Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.De feiten in conventie en in reconventie
3.Het geschil
subsidiair op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag;
Rechtbank Den Haag
Partijen zijn gehuwd geweest van 2021 tot 2025 en hebben twee minderjarige kinderen. De echtelijke woning is volledig eigendom van de man. In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de vrouw de woning zes maanden na inschrijving van de echtscheiding mag bewonen, tot 20 mei 2026, onder betaling van een gebruiksvergoeding.
De man vordert ontruiming van de woning per 20 mei 2026 en uitbreiding van de zorgregeling, terwijl de vrouw verzoekt om verlenging van het gebruiksrecht van de woning en nakoming van financiële verplichtingen. De voorzieningenrechter constateert dat de vrouw nog geen alternatieve woonruimte heeft gevonden, maar geeft haar een korte termijn tot 30 augustus 2026 om de woning te verlaten, rekening houdend met het belang van de kinderen bij stabiliteit.
De zorgregeling wordt voorlopig vastgesteld op een weekendregeling met aanwezigheid van opa en oma, totdat een bodemprocedure een definitieve regeling kan vaststellen. Financiële vorderingen van de vrouw worden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.
Uitkomst: De vrouw moet de woning uiterlijk 30 augustus 2026 ontruimen en de voorlopige zorgregeling wordt vastgesteld met weekendverblijf bij de man.