringstelling duidelijk was dat Spanje niet langer de verantwoordelijke lidstaat was voor de behandeling van zijn asielaanvraag en verweerder desondanks pas later de verantwoordelijke lidstaat heeft gewijzigd.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de aan de maatregel ten grondslag gelegde zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen en zijn voldoende om een significant risico op onderduiken aan te nemen.
5. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de overgelegde verklaring van de gestelde partner van eiser en de foto’s onvoldoende zijn om het gestelde afgeleide verblijfsrecht op grond van het Unierecht aannemelijk te maken. Niet is gebleken van een aanvraag waarin een dergelijk verblijfsrecht wordt beoordeeld. Ook heeft eiser de gestelde duurzame relatie en zorgtaken voor het kind van zijn partner niet met objectieve stukken onderbouwd. Verweerder heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om van rechtmatig verblijf uit te gaan.
6. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn stelling dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld vanwege de wijziging van de verantwoordelijke lidstaat. Verweerder heeft ter zitting inzichtelijk toegelicht hoe de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag van Spanje naar Duitsland is verschoven en welke stappen verweerder vervolgens heeft gezet. Uit het dossier volgt dat op 3 juni 2026 verweerder de autoriteiten van Duitsland heeft verzocht om eiser terug te nemen. Op 8 juni 2026 hebben de autoriteiten van Duitsland het verzoek aanvaard, waarna op 10 juni 2026 is aan eiser meegedeeld dat de verantwoordelijkheid van Spanje is verschoven naar Duitsland. Daarmee heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld.
7. Ook is overigens niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 12 juni 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.