Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15877

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
NL 25 48510.
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 7:11 AwbArt. 8:72 AwbArt. 76 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende motivering hechte persoonlijke banden

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eisers tegen het besluit van 12 september 2025 waarbij hun aanvragen om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) werden afgewezen. De eisers zijn familieleden van een referent met een verblijfsvergunning asiel, die hen naar Nederland wil laten overkomen. De afwijzing was gebaseerd op het ontbreken van hechte en persoonlijke banden tussen de referent en zijn nichtje, broertjes en zusjes.

De rechtbank constateerde dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met relevante omstandigheden, zoals de vluchtelingenstatus van de familie en de bijzondere zorg- en beschermingsrol die de referent vervult. Ook was niet onderkend dat de banden door het overlijden van de moeder versterkt zijn. Hierdoor was het besluit niet deugdelijk gemotiveerd en moest het worden vernietigd.

Het beroep met betrekking tot de moeder werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang, omdat zij was overleden. De rechtbank droeg verweerder op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij een volledige heroverweging moet plaatsvinden, inclusief een belangenafweging. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht.

Uitkomst: Het bestreden besluit is vernietigd voor zover het betrekking heeft op het nichtje en de broertjes en zusjes, met opdracht tot hernieuwde beoordeling binnen acht weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48510

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] , eiseres 1, V-nummer: [V-nummer 1]

[eiser 2], eiseres 2, V-nummer: [V-nummer 2]
[eiser 3], eiseres 3, V-nummer: [V-nummer 3]
[eiser 4], eiseres 4, V-nummer: [V-nummer 4]
[eiser 5], eiser 1, V-nummer: [V-nummer 5]
[eiser 6], eiser 2, V-nummer: [V-nummer 6]
[eiser 7], eiseres 5, V-nummer: [V-nummer 7]
[eiser 8], eiser 3, V-nummer: [V-nummer 8]
[eiser 9], eiser 4, V-nummer: [V-nummer 9]
hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Inleiding

In het besluit van 12 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de afwijzing van hun aanvragen om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ongegrond verklaard.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op een zitting behandeld. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens was aanwezig [persoon 1] , referent. Als tolk is verschenen [persoon 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

1. Referent heeft een verblijfsvergunning asiel gekregen. Hij beoogt zijn gezinsleden te laten overkomen naar Nederland. Hij heeft gesteld dat hij eerst heeft geprobeerd om een mvv in het kader van nareis aan te vragen. Een mvv is een inreisvisum dat na aankomst in Nederland wordt omgezet in een verblijfsvergunning. Dit is echter niet gelukt. Vervolgens heeft hij voor eisers op 14 april 2022 bij verweerder aanvragen ingediend om verlening van een mvv in het kader van verblijf als familie- of gezinslid. Eiseres 1 is de moeder van referent. Eiseres 3 is een nichtje van referent. De overige eisers zijn broertjes en zusjes van referent. Hierbij heeft referent toegelicht dat de beide ouders van zijn nichtje zijn omgekomen bij een bomaanslag en dat zij sindsdien deel is gaan uitmaken van zijn gezin. Ook heeft hij toegelicht dat zijn eigen vader is vermoord, dat zijn moeder sindsdien de kostwinner is en dat hij daardoor meer zorgtaken is gaan verrichten binnen het gezin. Verder heeft referent toegelicht dat zijn gezin in Somalië in een gevaarlijke situatie verkeert omdat zij behoren tot een minderheidsstam.
2. In het besluit van 26 juni 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvragen afgewezen. Volgens verweerder heeft referent de identiteit van, en de familierechtelijke relatie met eisers niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft eisers op deze onderdelen echter het voordeel van de twijfel gegeven. Vervolgens heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er tussen referent en eisers geen sprake is van familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Referent valt niet onder het jongvolwassenenbeleid en er is geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid van zijn moeder. Daarnaast is er geen sprake van hechte persoonlijke banden met het nichtje en de broertjes en zusjes.
3. Referent en eisers hebben bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 10 juni 2025 is referent door verweerder gehoord over het bezwaar en op 11 augustus 2025 heeft referent geantwoord op schriftelijke vragen van verweerder. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en is hij grotendeels bij zijn standpunt gebleven. Verweerder neemt alsnog aan dat referent onder het jongvolwassenenbeleid valt, maar vindt dat het persoonlijke belang van referent bij hereniging met zijn moeder niet opweegt tegen het algemeen belang van Nederland. Verder vindt verweerder dat er nog altijd geen hechte persoonlijke banden kunnen worden aangenomen tussen referent en zijn nichtje, broertjes en zusjes. De verklaringen van referent dat hij moest oppassen als zijn moeder niet thuis was en dat hij af en toe kookte zijn daarvoor niet voldoende.
4. Referent en eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit. Zij voeren aan dat er ten aanzien van de moeder geen zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden. Ook voeren zij aan dat ten aanzien van het nichtje en de broertjes en zusjes ten onrechte geen hechte en persoonlijke banden zijn aangenomen. Het overstijgt volgens eisers namelijk het gebruikelijke dat referent niet alleen met hen samenwoonde, maar ook is gestopt met school om mede voor hen te kunnen gaan zorgen. Hierbij verwijzen eisers naar verweerders werkinstructie 2020/16 ‘Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM Pro’. Verweerder heeft dan ook ten onrechte de vervolgstap in de beoordeling, het verrichten van een belangenafweging, achterwege gelaten.
5. Daags voor de zitting is de rechtbank op de hoogte gebracht van het droevige feit dat de moeder van referent is overleden. Dit brengt mee dat niet verder kan worden ingegaan op het bestreden besluit en de beroepsgronden voor zover deze betrekking hebben op eiseres 1. Het beroep zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
6. Verweerder heeft tijdens de zitting gereageerd op de beroepsgronden. In de eerste plaats heeft verweerder naar voren gebracht dat er terecht geen belangenafweging is verricht ten aanzien van het nichtje en de broertjes en zusjes omdat er geen sprake is van hechte en persoonlijke banden tussen hen en referent. Voor het geval de rechtbank dat niet zou volgen, heeft verweerder ook nog naar voren gebracht dat de belangenafweging gelijkluidend zou zijn aan de belangenafweging zoals die ten aanzien van de moeder in het bestreden besluit is gemaakt.
De rechtbank oordeelt als volgt.
7. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder terecht geen hechte en persoonlijke banden heeft aangenomen tussen referent en zijn nichtje, broertjes en zusjes. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit beperkt tot de overwegingen dat referent na het overlijden van zijn vader, oom en tante op de kinderen moest passen als zijn moeder niet thuis was, dat referent af en toe kookte, en dat dit ondersteunende taken zijn die gebruikelijk zijn voor iemand van zijn leeftijd. Door zo te overwegen, heeft verweerder niet alle relevante aspecten in zijn beoordeling betrokken. Referent heeft een vluchtelingenstatus gekregen omdat hij behoort tot de minderheidsstam Jareerweyne. Verweerder heeft niet onderkend dat ook de gezinsleden tot deze stam behoren, en verweerder heeft nagelaten te beoordelen welke betekenis dit heeft voor het bestaan van hechte en persoonlijke banden. Hierbij is van belang dat referent niet heeft verklaard dat hij simpelweg op de kinderen moest passen, maar dat hij de verantwoordelijkheid had om hen te beschermen aangezien het voor hen in Somalië niet veilig is. Ook heeft verweerder niet onderkend dat referent heeft verklaard dat hij is gestopt met school, deels omdat er na het overlijden van zijn vader geen financiële middelen meer waren, maar ook deels omdat hij vaker thuis moest zijn voor de kinderen. Gelet hierop heeft verweerder zich niet zonder meer op het standpunt kunnen stellen dat referent een rol had in het gezin die voor een kind gebruikelijk is.
8. Dit brengt mee dat het bestreden besluit, voor zover dit ziet op het nichtje en de broertjes en zusjes, niet deugdelijk is gemotiveerd en moet worden vernietigd. Het ligt op de weg van verweerder om alsnog een deugdelijke beoordeling te maken van het bestaan van hechte en persoonlijke banden tussen referent en zijn nichtje, broertjes en zusjes. De rechtbank ziet daarom geen mogelijkheid om in te gaan op het verzoek van verweerder tijdens de zitting om de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit geheel in stand te laten. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen om opnieuw op het bezwaar van eisers te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Hierbij benadrukt de rechtbank dat er op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een volledige heroverweging moet plaatsvinden. Dit breng mee dat verweerder onder meer aandacht zal moeten besteden aan de stellingen van referent dat hij eisers nog altijd vanuit Nederland ondersteunt, en dat de banden verder zijn versterkt door het overlijden van de moeder.
9. Met gebruikmaking van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb ziet de rechtbank aanleiding om een kortere termijn te stellen voor het nemen van het nieuwe besluit dan de standaard beslistermijn in zaken als deze. Hiervoor is redengevend dat deze procedure nu al uitzonderlijk lang duurt. Verweerder heeft er meer dan twee jaar over gedaan om op de aanvraag te beslissen. In de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12996, is geoordeeld dat verweerder daardoor de wettelijke beslistermijn heeft overschreden. Deze beslistermijn bedraagt 90 dagen en kan worden verlengd met ten hoogste drie maanden. Vervolgens heeft verweerder er nog meer dan een jaar over gedaan om op het bezwaar te beslissen. Op grond van artikel 76, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 moet verweerder echter binnen negentien weken na het verstrijken van de bezwaartermijn op een bezwaar beslissen. Naast de lange duur van deze procedure weegt de rechtbank mee dat eisers zich in Somalië in een gevaarlijke situatie stellen te bevinden. De rechtbank zal verweerder hierom opdragen om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen.
10. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). Ook moet verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 194 vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep, voor zover dit betrekking heeft op eiseres 1, niet-ontvankelijk;
 verklaart het beroep voor het overige gegrond;
 vernietigt het bestreden besluit van 12 september 2025 in zoverre;
 draagt verweerder op om binnen acht weken opnieuw op het bezwaar van eisers te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;
 veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten ter hoogte van € 1.868 (achttienhonderdachtenzestig euro);
 bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 194 (honderdvierennegentig euro) moeten vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan op 11 juni 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.