ECLI:NL:RBDHA:2026:15860

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/09/702684 / JE RK 26-564
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 31 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens blijvende zorgen over ontwikkeling en veiligheid

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2011. De minderjarige woont bij de vader, die samen met de moeder het ouderlijk gezag heeft. Eerder was de ondertoezichtstelling reeds verlengd tot mei 2026.

De gecertificeerde instelling motiveert het verzoek met aanhoudende zorgen over de seksuele veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige. Hoewel de MST-therapie bij de vader en de minderjarige is afgerond met veiligheidsafspraken, is de draagkracht van de moeder onvoldoende en is het contact tussen moeder en kind nog niet stabiel. Traumabehandeling kan nog niet starten vanwege de instabiele thuissituatie.

De moeder voert verweer en stelt dat de ondertoezichtstelling geen toegevoegde waarde heeft en dat de situatie momenteel redelijk goed is. Zij verzoekt afwijzing of een kortere verlenging.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging zijn vervuld. Er zijn nog steeds zorgen over trauma en onveilige hechting, en de omgang tussen moeder en kind moet stabiel worden. De verlenging is noodzakelijk om de juiste hulpverlening en opvoedondersteuning te waarborgen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de ondertoezichtstelling verlengd tot 27 mei 2027.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 27 mei 2027 en de beschikking is direct uitvoerbaar verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/702684 / JE RK 26-564
Datum uitspraak: 12 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. N. van Amsterdam uit Leiden,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam] namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
Het geregistreerd partnerschap van de vader en de moeder is ontbonden.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] woont bij de vader.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 mei 2025 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 27 mei 2025.
2.5.
Bij beschikking van 6 oktober 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank het dictum van de beschikking van 19 mei 2025, voor zover luidende: “verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 27 mei 2025”, op grond van artikel 31 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verbeterd in “verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 27 mei 2026”.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De zorgen over [de minderjarige] zijn nog niet volledig weggenomen. Het afgelopen jaar is er MST-therapie ingezet bij De Viersprong, om te zorgen dat beide ouders meer zicht zouden krijgen op de seksuele veiligheid en ontwikkeling van [de minderjarige] . De therapie kwam moeizaam op gang, zowel bij de vader als de moeder. Uiteindelijk is het traject van de moeder gestopt omdat de draagkracht bij de moeder te laag was en er ook geen tot weinig contact was tussen [de minderjarige] en de moeder. Hierdoor is het onduidelijk of en, zo ja, hoe de moeder zicht houdt op de seksuele veiligheid en ontwikkeling van [de minderjarige] . De vader en [de minderjarige] hebben de therapie wel afgerond en er zijn veiligheidsafspraken gemaakt, waaronder over het (toezicht houden op het) telefoongebruik van [de minderjarige] . Dat neemt niet weg dat er zorgen blijven bestaan. De zorg is of de vader de handvatten die hij aangeleerd heeft tijdens de therapie blijvend kan vasthouden. De vader ziet de noodzaak namelijk nog onvoldoende in om blijvend met [de minderjarige] in gesprek te gaan over dit onderwerp. De gecertificeerde instelling vindt het daarom nodig om opvoedondersteuning in te zetten in de opvoedsituatie bij de vader. De vader staat hier (nog) niet voor open.
De gecertificeerde instelling vindt het verder belangrijk dat [de minderjarige] traumabehandeling krijgt, zodat zij leert omgaan met de nare gebeurtenissen die zij heeft meegemaakt en meer ruimte gaat ervaren om over haar emoties te praten. [de minderjarige] is aangemeld voor traumabehandeling, maar dat kan op dit moment niet starten omdat haar thuissituatie te instabiel is. Het is eerst nodig dat er opvoedondersteuning wordt ingezet bij de vader.
Verder is het belangrijk dat het contact tussen de moeder en [de minderjarige] stabiel is. Daarvan is op dit moment nog geen sprake omdat de begeleide omgang tussen [de minderjarige] en de moeder nog altijd niet is gestart. Aangezien nog niet alle doelen zijn behaald is het noodzakelijk dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek. Daartoe heeft de moeder aangevoerd dat de ondertoezichtstelling geen toegevoegde waarde heeft. De afgelopen jaren is er weinig gebeurd. De begeleide omgang met de moeder is nog altijd niet van start, terwijl de kinderrechter in december 2025 een zorgregeling heeft vastgesteld waarbij er een duidelijk opbouwschema lag. De moeder heeft maanden moeten wachten op een intakegesprek bij Massive Care. Het is niet in het belang van [de minderjarige] dat de begeleide omgang zo lang heeft stilgelegen, vooral nu [de minderjarige] aangeeft de moeder te missen. Daarbij komt dat de vaste jeugdbeschermer is uitgevallen, waardoor er momenteel zelfs geen contactpersoon is voor het gezin. Hierdoor wordt het ook de komende maanden feitelijk onmogelijk om stappen te zetten. Volgens de moeder gaat het op dit moment best goed met [de minderjarige] . De moeder vreest dat een langere betrokkenheid van de gecertificeerde instelling juist alleen maar averechts werkt omdat er geen stappen worden gezet. Gelet hierop verzoekt de moeder dan ook primair het verzoek af te wijzen. Subsidiair verzoekt de moeder het verzoek slechts toe te wijzen voor zes maanden en het verzoek voor het overige aan te houden, zodat er over een halfjaar gekeken kan worden hoe de situatie dan is.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1]
5.2.
Daartoe overweegt de kinderrechter dat er nog steeds zorgen zijn over de ontwikkeling van [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft al veel meegemaakt in haar leven. Er wordt gezien dat zij moeite heeft met het uiten van haar emoties en het praten over haar thuissituatie. Er lijkt sprake te zijn van trauma en onveilige hechting, waardoor de inzet van hulpverlening noodzakelijk is. Traumbehandeling is echter nog altijd niet ingezet, omdat er geen sprake is van een stabiele opvoedsituatie. Daarvoor is het nodig dat de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] stabiel verloopt.
De kinderrechter heeft op zitting vernomen dat de begeleide omgang tussen de moeder en [de minderjarige] nu op korte termijn kan worden starten. Het is belangrijk dat regelmatig geëvalueerd wordt hoe de omgang verloopt, zodat uitbreiding van de omgang niet onnodig op zich laat wachten.
Daarnaast is het nodig dat er opvoedondersteuning wordt ingezet in de thuissituatie bij de vader. De afgelopen periode hebben de vader en [de minderjarige] MST-therapie gevolgd bij De Viersprong, gericht op de seksuele veiligheid en ontwikkeling van [de minderjarige] . Die hulpverlening is positief afgerond. Wel zijn er zorgen of de vader de geleerde vaardigheden blijvend kan toepassen in de opvoedsituatie. Nu er in het komende jaar nog veel moet worden ingezet voor [de minderjarige] , is de langere betrokkenheid van een jeugdbeschermer noodzakelijk. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] daarom voor de duur van een jaar. De gecertificeerde instelling moet toezicht houden op de ontwikkeling en veiligheid van [de minderjarige] en ervoor zorgen dat de juiste hulpverlening wordt ingezet voor [de minderjarige] én de ouders.
5.3.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 27 mei 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 door
mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier, en op schrift gesteld op 4 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.