Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15805

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/09/701080 / FA RK 26-2372
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming vakantie en afwijzing overige verzoeken in gezagszaak

Partijen zijn gescheiden ouders die gezamenlijk gezag over hun drie minderjarige kinderen uitoefenen. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder en verblijven volgens een zorgregeling deels bij de vader. De moeder verzoekt vervangende toestemming voor een vakantie met de kinderen naar Barcelona in juli 2026, alsmede diverse andere verzoeken zoals wijziging hoofdverblijfplaats, inschrijving bij scholen en verenigingen, en een verhuisbevel.

De vader weigert toestemming voor de vakantie niet, maar wenst overleg over een andere verdeling van de zomervakantie. De rechtbank oordeelt dat de vakantie in het belang van de kinderen is en verleent vervangende toestemming. De overige verzoeken, die samenhangen met de hoofdverblijfplaats en zorgregeling, worden afgewezen omdat hierover hoger beroep loopt bij het hof. De rechtbank benadrukt dat de ouders onvoldoende overleg hebben gevoerd over de nieuwe woonsituaties en dat het hof hierover zal beslissen.

De rechtbank bepaalt dat de huidige zorgregeling en schoolplaatsing gehandhaafd blijven tot het hof uitspraak doet. De ouders worden aangespoord om na de uitspraak overleg te voeren over buitenschoolse activiteiten en hulpverlening. Iedere partij draagt haar eigen proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming voor de vakantie naar Barcelona en wijst overige verzoeken af.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-2372
Zaaknummer: C/09/701080
Datum beschikking: 12 mei 2026

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 10 maart 2026 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. Mulder in Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg in Leidschendam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 16 maart 2026 van de zijde van de moeder, met bijlagen;
  • het F9-formulieren van 8 april 2026 van de zijde van de moeder, met aanvullend verzoek en bijlagen;
  • het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken;
  • het F9-formulier van 10 april 2026 van de zijde van de moeder, met bijlagen.
De minderjarige [minderjarige 1] is uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter op 13 april 2026.
Op 14 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder met zijn advocaat;
  • de vader met haar advocaat;
  • [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd geweest van [dag 1] 2010 tot [dag 2] 2026.
  • Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2022 te
[geboorteplaats] .
  • De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 28 oktober 2025 is – voor zover hier van belang –:
- bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben bij de moeder;
- bepaald dat de kinderen bij de vader zijn:
voor de periode dat de vader nog niet in, dan wel rondom, [plaats] woont:
- elk weekend, met uitzondering van het eerste weekend, waarbij de vader [minderjarige 3] om 09.00 uur ophaalt bij de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ophaalt van school, en de moeder de kinderen op zondag om 17.00 uur ophaalt bij de vader;
- wekelijks op dinsdagmiddag, waarbij de vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit school haalt en [minderjarige 3] ophaalt van de crèche en de vader de kinderen om 19.00 uur, na het avondeten terugbrengt naar de moeder;
vanaf het moment dat de vader in, dan wel rondom, [plaats] woont:
- de ene week van maandag uit school tot woensdag naar school bij de vader verblijven;
- de andere week van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijven;
- een vakantie- en feestdagenregeling bepaald;
- toestemming verleend aan de vader – welke toestemming die van de moeder vervangt – om de minderjarige [minderjarige 3] te doen inschrijven op [school 1] .

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt:
  • aan de moeder toestemming te verlenen – die de toestemming van de vader vervangt om de kinderen in te schrijven op [kindcentrum] of OBS [school 2] te [plaats] , zodat zij daar naar school gaan met ingang van het nieuwe schooljaar 2026/2027;
  • aan de moeder toestemming te verlenen – die de toestemming van de vader vervangt – om [minderjarige 1] in te schrijven bij Tennisvereniging [vereniging 1] ;
  • aan de moeder toestemming te verlenen – die de toestemming van de vader vervangt – om [minderjarige 2] in te schrijven bij voetbalvereniging [vereniging 2] ;
  • aan de moeder toestemming te verlenen – die de toestemming van de vader vervangt – voor een vakantie met de kinderen naar Barcelona, Spanje, van 25-30 juli 2026;
  • aan de moeder toestemming te verlenen – die de toestemming van de vader vervangt – om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in te schrijven bij [hulpverlener] ;
  • aan de moeder vervangende toestemming te verlenen – die de toestemming van de vader vervangt – om de kinderen in te schrijven bij Huisartsenpraktijk [praktijk] bij huisarts [naam 2] ;
  • de vader te veroordelen in de kosten van de procedure;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarbij verzoekt hij zelfstandig – en in zoverre met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 28 oktober 2025 –:
  • de moeder te bevelen om binnen drie maanden na datum van deze beschikking te verhuizen naar een woning gelegen binnen een straal van 3 kilometer vanaf de huidige school van de kinderen, de [school 1] ;
  • te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader zal zijn, en aan de vader toestemming te verlenen – die de toestemming van de moeder vervangt – om de kinderen op zijn adres in te schrijven bij de BRP als de moeder niet binnen drie maanden na datum van deze beschikking aan het bevel om terug te verhuizen heeft voldaan;
  • als de moeder niet aan het bevel tot terugverhuizen voldoet: een zorgregeling te bepalen, waarbij de kinderen bij de moeder zullen verblijven gedurende om de week vanaf donderdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school, althans een zodanige regeling die de rechtbank in het belang van de kinderen acht;
  • de moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen een bedrag aan salaris voor de advocaat van de vader;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

Vervangende toestemming vakantie
Op grond van artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kunnen in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening geschillen tussen de ouders op verzoek van beiden of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Gelet op het vijfde lid van artikel 1:253a BW beproeft de rechtbank een vergelijk tussen de ouders voordat zij een beslissing neemt.
De moeder wil in de tweede week van de zomervakantie, van 25 juli tot 30 juli 2026, met de kinderen naar Barcelona. Dat is de week waarin zij volgens de beschikking van 28 oktober 2025 de kinderen heeft. De vader weigert toestemming te verlenen.
De vader heeft ter zitting uitgelegd dat het niet zo is dat hij de toestemming voor een vakantie weigert. Hij wilde graag met de moeder in overleg over een andere verdeling van de zomervakantie dan in de beschikking van 28 oktober 2025 is bepaald en de regeling daarop aanpassen. De moeder heeft op dat verzoek echter geen reactie gegeven. Ze weigert in gesprek te gaan.
De rechtbank zal vervangende toestemming verlenen voor de reis naar Barcelona, en zij overweegt daartoe als volgt. Volgens de beschikking van 28 oktober 2025 verblijven de kinderen in de tweede week van de zomervakantie bij de moeder en de vakantie naar Barcelona valt in deze week. De rechtbank vindt een vakantie ook in het belang van de kinderen. De rechtbank ziet geen reden waarom de vakantie niet door zou moeten gaan. Dat de vader een andere zorgregeling wenst gedurende de vakanties doet niets af aan het feit dat voor komende zomer deze regeling is bepaald. De moeder moet in de gelegenheid gesteld worden om met de kinderen op vakantie te gaan. De rechtbank verleent daarom de vervangende toestemming.
Overige verzoeken
Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van deze rechtbank van 28 oktober 2025. Zowel de vader als de moeder stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de kinderen bij hem/haar het hoofverblijf moeten hebben en bij hem/haar in de buurt naar school moeten gaan. Door zowel de vader als de moeder zijn een aantal verzoeken gedaan, die nauw samenhangen met het antwoord op de vraag bij welke ouder de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben en waar zij komend schooljaar naar school gaan.
De echtelijke woning van partijen in de wijk [wijk 1] , is zoals bepaald in de beschikking van 28 oktober 2025 verkocht aan een derde en partijen hebben ieder inmiddels een andere woning gekocht; de moeder in [wijk 2] en de vader in [wijk 1] . Ter zitting is desgevraagd gebleken dat de moeder haar nieuwe woning in [wijk 2] heeft gekocht zodat zij dichter bij haar familie kan wonen en dat zij geen pogingen heeft ondernomen om een woning in de buurt van de school van de kinderen in [wijk 1] te vinden. De vader heeft bewust een woning in de buurt van de school van de kinderen gekocht. De kinderen staan sinds kort ingeschreven op het nieuwe adres van de moeder en de verhuizing zal op korte termijn plaatsvinden. De moeder heeft geen toestemming aan de vader gevraagd om met de kinderen naar [wijk 2] te mogen verhuizen. De moeder is van mening dat zij daartoe niet is gehouden, omdat het om een verhuizing naar een andere wijk binnen [plaats] gaat en de verhuizing volgens haar niet van invloed is op de zorgregeling tussen de vader en de kinderen.
De vader bestrijdt dit en vindt dat de moeder hem wel om toestemming had moeten vragen. De verhuizing is mede door de afstand tussen de nieuwe woning van de moeder en de nieuwe koopwoning van de vader in de buurt van de school van de kinderen in [wijk 1] van grote invloed op de uiteindelijke zorgregeling. Die zorgregeling staat nog niet definitief vast, omdat de vader hoger beroep heeft ingesteld tegen onder meer de beslissingen in de echtscheidingsbeschikking van 28 oktober 2025 over het hoofdverblijf van de kinderen en de zorgregeling en de vader van meet af aan duidelijk heeft aangegeven dat hij wil dat de zorg voor de kinderen bij helfte wordt gedeeld.
De rechtbank constateert dat de communicatie tussen de ouders slecht is. De ouders hebben elkaar het afgelopen half jaar niet, althans onvoldoende, meegenomen in het verloop van hun zoektochten naar een nieuwe woning terwijl zij ook niet actief bij elkaar hebben geïnformeerd naar de stand van zaken. Beide ouders zeggen verrast te zijn door de aankoop van een nieuwe woning door de andere ouder. Het lijkt erop dat elke ouder de andere ouder - en mogelijk ook de rechtbank in onderhavige procedure danwel het hof in het hoger beroep- met de aankoop van een nieuwe woning voor een voldongen feit heeft willen plaatsen waarop volgens hem/haar de schoolgang en de zorgregeling afgestemd zou moeten worden. Het had op de weg van beide ouders gelegen hierover met elkaar te overleggen en dat is niet gebeurd. De ouders hebben daarbij onvoldoende oog gehad voor de belangen van de kinderen en elkaars belangen.
In het lopende hoger beroep vindt de mondelinge behandeling in juni 2026 plaats en dus zal het hof binnen afzienbare tijd, in ieder geval voor de aanvang van het nieuwe schooljaar 2026/2027, oordelen over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling. Het hof zal oordelen op basis van alle feiten en omstandigheden op dat moment waaronder de verhuizingen van de ouders. De verzoeken van de vader tot wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 28 oktober 2025 ten aanzien van het hoofdverblijf en de zorgregeling merkt de rechtbank aan als een verkapt hoger beroep. Het juridisch debat daarover dient hangende het hoger beroep niet bij de rechtbank maar bij het hof te worden gevoerd.
Omdat de beslissing van het hof over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling mede bepalend zal zijn voor de kwestie waar de kinderen naar school en de huisarts gaan, zal dit oordeel van het hof moeten worden afgewacht en zal de rechtbank in de tussentijd daarin geen wijziging aanbrengen. Daarbij merkt de rechtbank op dat tussen partijen niet in geschil is dat de kinderen dit schooljaar op hun school in [wijk 1] blijven en dat de huidige zorgregeling uitgevoerd kan blijven worden. De vader heeft verzocht om de moeder te bevelen binnen drie maanden na de datum van deze beschikking terug te verhuizen en de vader vervangende toestemming te verlenen om de kinderen op zijn adres in te schrijven als de moeder niet binnen drie maanden terugverhuist. Omdat het hof naar verwachting binnen de door de vader genoemde periode van drie maanden een uitspraak zal doen terwijl de kinderen zoals hiervoor ook al is aangegeven dit schooljaar op hun school in [wijk 1] blijven en de huidige zorgregeling uitgevoerd kan blijven worden, worden deze verzoeken bij gebrek aan belang afgewezen.
Als gevolg van de impasse die tussen ouders is ontstaan heeft, zo is ter zitting gebleken, nog geen enkel inhoudelijk overleg plaatsgevonden tussen de ouders over de buitenschoolse activiteiten van de kinderen. De rechtbank is van oordeel dat de ouders te zijner tijd, zodra er duidelijkheid is over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling, met elkaar in gesprek moeten gaan over de buitenschoolse activiteiten en op welke plek deze het beste kunnen plaatsvinden. De ouders kunnen pas een uitspraak van de rechtbank vragen als na overleg sprake blijkt te zijn van een geschil.
Ten aanzien van de aanmelding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij het traject [hulpverlener] overweegt de rechtbank dat zij niet het idee heeft dat de vader hulpverlening voor de kinderen tegenhoudt. De rechtbank denkt echter dat dit nog niet het aangewezen moment is om hulpverlening voor de kinderen te gaan starten. Als na de uitspraak van het hof alles in een rustiger vaarwater terechtkomt is het een beter moment om de kinderen daarmee te laten starten. De rechtbank rekent erop dat de ouders ook daarover het overleg zoeken. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat de vader dan zijn toestemming zal weigeren.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande de verzoeken van beide partijen – met uitzondering van het verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor de zomervakantie naar Barcelona, Spanje – afwijzen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Beslissing

De rechtbank:
verleent aan de moeder – welke toestemming die van de vader vervangt – voor het reizen naar Barcelona (Spanje), in de periode van 25 tot 30 juli 2026 met de minderjarigen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2022 te [geboorteplaats] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 12 mei 2026.