ECLI:NL:RBDHA:2026:15790

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/09/683732 / FA RK 25-2876
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:395a BWArt. 1:392 lid 2 BWArt. 1:401 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie voor jong-meerderjarige studerende kind

Partijen zijn gehuwd geweest van 1996 tot 2013 en zijn ouders van een jong-meerderjarige die tijdens de procedure meerderjarig werd en een hbo-opleiding volgt. De moeder verzoekt de rechtbank om de alimentatie te verhogen van €100 naar €996,87 per maand met ingang van 1 september 2025. De man verzet zich en doet een zelfstandig verzoek tot een lagere bijdrage.

De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, waaronder het hogere inkomen van de man en de studiekosten van het kind. De behoefte van het kind wordt vastgesteld op €570 per maand in 2025 en €641 in 2026, rekening houdend met studiefinanciering en het ontbreken van eigen inkomen.

De draagkracht van de man wordt berekend op €417 per maand na aftrek van andere alimentatieverplichtingen, en die van de vrouw op €25. Omdat de gezamenlijke draagkracht lager is dan de behoefte, wordt de alimentatie vastgesteld op het maximale bedrag dat de man kan betalen, namelijk €417 per maand vanaf 1 september 2025, met een indexering naar €436 per maand vanaf 1 januari 2026.

De rechtbank wijst het meer of anders verzochte af en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de kinderalimentatie en legt een bijdrage van €417 per maand vanaf 1 september 2025 en €436 per maand vanaf 1 januari 2026 op aan de vader.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-2876
Zaaknummer: C/09/683732
Datum beschikking: 12 mei 2025

Alimentatie

Beschikking op het op 8 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
tevens gemachtigde van de jong-meerderjarige [jongmeerderjarige] ,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.G. Weitkamp in Gouda.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
advocaat: mr. S. Biskanter in Haarlem.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het bericht van 17 april 2025, met bijlagen, van de vrouw;
  • het verweerschrift met een zelfstandig verzoek;
  • het verweerschrift op het zelfstandig verzoek;
  • het F9-formulier van 16 juli 2025, van de vrouw.
  • het bericht van 16 juli 2025, van de vrouw.
  • het F9-formulier van 31 maart 2026, met bijlagen, van de man;
  • het F9-formulier van 2 april 2026, met bijlagen, van de vrouw.
Op 14 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw met haar advocaat;
  • de man met zijn advocaat.
Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd.
Toen de vrouw het verzoekschrift bij de rechtbank indiende, was het kind van partijen waarop deze alimentatiewijzigingsprocedure betrekking heeft nog minderjarig en lag de ingangsdatum van de verzochte wijziging na het bereiken van de jong-meerderjarigheid. Daarom kon dit kind bij aanvang van de procedure niet zelfstandig een wijzigingsverzoek indienen. Het kind heeft na het bereiken van de jong-meerderjarigheid haar moeder gemachtigd om namens haar te procederen.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd geweest van [dag 1] 1996 tot [dag 2] 2013.
  • Zij zijn de ouders van de gedurende de procedure jong-meerderjarig geworden [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] .
  • [jongmeerderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
  • Partijen zijn ook de ouders van drie andere meerderjarige kinderen.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 24 juni 2013 is – voor zover hier van belang – bepaald dat de man aan de vrouw een alimentatie van € 100,- per maand per kind dient te betalen.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad:
- de beschikking van 24 juni 2013 te wijzigen ten aanzien van de kinderalimentatie van [jongmeerderjarige] , en deze vast te stellen op € 996,87 per maand, met ingang van 1 september 2025.
De vrouw heeft op 16 juli 2025 een machtiging overgelegd waaruit volgt dat de jong-meerderjarige [jongmeerderjarige] haar heeft gemachtigd haar in rechte te vertegenwoordigen ten aanzien van het alimentatieverzoek.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – wordt besproken. Hierbij verzoekt hij zelfstandig:
  • primair:de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige] vast te stellen op € 100,- per maand, met ingang van 1 september 2025;
  • subsidiair:de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige] vast te stellen op € 262,- per maand, met ingang van 1 september 2025, dan wel een dusdanig bedrag vast te stellen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.
De vrouw voert verweer tegen het zelfstandige verzoek van de man.

Beoordeling

Ontvankelijkheid
Ingevolge artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
Er is volgens de vrouw sprake van een wijziging van omstandigheden, omdat de man meer is gaan verdienen, maar ook omdat [jongmeerderjarige] een Hbo-opleiding volgt. De behoefte van een studerend kind is hoger. Er moet volgens de vrouw daarom een nieuw bedrag aan kinderalimentatie worden vastgesteld.
De rechtbank is van oordeel dat inderdaad sprake is van een wijziging van omstandigheden. De rechtbank zal de vrouw daarom ontvangen in het verzoek en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de rechterlijke uitspraak.
Inhoudelijke beoordeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:395a BW bestaat de verplichting van ouders om te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen (jong-meerderjarigen) in de leeftijd van 18 tot 21 jaar. Deze kinderen kunnen jegens de ouders een zelfstandig recht op een bijdrage in die kosten geldend maken. Op grond van artikel 1:392 lid 2 BW Pro geldt de onderhoudsplicht ook indien de jong-meerderjarige niet behoeftig is.
Ingangsdatum
De rechtbank ziet aanleiding om eerst de ingangsdatum te bespreken. De rechtbank zal de ingangsdatum, overeenkomstig het verzoek van de vrouw, bepalen op 1 september 2025. Het verzoek is ingediend op 8 april 2025, met een ingangsdatum die toen nog in de toekomst gelegen was. De man heeft daarom rekening kunnen houden met een hogere bijdrage aan alimentatie met ingang van 1 september 2025.
De rechtbank zal gelet op de hiervoor bepaalde ingangsdatum voor de draagkracht rekenen met de inkomensgegevens uit 2025.
Behoefte [jongmeerderjarige]
Partijen zijn tot overeenstemming gekomen voor wat betreft de behoefte van [jongmeerderjarige] . Zij sluiten beiden aan bij de WSF-norm voor een thuiswonende Hbo-student en houden rekening met de aanspraak op studiefinanciering. [jongmeerderjarige] heeft geen substantieel eigen inkomen dat haar behoefte zou kunnen verlagen.
De behoefte van [jongmeerderjarige] wordt daarom vastgesteld, zoals de man en de vrouw samen hebben afgesproken, op € 570,- per maand in 2025. Voor 2026 bedraagt haar behoefte
€ 641,- per maand.
De man en de vrouw zijn beiden onderhoudsplichtig voor [jongmeerderjarige] . De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding de behoefte van [jongmeerderjarige] tussen hen moet worden verdeeld.
Draagkracht vrouw
Partijen zijn het erover eens dat de draagkracht van de vrouw € 25,- per maand bedraagt, zodat de rechtbank dat zal volgen.
Draagkracht man
Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 3.913,- bruto per 4 weken exclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de door de man overlegde salarisspecificatie van periode 4 van 2025.
De rechtbank houdt verder rekening met:
  • de premie op van € 293,- per vier weken;
  • de WGA van € 50,- per vier weken.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 3.222,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Door de man is gesteld dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening gehouden moet worden met de kosten van het chalet dat hij samen met zijn partner huurt. Dit chalet gebruikt de man om uitoefening te geven aan de zorgregeling met een ander kind. De vrouw is het hier niet mee eens. De kosten van het chalet zijn volgens haar vermijdbare en verwijtbare lasten, die de alimentatie voor [jongmeerderjarige] niet negatief zouden moeten beïnvloeden.
De rechtbank overweegt dat zij geen rekening zal houden met de kosten aan het chalet. Van een noodzaak voor het huren van het chalet is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Net als de vrouw is de rechtbank van oordeel dat de kosten vermijdbaar zijn, de man kan immers de huur opzeggen.
Door de man is ook gesteld dat hij naast de kosten van het chalet hoge woonlasten heeft. De rechtbank begrijpt uit deze stelling dat hij wil dat er afgeweken wordt van het woonbudget. De vrouw heeft de hoge woonlasten betwist en de lasten zijn door de man niet verder onderbouwd. De rechtbank gaat daarom aan de stelling voorbij.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.310,-)]. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [3.222 – (967 + 1.310)] = € 662,- per maand.
Partijen zijn het erover eens dat bij de draagkracht van de man wel rekening gehouden moet worden met de alimentatie van € 245,- per maand die hij voor zijn dochter [naam] betaalt. De rechtbank zal dit bedrag in mindering brengen op zijn draagkracht. De draagkracht om in de behoefte van [jongmeerderjarige] te voorzien is dan [€ 622,- - € 245,-] = € 417,- per maand.
Gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van de man en de vrouw bedraagt gezamenlijk € 442,- (€ 417,- + € 25,-). Dit is niet voldoende om in de behoefte van [jongmeerderjarige] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 128,- per maand.
Omdat [jongmeerderjarige] meerderjarig is, zal de rechtbank geen rekening houden met een zorgkorting.
De man en de vrouw moeten daarom maximaal, naar hun draagkracht, bijdragen in de behoefte van [jongmeerderjarige] .
Conclusie
De rechtbank bepaalt de door de man te betalen alimentatie ten behoeve van [jongmeerderjarige] op
€ 417,- per maand, met ingang van 1 september 2025.
Omdat de wijziging in de bijdrage ingaat op een datum gelegen voor 1 januari 2026 verhoogt de rechtbank de bijdrage per 1 januari 2026 met de wettelijke indexering van 4.6%. Vanaf 1 januari 2026 dient de man daarom een bedrag van € 436,- per maand aan alimentatie te voldoen.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat de alimentatie die de man voor de periode vanaf 1 september 2025 voor [jongmeerderjarige] al betaald heeft in mindering komt op de alimentatie die de rechtbank nu vaststelt.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 24 juni 2013 – :
bepaalt de door de man te betalen alimentatie voor de jong-meerderjarige [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , met ingang van 1 september 2025 op € 417,- per maand, en met ingang van 1 januari op € 436,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.DA. Geleijns, rechter, bijgestaan door mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 12 mei 2026.