ECLI:NL:RBDHA:2026:15779

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/09/688180 / FA RK 25-5174
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • R.S. Matthijssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 815 lid 2 RvArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met zorgregeling en kinderalimentatie vastgesteld ondanks ontbreken ouderschapsplan

Partijen zijn gehuwd sinds 2010 en hebben drie minderjarige kinderen. De vrouw verzoekt de echtscheiding uit te spreken, de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen, een zorgregeling vast te stellen en kinderalimentatie toe te wijzen. De man verzet zich tegen de echtscheiding en stelt een wilsgebrek bij het ondertekende echtscheidingsconvenant.

De rechtbank oordeelt dat het ontbreken van een ouderschapsplan niet tot niet-ontvankelijkheid leidt, omdat de man niet meewerkt aan overleg en het vereiste ouderschapsplan niet bedoeld is om echtscheiding te blokkeren. De duurzame ontwrichting van het huwelijk is vastgesteld, waardoor de echtscheiding wordt uitgesproken.

De rechtbank neemt het door partijen ondertekende convenant op in de beschikking en wijst het subsidiaire verzoek tot verdeling van de gemeenschap van goederen af. De hoofdverblijfplaats van de kinderen wordt bij de vrouw vastgesteld. De zorgregeling blijft conform de voorlopige voorzieningen, waarbij de kinderen één weekend per veertien dagen bij de man verblijven en vakanties en feestdagen worden verdeeld.

De man verzoekt een uitgebreidere zorgregeling, maar de rechtbank acht dit niet in het belang van de kinderen vanwege gebrek aan draagvlak en praktische bezwaren. De kinderalimentatie wordt afgewezen omdat de draagkracht van de man door zorgkorting nihil is. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de echtscheiding zelf.

Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit, stelt de zorgregeling en hoofdverblijfplaats vast en wijst het verzoek tot kinderalimentatie af.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 25-5174 (echtscheiding) en FA RK 25-8118 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/688180 (echtscheiding) en C/09/693686 (verdeling)
Datum beschikking: 12 mei 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 9 juli 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.P. Lagerweij in Delft .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.W. Stok in Delft .

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 16 juli 2025 van de vrouw, met bijlage;
  • het verweerschrift, met zelfstandige verzoeken, ingekomen op 30 september 2025;
  • het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken, ingekomen op 24 oktober 2025, met bijlagen;
  • het bericht van 26 maart 2026 van de vrouw, met bijlagen.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben in raadkamer hun mening kenbaar gemaakt.
Op 7 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd op [datum] 2010 in [plaats 1] .
  • Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2016 in [geboorteplaats] .
  • De kinderen verblijven op dit moment bij de vrouw;
  • Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
  • Deze rechtbank heeft op 21 augustus 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende dat:
  • de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning in [plaats 2] aan de [adres] ;
  • de kinderen aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
  • de kinderen voorlopig één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na het avondeten tot zondagmiddag 15.00 uur bij de man verblijven;
  • voorlopig de volgende vakantie- en feestdagenregeling zal gelden:
  • in de zomervakantie heeft de vrouw het recht om de kinderen drie aaneengesloten weken bij zich te hebben en de man twee aaneengesloten weken. Voor zover partijen hiervan geen gebruik maken loopt de reguliere zorgregeling door;
  • tijdens de voorjaars-, mei-, en herfstvakantie loopt de reguliere zorgregeling door. Mocht de man of de vrouw met de kinderen weg willen, dan kan dit in onderling overleg;
  • tijdens de kerstvakantie verblijven de kinderen in de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man;
  • de kinderen zullen op Vaderdag bij de man zijn en op Moederdag bij de vrouw;
  • de kinderen vieren hun verjaardag daar waar zij conform de overeengekomen reguliere zorgregeling verblijven. Zo lang de verhouding tussen partijen dat toelaat nodigen partijen elkaar uit om de verjaardagen mee te vieren;
  • de ouder waar de kinderen verblijven brengt de kinderen naar de andere ouder wanneer er gewisseld moet worden;
- de man aan de vrouw, met ingang van datum beschikking
voorlopigeen kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen van € 200,- per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;
  • te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijf zullen hebben bij de vrouw;
  • een zorg- en opvoedingsregeling vast te stellen als beschreven in het lichaam van het verzoekschrift;
  • te bepalen dat de man met ingang van de dag van indiening van het verzoekschrift als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 300,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
  • te bepalen dat de vrouw de huurster zal zijn van de echtelijke woning, gelegen in [plaats 2] aan de [adres] ;
  • primair: de door partijen getroffen regeling van hun betrekking na de echtscheiding, zoals neergelegd in het tussen partijen gesloten en aan het verzoekschrift gehechte convenant, op te nemen in de beschikking;
subsidiair: de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen vast te stellen als beschreven in het lichaam van het verzoekschrift.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt hij zelfstandig:
  • te bepalen dat de man huurder zal zijn van de echtelijke woning aan de [adres] in [plaats 2] ;
  • te bepalen dat de kinderen ieder weekend van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de man zullen verblijven;
  • te bepalen dat de kinderen 50% van alle vakanties bij de man zullen verblijven.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding
Ontvankelijkheid – ouderschapsplan
De vrouw heeft geen ouderschapsplan ingediend, zoals op grond van artikel 815 tweede Pro lid Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is vereist. Toch zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding. De rechtbank neemt daarbij allereerst in aanmerking dat de vrouw onbetwist heeft gesteld dat zij een concept-ouderschapsplan naar de man heeft gestuurd en hij daarop niet heeft gereageerd. Ook betrekt de rechtbank in haar oordeel dat de man zelf niets heeft ondernomen om met de vrouw in overleg te treden over de gevolgen van de echtscheiding voor de kinderen en dat uit hetgeen door en namens de man ter zitting naar voren is gebracht, duidelijk is geworden dat hij op dit moment niet openstaat voor overleg met de vrouw. Naar het oordeel van de rechtbank kan onder deze omstandigheden een ouderschapsplan redelijkerwijs niet worden overgelegd.
Daarnaast merkt de rechtbank in dit kader op dat het vereiste om een ouderschapsplan over te leggen is bedoeld om te bevorderen dat de ouders in een vroegtijdig stadium nadenken over de invulling van het ouderschap na de scheiding en daarover goede afspraken maken, en niet om een partij die het huwelijk wil laten voortduren een middel te geven om de echtscheiding te belemmeren.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht en zij verzoekt om de echtscheiding tussen hen uit te spreken.
De man wil liever niet van de vrouw scheiden.
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is het de rechtbank gebleken dat partijen al ruim een halfjaar niet meer samenwonen en dat de vrouw samenwoning met de man niet meer mogelijk acht. Naar vaste jurisprudentie dient verbreking van de samenwoning voor langere tijd te worden aangemerkt als een ernstige aanwijzing voor duurzame ontwrichting. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat op de zitting is gebleken dat de vrouw niet bereid is om zich met de man te verzoenen. De rechtbank acht herstel van de huwelijksband dan ook uitgesloten, waarmee de duurzame ontwrichting van het huwelijk is komen vast te staan. Het verzoek zal dan ook worden toegewezen.
Opname echtscheidingsconvenant
De vrouw verzoekt primair de door partijen getroffen regelingen, zoals neergelegd in het
tussen partijen gesloten convenant, op te nemen in de beschikking. Zij voert aan dat zij in de
aanloop naar de echtscheidingsprocedure aan haar advocaat heeft aangegeven dat zij en de
man het wel eens waren over de gevolgen van de echtscheidingsprocedure. Zij heeft haar
advocaat verzocht een concept-ouderschapsplan en een concept-echtscheidingsconvenant op
te stellen dat zij voor kon leggen aan de man. De vrouw stelt dat zij 14 april 2025 de stukken
heeft besproken met de man. De man heeft zich vervolgens gewend tot mr. Stok, die op 15 mei 2025 contact heeft gezocht met de advocaat van de vrouw. Op 16 mei 2025 heeft de advocaat van de vrouw de advocaat van de man de eerste mail aan de man, het concept-ouderschapsplan en het concept-echtscheidingsconvenant toegezonden. Daarna heeft de man het echtscheidingsconvenant getekend en de vrouw laten weten dat hij het niet eens was met de inhoud van het concept-ouderschapsplan, omdat hij niet in staat was de kinderalimentatie te betalen. De advocaat van de vrouw ontving het door beide partijen ondertekende convenant op 17 mei 2025 van de vrouw.
De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw. Hij ontkent en betwist dat de advocaat van de vrouw met hem het opstellen van een convenant en een ouderschapsplan besproken heeft. Hij heeft de in het Nederlands opgestelde convenant getekend na uitleg van deze stukken door de vrouw en betwist dat hij toen juridische ondersteuning had. De man voert aan dat hij, na een gesprek met zijn advocaat, erachter is gekomen dat de vrouw hem verkeerd heeft voorgelicht. Hij stelt dat sprake is van een wilsgebrek en hij niet kan worden gehouden aan het convenant.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man niet concreet gemaakt van welk wilsgebrek sprake zou zijn en op grond van welke feiten en omstandigheden. Gelet op zijn stelplicht wordt dit wel van hem verwacht. Nu de man dit heeft nagelaten, gaat de rechtbank voorbij aan dit standpunt van de man.
Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank het primaire verzoek van de vrouw toewijzen en de door partijen getroffen regeling van hun betrekking na de echtscheiding, zoals neergelegd in het tussen partijen gesloten convenant, opnemen in de beschikking. De rechtbank komt daarmee niet meer toe aan een beoordeling van het subsidiaire verzoek van de vrouw om de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen vast te stellen als beschreven in het lichaam van het verzoekschrift.
Huurrecht
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw over het huurrecht afwijzen bij gebrek aan belang, nu de rechtbank het echtscheidingsconvenant aan de beschikking zal hechten en daarin een bepaling is opgenomen over het huurrecht.
De man heeft zijn zelfstandige verzoek met betrekking tot het huurrecht op de zitting ingetrokken.
Hoofdverblijfplaats
De man heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw om de
hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom, als niet weersproken en in het belang van de kinderen, toewijzen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
De vrouw verzoekt een zorgregeling vast te stellen, waarbij de kinderen één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na het avondeten tot zondag 15.00 uur bij de man zullen verblijven, alsmede gedurende een deel van de vakantie- en feestdagen. De vrouw stelt mee te willen werken aan contact tussen de man en de kinderen, maar zij acht een uitbreiding van de zorgregeling niet in het belang van de kinderen. Volgens de vrouw heeft de man sinds hij een eigen woning heeft nauwelijks uitvoering gegeven aan de in de voorlopige voorzieningenbeschikking opgenomen zorgregeling.
De man stelt dat hij de voorlopige zorgregeling wel nakomt. De man vindt de voorlopige regeling te beperkt en wil die graag uitbreiden, zodat meer sprake is van gelijkwaardig ouderschap. Hij verzoekt daarom een regeling vast te stellen waarbij de kinderen ieder weekend van vrijdagmiddag tot zondagavond 19.00 uur en de helft van de vakanties bij de man zijn.
De rechtbank overweegt als volgt. Het wettelijk uitgangspunt is gelijkwaardig ouderschap. Gelijkwaardig ouderschap houdt in dat beide ouders een significante rol spelen in het leven van de kinderen en dat zij betrokken zijn bij de dagelijkse zorg voor de kinderen. Het recht van ouders die samen het gezag uitoefenen om een gelijkwaardige rol te spelen in het leven van hun kinderen, brengt niet met zich mee dat er ook een recht bestaat om in tijd gemeten dezelfde rol te vervullen. In dat kader merkt de rechtbank nog op dat de voor de man voorgestane wijziging wellicht een meer gelijke verdeling qua tijd zou opleveren dan de door de vrouw voorgestane regeling, maar dat de verdeling van de zorgtaken – de ene ouder alle zorgtaken door de week, de andere ouder alle vrije weekenddagen – niet gelijkwaardig is.
Uit de gesprekken met de kinderen en dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank gebleken dat bij de vrouw en de kinderen geen draagvlak bestaat voor uitbreiding van de bij voorlopige voorzieningen vastgestelde zorgregeling. De rechtbank acht het daarom niet in het belang van de kinderen om de regeling uit te breiden.
De raad heeft ter zitting in het kader van het gelijkwaardig ouderschap gesuggereerd dat de kinderen ook door de week tijd bij de man zouden kunnen doorbrengen. De rechtbank heeft daarover met partijen gesproken, maar voor een dergelijke uitbreiding bestaat onvoldoende draagvlak. De rechtbank betrekt daarbij dat de kinderen op schooldagen buitenschoolse activiteiten hebben gepland en dat de man niet heeft willen of kunnen toezeggen dat hij de kinderen daarbij kan begeleiden. Ook heeft de man geen duidelijkheid willen of kunnen verschaffen over de vraag of hij zijn werkzaamheden zo kan inrichten dat hij door de week tijd met de kinderen kan doorbrengen. De rechtbank zal de suggestie van de Raad dan ook niet volgen.
Hoewel het formeel niet aan de rechtbank voorligt, geeft de rechtbank partijen in overweging de zorgen van [minderjarige 1] – over het op tijd bij voetbal komen wanneer hij bij de man verblijft – serieus te nemen, zodat bij hem draagvlak blijft bestaan voor contact met de man. Dit geldt eveneens voor de wens van [minderjarige 1] om de weekenden waarin hij naar de kerk gaat, bij de vrouw te verblijven.
Ten aanzien van de vakanties overweegt de rechtbank als volgt. De man wil dat de kinderen 50% van alle vakanties bij hem zullen verblijven. Hij heeft dit verzoek niet verder geconcretiseerd. De vrouw heeft wel een concreet voorstel gedaan en de rechtbank acht deze verdeling van de vakanties en feestdagen het meest in het belang van de kinderen. De vrouw heeft op de zitting nogmaals aangegeven dat de man, in de vakanties waarin de reguliere regeling doorloopt, in onderling overleg met de kinderen op vakantie kan gaan. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen zich hieraan zullen houden in het belang van de kinderen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verzoeken van de vrouw over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken toewijzen en het meer of anders verzochte hierover afwijzen.
Kinderalimentatie
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig) verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
Nu er in de voorlopige voorzieningenprocedure een voorlopige bijdrage is bepaald, zal de rechtbank de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van de kinderen is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald. De rechtbank zal daarbij het jaar 2025 als uitgangspunt nemen, omdat partijen in dit jaar feitelijk uit elkaar zijn gegaan.
De rechtbank zal aan de zijde van de man rekening houden met een NBI van € 2.200,- per maand. De vrouw heeft op de zitting namelijk erkend dat de man tijdens het huwelijk een maandsalaris ontving van ongeveer € 2.200,- per maand.
De rechtbank zal voor de berekening van het NBI van de vrouw uitgaan van een bruto jaarinkomen van € 81.927,-, dat blijkt uit de door de vrouw overgelegde jaaropgave 2025. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de vrouw tijdens het huwelijk op € 4.526,- per maand.
Op basis van dit inkomen hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 424,- per maand. Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2025 dus
€ 7.150,- per maand (€ 2.200
+€ 4.526 + € 424). Het voorgaande leidt tot een behoefte van € 1.761,- per maand voor de kinderen in 2025. Geïndexeerd naar 2026 is dat € 1.842,- (ofwel € 614,- per kind per maand).
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht vrouw
Voor de berekening van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank eveneens uit van een bruto jaarinkomen van € 81.927,-, nu gesteld noch gebleken is dat het inkomen van de vrouw in 2026 gewijzigd is.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. Op grond van het jaarinkomen van de vrouw houdt de rechtbank na het feitelijk uiteengaan van partijen rekening met een kindgebondenbudget inclusief alleenstaande ouderkop van € 720,- per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 5.536,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365) gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 1.757,- per maand.
Draagkracht man
Voor de berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank eveneens uit van een NBI van € 2.200,- per maand.
Bij een NBI van € 1.950,- tot € 2.200,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI van de man € 2.200,- bedraagt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2026) een draagkracht van € 123,- per maand voor de man in aanmerking nemen.
Zorgkorting
Omdat de man op dit moment gemiddeld één dag per week de zorg heeft voor de kinderen geldt een percentage van 15. De zorgkorting bedraagt dan afgerond € 276,- per maand (15% van € 1.842).
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.880,- per maand. Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1757 / 1880 x 1842 = € 1.721,-
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 123 / 1880 x 1842=
€ 120,-
samen € 1.841,-
Van de totale behoefte van de kinderen komt een gedeelte van € 1.721,- per maand, wat neerkomt op € 574,- per maand per kind voor rekening van de vrouw. Een gedeelte van
€ 120,- per maand, wat neerkomt op € 40,- per maand per kind, komt voor rekening van de man.
De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel, zodat de man per saldo geen kinderalimentatie aan de vrouw hoeft te voldoen.
Conclusie
Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een kinderalimentatie zal worden afgewezen.
Aanhechten berekening
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, met elkaar gehuwd op [datum] 2010 in [plaats 1] ;
*
neemt op in deze beschikking de getroffen onderlinge regelingen zoals die staan in het aangehechte convenant;
*
bepaalt dat de minderjarigen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2016 in [geboorteplaats] ,
hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben;
*
bepaalt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken het volgende:
reguliere zorgregeling:
  • de kinderen verblijven bij de man één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na het avondeten tot zondag 15:00;
  • de ouder waar de kinderen verblijven brengt de kinderen naar de andere ouder wanneer gewisseld moet worden;

vakantie- en feestdagenregeling:

  • in de zomervakantie heeft de vrouw recht om de kinderen drie weken aaneengesloten bij zich te hebben en de man twee weken. Voor zover zij hiervan geen gebruik maken loopt de reguliere zorgregeling door;
  • tijdens de voorjaars-, mei-, en herfstvakantie loopt de reguliere zorgregeling door. Mocht de man of de vrouw met de kinderen weg willen, dan kan dit in onderling overleg;
  • tijdens de Kerstvakantie verblijven de kinderen in de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man:
  • de kinderen zullen op Vaderdag bij de man zijn en op Moederdag bij de vrouw;
  • de kinderen vieren hun verjaardag daar waar zij conform de overeengekomen (reguliere) zorgregeling verblijven. Zo lang de verhouding tussen partijen dat toelaat nodigen de ouders elkaar uit om de verjaardagen mee te vieren;
  • de ouder waar de kinderen verblijven brengt de kinderen naar de andere ouder wanneer gewisseld moet worden;
*
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voormelde minderjarigen op nihil;
*
verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Wien als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 12 mei 2026.
[afbeelding convenant verwijderd i.v.m. privacygevoelige informatie]