Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord in reconventie van [partij B],
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
duurzame gemeenschappelijke huishoudingheeft gevoerd.
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft een geschil tussen Koninklijke Haagse Woningvereniging van 1854 (KHWV) en [partij B] over voortzetting van een huurovereenkomst na het overlijden van de oorspronkelijke huurder, de moeder van [partij B]. [partij B] vordert voortzetting van de huur op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro, stellende dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding met haar moeder voerde en aan alle wettelijke voorwaarden voldoet.
KHWV betwist de duurzame gemeenschappelijke huishouding en vordert vernietiging van het verstekvonnis en ontruiming van de woning. De kantonrechter beoordeelt de samenhang tussen de vorderingen en concludeert dat [partij B] voldoende feiten heeft gesteld die wijzen op een duurzame gemeenschappelijke huishouding, waaronder gezamenlijke kostenverrekeningen, bijdragen aan huishoudelijke lasten en langdurig samenwonen vanwege medische omstandigheden.
De kantonrechter oordeelt dat de vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst terecht is ingesteld binnen de wettelijke termijn en dat de duurzame gemeenschappelijke huishouding aannemelijk is. De vordering wordt toegewezen en het verstekvonnis bekrachtigd. De tegenvordering tot ontruiming wordt afgewezen omdat [partij B] niet zonder recht of titel in de woning verblijft. KHWV wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Voortzetting van de huurovereenkomst wordt toegewezen en ontruimingsvordering afgewezen wegens duurzame gemeenschappelijke huishouding.