ECLI:NL:RBDHA:2026:15889

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
NL26.23204
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel van bewaring en schadevergoeding

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was op 21 april 2026 opgeheven, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of de bewaring onrechtmatig was geweest in de periode vanaf 25 maart 2026 tot de opheffing.

De rechtbank had de maatregel reeds eerder getoetst en geoordeeld dat deze tot 25 maart 2026 rechtmatig was. Eiser stelde beroep in en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank besloot het onderzoek ter zitting achterwege te laten en de voortduring van de bewaring ambtshalve te toetsen, mede op grond van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Na ambtshalve toetsing concludeerde de rechtbank dat er geen grond was om het voortduren van de maatregel als onrechtmatig te beschouwen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23204

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Kurt-Gecoglu),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Procesverloop

Verweerder heeft op 17 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Verweerder heeft op 21 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 27 maart 2026 (in de zaak NL26.14918) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt (25 maart 2026), rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat de uitspraak van 27 maart 2026 op dit moment bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ter toetsing voorligt, maar dat dit niet afdoet aan het feit dat hier alleen de periode van 25 maart 2026 tot de opheffing van de maatregel op 21 april 2026 ter toetsing voorligt.
Ambtshalve toetsing
3. Eiser heeft op 23 april 2026 beroep ingesteld tegen de maatregel en aangekondigd dat de gronden van het beroep later zouden worden ingediend. Op 24 april 2026 heeft de rechtbank eiser medegedeeld dat de voortgangsrapportage bij verweerder was opgevraagd en dat eiser daar binnen twee werkdagen na ontvangst op kon reageren. Diezelfde dag heeft verweerder de voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier niet op gereageerd. Op 1 mei 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. De rechtbank toetst de voortduring van de bewaring daarom alleen ambtshalve.
4. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858) volgt dat de rechtbank gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. De rechtbank ziet met inachtneming van deze ambtshalve toetsing geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.