Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15821

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/09/702026 / KG ZA 26-312
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 RvArt. 7 Brussel II-terHaags Kinderbeschermingsverdrag 1961Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996artikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd in geschil over gezag en verblijf kinderen in VS

De vader vordert in kort geding dat de kinderen, die sinds april 2024 met de moeder in de Verenigde Staten verblijven, voorlopig aan hem worden toevertrouwd en dat de moeder diverse verplichtingen wordt opgelegd. De moeder is met de kinderen naar de VS vertrokken zonder de vader te informeren en woont daar met haar nieuwe echtgenoot. De vader startte eerder een bodemprocedure bij de rechtbank Midden-Nederland, die zich onbevoegd verklaarde omdat de kinderen hun gewone verblijfplaats niet meer in Nederland hadden.

De voorzieningenrechter bevestigt deze onbevoegdheid en past de afstemmingsregel toe, waardoor zij niet van het oordeel van de bodemrechter afwijkt. Er is geen sprake van nieuwe feiten die het oordeel kunnen wijzigen. De vader kan zich ook niet beroepen op artikel 5 Rv Pro omdat de kinderen niet terug in Nederland verblijven en er geen spoedeisende noodsituatie is.

De voorzieningenrechter benadrukt dat hoewel de zorgen van de vader begrijpelijk zijn, een procedure in Nederland niet de juiste weg is. De vader zal in de Verenigde Staten een procedure moeten starten om zijn belangen te behartigen. Iedere partij draagt de eigen proceskosten.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vorderingen van de vader omdat de kinderen hun gewone verblijfplaats in de Verenigde Staten hebben.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/702026 / KG ZA 26-312
Vonnis in kort geding van 12 mei 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. A.L. Weterings te Oegstgeest,
tegen:
[gedaagde], zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en buiten Nederland,
gedaagde,
advocaat mr. S. Gerrits te Eindhoven.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader’ en ‘de moeder’.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties (1 t/m 12);
- de conclusie van antwoord met twee producties;
- de op 28 april 2026 gehouden mondelinge behandeling.
1.2
De advocaat en de moeder hebben de voorzieningenrechter kort voor de mondelinge behandeling op 28 april 2026 schriftelijk meegedeeld dat zij niet aanwezig zullen bij de zitting.
1.3
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de (biologische) ouders van [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1] (verder: [minderjarige 1] ). De moeder is tevens de moeder van [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats 2] (verder: [minderjarige 2] ). [minderjarige 2] is door de vader erkend, maar de vader is niet zijn biologische vader. De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over beide kinderen.
2.2
De moeder is op of omstreeks 25 april 2024 met de kinderen vertrokken naar de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de VS) om zich daar te vestigen. Zij heeft de vader daarover van tevoren niet geïnformeerd.
2.3
In een vonnis van 11 juli 2024 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, bepaald dat voorlopig tussen de vader en de kinderen twee keer per week een videobelmoment zal plaatsvinden, op nader door partijen te bepalen momenten en tijdstippen, waarbij één moment in het weekend en één moment doordeweeks dienen plaats te vinden. Verder heeft de voorzieningenrechter de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om, vooruitlopend op de nog aanhangig te maken bodemprocedure, onderzoek te verrichten naar en te adviseren over welke verblijfplaats het meest in het belang van de kinderen is en welke omgangsregeling tussen de vader en de kinderen in het belang van de kinderen is.
2.4
De vader is een bodemprocedure gestart bij de rechtbank Midden-Nederland. In die procedure heeft de vader – samengevat – verzocht te bepalen dat hij samen met de moeder wordt belast met het gezag over de kinderen en dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vader zullen hebben, dan wel te bepalen dat de moeder moet terugverhuizen naar Nederland en een omgangsregeling vast te stellen. In de beschikking van 13 maart 2025 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van de door de vader ingediende verzoeken kennis te nemen. In de beschikking is, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
“3.3. De verzoeken die de vader heeft gedaan betreffen alle de ouderlijke verantwoordelijkheid. Aangezien de moeder met de kinderen in de VS verblijven, dient te worden beoordeeld of de Nederlandse rechter nog wel bevoegd is over deze verzoeken te oordelen.
Om de bevoegdheid van de rechtbank te kunnen bepalen dient de Europese Verordening
Brussel II-ter (hierna: Brussel II-ter) te worden toegepast.
Op grond van artikel 7 Brussel Pro II-ter is de Nederlandse rechter bevoegd ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid als het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft op
het moment dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt, dat wil zeggen het tijdstip
waarop het verzoekschrift bij de rechtbank is ingediend.
De bevoegdheid van de Nederlandse rechter kan – in de onderhavige procedure – niet worden ontleend aan het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 (HKBV 1961) en/of het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBV 1996), aangezien de Verenigde Staten van Amerika die verdragen niet heeft geratificeerd.
[…]
3.5.
Op basis van de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ten tijde van het indienen van het verzoekschrift door de vader op 9 september 2024 hun gewone verblijfplaats in de zin van Brussel II-ter niet meer in Nederland, maar in de Verenigde Staten van Amerika hadden.
[…]
3.7.
De gemeente [gemeente] , waar de moeder destijds woonde, heeft op 7 mei 2024 een onderzoek naar het BRP-adres gestart dat is geëindigd op 12 juli 2024, met als conclusie ‘Betrokkene woont niet meer op dit adres’. De datum van 25 juni 2024 is vermeld als ‘datum opschorting bijhouding’ met als reden ‘Emigratie’.
Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift door de vader op 9 september 2024 verbleven [minderjarige 2] en [minderjarige 1] dus al een paar maanden in de Verenigde Staten van Amerika ( [plaats] ). Zij wonen daar bij de moeder en haar nieuwe echtgenoot, hun stiefvader. Tijdens
het kort geding is al gebleken dat de moeder zwanger was. De moeder heeft ervoor gekozen
om met de kinderen bij haar huidige echtgenoot een nieuw leven in Amerika op te bouwen.
Een terugkeer naar Nederland is in haar ogen niet meer aan de orde.
Tijdens de zitting heeft de advocaat van de moeder verklaard dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] sinds eind
augustus 2024 met het begin van het nieuwe schooljaar, in de Verenigde Staten van Amerika
naar school gaan. In januari 2025 hebben zij een halfbroertje gekregen.
3.8.
Gelet op alle omstandigheden van het geval, concludeert de rechtbank dan ook dat de
kinderen, ten tijde van de indiening van het verzoekschrift, hun gewone verblijfplaats in de
Verenigde Staten van Amerika hadden. De jurisprudentie waar de vader naar verwijst maakt
dit, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet anders. Aan het beroep op, onder meer,
artikel 8 EVRM Pro komt de rechtbank niet toe.”
2.5
De vader heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 13 maart 2025 van de rechtbank Midden-Nederland.
2.6
De Raad voor de Kinderbescherming is op 9 september 2024 gestart met een onderzoek, maar heeft dit noodgedwongen afgerond zonder advies. In het Raadsrapport van 9 april 2025 is over de afronding van het onderzoek het volgende opgenomen:

De RvdK spreekt van een uiterst schrijnende situatie waaraan [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn en worden blootgesteld.
Gezien de onbevoegdheidsverklaring van de rechter in Nederland in de bodemprocedure dient de RvdK noodgedwongen onderhavig onderzoek zonder advisering af te ronden.
Dit betekent dat de RvdK zich niet verder kan uitlaten over de verkregen onderzoeksinformatie en hieraan geen conclusie kan verbinden nu de onderzoeksgrond is komen te vervallen.
De rechtbank heeft aan de RvdK in de beschikking van 13 maart 2025 haar wens/hoop kenbaar maakt ten aanzien van de rol van de RvdK inzake tot het totstand brengen van structureel contact tussen vader en de kinderen. De RvdK ziet hiertoe geen enkele mogelijkheid. Dit, omdat er op 11 juli 2024 in het vonnis staat opgenomen dat er videobelmomenten tussen vader en de kinderen dienen plaats te vinden. Bekend is echter dat deze regeling al maanden geenzins door moeder worden nagekomen.
Het verblijf van moeder en de kinderen in Amerika, een niet verdragsland bij het Haags kinderbeschermingsverdrag, maken het onmogelijk om door -welke professionele inmenging dan ook- hier verandering in aan te laten brengen. Ook wanneer het gaat om het overdragen van de zorgen naar een instantie in Amerika of het benaderen van professionals, zoals de politie, reiken de middelen van de RvdK hier niet toe. Tevens is uit het contact met de Ca gebleken dat de Ca eveneens geen mogelijkheid ertoe ziet om een zorgmelding te doen.
De RvdK staat volkomen machteloos in deze situatie en kan niets anders dan het belang naar ouders te benadrukken om zelfstandig mediation aan te gaan. Dit zodat de kinderen zo snel als mogelijk weer in contact kunnen en mogen treden met vader.”
2.7
De advocaat van de vader heeft de moeder bij e-mailbericht van 1 april 2026 laten weten dat de zitting in deze zaak op 28 april 2026 om 13.00 uur zal plaatsvinden. In reactie hierop heeft de moeder in haar e-mailbericht van 1 april 2026 het volgende aan de advocaat van de vader laten weten:
“Ik zal tegen die tijd al in the USA zijn. Want we waren hier tijdelijk op vakantie. Er is al een zitting geweest en de rechters hebben besloten dat de kinderen geworteld zijn in Amerika. En [minderjarige 1] en [minderjarige 2] na de aanval van meneer [eiser] op mij en [minderjarige 1] en mijn 1 jarige baby en mijn man willen de kinderen niets meer met hem te maken hebben. De aangiftes zijn al gedaan.
Hij mag naar de rechtbank gaan in Amerika.”

3.Het geschil

3.1
De vader vordert uitvoerbaar bij voorraad, zakelijk weergegeven:
I.
primair:
(i) dat de kinderen hangende de bodemprocedure voorlopig aan de vader worden toevertrouwd;
(ii) de moeder te veroordelen om de kinderen binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis aan de vader af te geven;
(iii) de moeder te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,-- voor elke dag dat de moeder niet voldoet aan het gevorderde onder (i) en/of (ii);
subsidiair:een in goede justitie te bepalen voorlopige zorgregeling te bepalen, waarbij de kinderen in ieder geval ieder weekend bij de vader verblijven;
II. te bepalen dat de moeder de vader periodiek, maandelijks, dient te informeren over de belangrijkste aangelegenheden van de kinderen, waaronder hun feitelijke verblijfadres, schoolgang, medische aangelegenheden en door het verstrekken van een foto van de kinderen;
III. te bepalen dat de moeder wordt verboden om zich, of de kinderen, buiten Nederland te (doen) begeven, zonder voorafgaande instemming althans toestemming van de rechtbank dan wel de vader, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag(deel);
IV. te bepalen dat de moeder binnen twee dagen de identiteitsbewijzen van de kinderen aan de vader moet afgeven, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag(deel).
3.2
Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan.
De moeder handelt niet alleen in strijd met de afgesproken omgangsregeling, maar ook in strijd met het belang van de kinderen. Bovendien handelt zij in strijd met haar verplichting tegenover de vader het contact tussen hem en de kinderen te bevorderen. Het is van belang dat de kinderen per omgaande terugkeren naar hun vertrouwde, veilige en sociale omgeving, zodat er aan de contact- en omgangsverplichting kan worden voldaan. De kinderen gingen voordat de moeder met de kinderen naar de VS is verhuisd in Nederland naar school en hebben hun sociale en familiale leven in Nederland.
De kinderen zijn al twee jaar niet naar school gegaan en hebben rondgereisd in de VS en hebben daar geen vaste woon- of verblijfplaats. De moeder en haar nieuwe partner zijn aangesloten bij de kerk en zouden door het land rondtrekken om door “genezingen” geld te verkrijgen van gelovigen. Er bestaan ernstige zorgen over de kinderen en het feit dat ze hun vader niet zien en niet naar school gaan. Zeker gezien het feit dat [minderjarige 1] een behoorlijke taalachterstand had bij het vertrek naar de VS. Dit alles maakt het noodzakelijk om deze procedure te starten.
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 5 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) bevoegd om van de vorderingen kennis te nemen, omdat de zaak met de Nederlandse rechtssfeer is verbonden en de Nederlandse rechter in staat geacht wordt het belang van de kinderen naar behoren te beoordelen. Zo heeft de vader de Nederlandse nationaliteit en woont hij in Nederland. De kinderen hebben daarbij de Nederlandse nationaliteit en zij zijn hier geboren en opgegroeid en spreken de taal. Daarnaast verblijven de kinderen op dit moment in Nederland en gaat het om een tijdelijke beslissing, aldus de vader.
3.3
De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4 De beoordeling van het geschil
4.1
De voorzieningenrechter moet allereerst het preliminaire verweer van de moeder beoordelen. Dat betreft de stelling dat de Nederlandse rechter onbevoegd is van de vorderingen van de vader kennis te nemen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit verweer slaagt en overweegt hierover het volgende.
4.2
De rechtbank Midden-Nederland heeft zich in de beschikking van 13 maart 2025 onbevoegd verklaard kennis te nemen van de vorderingen van de vader, omdat – kort gezegd – de kinderen toen hun gewone verblijfplaats niet meer in Nederland hadden, maar in de VS. Tegen deze beschikking is geen hoger beroep ingesteld. Op grond van de zogenoemde afstemmingsregel dient de voorzieningenrechter in deze procedure haar beslissing op dat oordeel van de bodemrechter af te stemmen. In dit geval is er geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken.
Gesteld noch gebleken is dat dit oordeel van de bodemrechter op een klaarblijkelijke misslag berust. Evenmin is gebleken dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, waarvan de bodemrechter geen kennis heeft kunnen nemen en die maken dat het oordeel van de bodemrechter niet in stand kan blijven.
4.3
Het beroep op artikel 5 Rv Pro kan de vader evenmin baten. Niet is gebleken dat de kinderen na de uitspraak van de bodemrechter hun gewone verblijfplaats weer in Nederland hebben. Het enkele feit dat de moeder volgens de vader met de kinderen in het kader van kerkdiensten regelmatig in Nederland verblijft, is daarvoor onvoldoende. Dat klemt te meer nu de moeder heeft aangevoerd dat zij weliswaar geregeld op en neer reist, maar dat de kinderen recent slechts mee waren in het kader van een vakantie, dat zij daadwerkelijk in de VS wonen en daar ook naar school gaan. Dat strookt met het feit dat de moeder en de kinderen niet meer in Nederland staan geregistreerd en in de BRP is vermeld dat zij zijn geëmigreerd.
Nu de moeder en de kinderen feitelijk al 2 jaar geleden Nederland hebben verlaten en door de moeder gemotiveerd is weersproken dat de kinderen momenteel in een onhoudbare situatie verkeren, is niet gebleken van een spoedeisende noodsituatie van de kinderen die noopt tot een ordemaatregel op grond van artikel 5 Rv Pro.
4.4
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de voorzieningenrechter onbevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van de vader.
4.5
De voorzieningenrechter merkt nog op dat het volstrekt begrijpelijk is dat de vader zich zorgen maakt en alles doet om het contact met de kinderen te herstellen en daarom ook deze procedure is gestart. Een procedure in Nederland is echter niet de geëigende weg. De vader zal, als hij er niet alsnog in slaagt in der minne het contact te herstellen, in de VS een procedure moeten starten.
4.6
In de omstandigheid dat partijen ex-partners zijn en dit geschil hun kinderen betreft, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1
verklaart zich onbevoegd van de vorderingen van de vader kennis te nemen;
5.2
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.
AW