AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging afwijzing asielaanvraag Syriër wegens motiveringsgebrek en onjuiste beoordeling
Eiser, een Syrische asielzoeker, diende op 15 november 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag op 3 februari 2026 af, stellende dat er geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië was vanwege een relatief lager niveau van willekeurig geweld en het ontbreken van individuele risicofactoren.
Eiser voerde aan dat hij en zijn gezin als ontheemden een verhoogd risico lopen vanwege de onveilige situatie in Syrië, met name in het gebied waar hij woonde, en dat verweerder onvoldoende recente landeninformatie had betrokken. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende recente en relevante landeninformatie had betrokken en ten onrechte geen aparte beoordeling had gemaakt van artikel 3 EVRMPro in het kader van het arrest Sufi en Elmi, wat leidde tot motiveringsgebreken.
Hoewel het bestreden besluit werd vernietigd, liet de rechtbank de rechtsgevolgen in stand omdat verweerder in het verweer het gebrek adequaat had hersteld met recente landeninformatie. De asielaanvraag blijft daarmee afgewezen. Eiser kreeg proceskosten toegekend van €1.868,-. De uitspraak bevat uitgebreide overwegingen over de toepassing van artikel 15(c) van de Kwalificatierichtlijn en de beoordeling van humanitaire omstandigheden in Syrië.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag is vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7533
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. D. Gigengack).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 15 november 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 3 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. [1]
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Kurdi als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1980 en heeft de Syrische nationaliteit. Hij heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. In 2014 is eiser uit Syrië gevlucht vanwege bombardementen door het toenmalige Assad-regime. Eiser vreest bij terugkeer voor de algemene onveilige situatie in Syrië en het gebrek aan bescherming door de huidige machthebbers. Hij weet niet wat hem en zijn gezin daar nu te wachten staat, maar vreest voor ontvoeringen en geweld.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft twee asielmotieven uit het asielrelaas van eiser herleid. Zijn identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofd. De algemene veiligheidssituatie in Syrië is door verweerder niet op geloofwaardigheid getoetst en in het midden gelaten, en direct op zwaarwegendheid getoetst. [2] Verweerder komt echter tot de conclusie dat, omdat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van individuele omstandigheden waardoor hij een hoger risico loopt bij terugkeer, er geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade. Daarnaast is eiser geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiser wordt tot slot een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken opgelegd. Hierbij merkt verweerder op dat dit terugkeerbesluit ziet op heel Syrië, niet enkel herkomstgebied [gebied] .
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertoe het volgende aan. Eiser kan zich niet meer in [gebied] of ergens anders in Syrië vestigen. De oorlog daar heeft alles ontwricht, er is een gebrek aan infrastructuur en ook uit het WBV 2025/13 blijkt dat verweerder voor Syrië geen binnenlands beschermingsalternatief aanneemt. Ook neemt het aantal ontvoeringen sinds de val van het Assad-regime toe doordat milities hun gang kunnen gaan. [3] Eiser en zijn gezin zijn verder al meer dan 12 jaar uit Syrië weg. Zij moeten als ontheemden worden beschouwd en omdat het aan adequate bescherming ontbreekt moeten zij als kwetsbaar worden gezien. Het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft daarbij nog steeds de kleurcode rood. Eiser is daarom van mening dat zijn individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van zijn gezin, maken dat zij een verhoogd risico lopen bij terugkeer. Er is dan ook sprake van een gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade, waardoor het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek bevat.
4.1.
In aanvullende gronden heeft eiser aangevoerd dat verweerder onvoldoende in is gegaan op door hem aangevoerde landeninformatie. Zo heeft eiser in zijn zienswijze gewezen op een rapport van OCHA [4] van 26 januari 2026 waarin gesproken wordt over 170.000 ontheemden in onder meer [gebied] . Uit een brief van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) van 9 januari 2026 blijkt daarnaast dat aanvallen en ontplofbare oorlogsresten in [gebied] dagelijks doden vallen en dat de humanitaire situatie in [gebied] slecht is. Ook heeft eiser verwezen naar het Algemeen Ambtsbericht Syrië (AAB) van januari 2026 waarin dit naar voren komt. Uit eerdere uitspraken van deze rechtbank volgt dat verweerder recente informatie bij zijn beoordeling moet betrekken en ook (apart) moet toetsen op de humanitaire omstandigheden in het kader van artikel 3 vanPro het EVRM. Verder is eiser van mening dat de reactie op de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond [5] , hierover moeten worden afgewacht. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat, gelet op uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Roermond, Rotterdam, Haarlem en Utrecht, [6] dat de humanitaire omstandigheden ook bij de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn moeten worden betrokken. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat ook de nu actieve conflictpartijen de verslechtering van de humanitaire omstandigheden bevorderen dan wel in stand houden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn
5. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn [7] , zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. [8] Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. [9] De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. [10] Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. [11]
5.1.
Verweerder heeft in zijn voornemen erop gewezen dat de primaire oorzaak van de algemene onveiligheid die voorheen beleidsmatig werd aangenomen het regime van Assad was. Deze bron is op 8 december 2024 met de val van het regime komen te vervallen. Het beeld van Syrië laat verbetering zien en hoewel sprake is van incidentele geweldsuitbarstingen en gevechten, is er niet langer reden om aan te nemen dat voor iedere Syriër sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer [12] . Verweerder heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat er voor Syrië in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Hierbij verwijst verweerder naar het huidige beleid van paragraaf C7.33.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Dat betekent dat sprake moet zijn van individuele omstandigheden die maken dat eiser een verhoogd risico loopt. Aan eiser is tegengeworpen dat hij die niet naar voren heeft gebracht. Hij heeft zijn vrees alleen gebaseerd op algemene invullingen en vermoedens en geen individuele aanknopingspunten genoemd. Verder is voor [gebied] specifiek, nu eiser daar voor zijn vertrek uit Syrië heeft gewoond, betrokken dat daar op 6 januari 2026 gevechten uitbraken tussen de SDF [13] en de strijdkrachten van de huidige interim-regering. [14] De aanleiding betrof vastgelopen onderhandelingen tussen de partijen maar op 11 januari 2026 kwam er een staakt-het-vuren tot stand heeft SDF zich teruggetrokken. Ook hieruit blijkt geen aanleiding voor de conclusie dat aanwezigheid in [gebied] een reëel risico op ernstige schade oplevert.
5.2.
In zijn verweerschrift van 23 april 2026 heeft verweerder daaraan toegevoegd dat uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië (AAB) van januari 2026 blijkt dat het aantal geweldsincidenten ten opzichte van de vorige verslagperiode flink was gedaald. Ook het aantal burgerdoden is eind 2025 afgenomen in vergelijking met het begin van dat jaar. Deze dalende trend was ook zichtbaar in [gebied] . Binnen Syrië en [gebied] werd daarnaast op grote schaal teruggekeerd en het grootste gedeelte van [gebied] behoorde tot het controlegebied van de overgangsregering. Het aantal incidenten met ontplofbare resten is verder nauwelijks toegenomen en er worden maatregelen genomen met betrekking tot het ruimen daarvan.
5.3.
Verweerder heeft gelet op het voorgaande en de uitspraak van deze rechtbank van 23 februari 2026 tot de conclusie kunnen komen dat hij er niet aan gehouden was om de humanitaire omstandigheden in Syrië te betrekken bij zijn beoordeling van de algemene veiligheidssituatie daar in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Voor wat betreft het subsidiaire standpunt van eiser dat de huidige humanitaire omstandigheden worden veroorzaakt of in stand worden gehouden door de huidige actoren van geweld, wordt hij daarin niet gevolgd. Eiser heeft namelijk niet nader onderbouwd wat erop wijst dat dat het geval is. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat er in Syrië, en specifiek [gebied] , sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. [15] Om dan een reëel risico op ernstige schade in de zin van voornoemd artikel aan te nemen, moeten er individuele of persoonlijke omstandigheden zijn die het risico verhogen. Eiser heeft hierbij gewezen om het feit dat hij en zijn gezin al twaalf jaar weg zijn uit Syrië, dat de kinderen nog nooit in Syrië zijn geweest, dat het gezin de huidige situatie in Syrië niet kent en dat hun oude huis is verwoest. Hoewel de rechtbank het begrijpelijk vindt dat eiser rekening houdt met zijn vrouw en kinderen, heeft alleen hij een aanvraag om een verblijfsvergunning gedaan en ziet de beoordeling daarom alleen op zijn situatie. Uit het enkele feit daarbij dat eiser langere tijd uit Syrië weg is geweest of dat zijn oude huis niet meer bestaat, is niet zonder meer af te leiden dat dit een verhoogd risico oplevert. Dit standpunt heeft eiser ook niet of onvoldoende nader onderbouwd. Verweerder heeft dan ook tot de conclusie kunnen komen dat van individuele of persoonlijke omstandigheden die het risico op ernstige schade verhogen niet is gebleken.
5.4.
Eiser kan er in zoverre wel in gevolgd worden dat verweerder eraan gehouden is recente landeninformatie bij zijn beoordeling te betrekken. In het voornemen heeft verweerder gewezen op zijn huidige beleid, een brief van hem aan de Tweede Kamer en naar een artikel van Al-Jazeera van 11 januari 2026. Het artikel van Al-Jazeera is weliswaar vrij recent en ziet op [gebied] , maar neemt niet alle factoren in ogenschouw waar verweerder rekening mee dient te houden. Juist nu sprake is van een volatiele en onzekere situatie. Een enkele verwijzing naar het beleid dat was gebaseerd op het AAB van mei 2025 volstaat daarom ook niet. Dit geldt te meer zo nu er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit reeds een nieuw AAB beschikbaar was. De rechtbank ziet hierin dan ook een motiveringsgebrek waardoor het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit dan ook. Desalniettemin ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand te laten. Met zijn verweerschrift heeft verweerder alsnog recentere landeninformatie in de vorm van het AAB van januari 2026 bij zijn beoordeling betrokken. De landeninformatie die eiser in zijn zienswijze en zijn aanvullende gronden heeft benoemd, spreekt de conclusie die verweerder uit de beschikbare informatie heeft kunnen trekken niet tegen. Eiser heeft ook niet op andere of recentere informatie kunnen wijzen.
Humanitaire omstandigheden
6. Tot slot wijst de rechtbank er nog op dat de slechte humanitaire omstandigheden die het cumulatieve gevolg zijn van het jarenlange conflict in Syrië een rol kunnen spelen in de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 vanPro het EVRM. Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi [16] twee situaties onderscheidt:
In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.
6.1.
Verweerder heeft hierover in zijn voornemen noch in het bestreden besluit een kenbare beoordeling gemaakt. In het verweerschrift heeft verweerder dit wel gedaan en erop gewezen dat het EHRM in september 2025 een getroffen voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man niet heeft verlengd. [17] Ook heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 vanPro het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat verweerder ten onrechte geen aparte beoordeling van artikel 3 vanPro het EVRM heeft gemaakt in de besluitvorming en het bestreden besluit daarom ook hierom een motiveringsgebrek bevat. Ook deze is desalniettemin met de nadere toelichting in het verweer adequaat hersteld waardoor de rechtbank in stand lating van de gevolgen gewezen acht. Naar oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich namelijk op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 vanPro het EVRM wegens de humanitaire omstandigheden in Syrië. Eiser heeft niet in verwijzing naar openbare bronnen weersproken dat verweerder niet van de zwaardere toetsing mocht uitgaan, dan wel dat uit bronnen blijkt dat sprake is van de tweede situatie zoals benoemd onder rechtsoverweging 7. Eiser heeft ter zitting ook in dit kader gewezen op het feit dat hij al ruim 12 jaar uit Syrië weg is, zijn oude huis is verwoest en hij geen contacten in [gebied] meer heeft. Hoewel sprake is van een slechte en complexe humanitaire situatie, heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat hij de zwaardere lat uit het arrest van Sufi en Elmi niet heeft gehaald. Overigens maakt de rechtbank uit het nader gehoor op dat eiser nog contact heeft met zijn (voormalige) buren en ook dat hij nog vrienden en familie in Syrië heeft. [18]
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 vanPro de Awb. Het bevat daarom een motiveringsgebrek en kan niet in stand blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat verweerder het gebrek in verweer echter adequaat heeft hersteld, ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten gelet op het hetgeen vermeld onder rechtsoverwegingen 5.4 en 6.2. Dit betekent dat de asielaanvraag van eiser afgewezen blijft. Voor een andere afdoening ziet de rechtbank geen aanleiding.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser zijn proceskosten vergoed. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt het bedrag vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1). [19]
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietig het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtgevolgen met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand worden gelaten;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van paragraaf C1/4.1, vijfde lid, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) en informatiebericht (IB) 2022/102.
3.Zie het artikel ‘”Disappearance” or “Abduction”? “Security Breakdown” or “Systematic Policy”? Incidents of Women’s Abduction after Liberation’ van Syrian Dialogue Center van 4 januari 2026, en het artikel “Why women in Syria are disappearing” van Qantara van 6 juni 2025.
4.United Nations Office for the Coordination of Humanitarian Affairs.
7.Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).
8.Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (
9.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (
10.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.
11.Zie de uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2.
12.Verwezen wordt naar de brief van de minister van Asiel en Migratie aan de Tweede Kamer over landenbeleid Syrië van 10 juni 2025.
13.Syrian Democratic Forces.
14.Verwezen wordt naar het artikel “Last SDF fighters leave Syria’s [gebied] after days of deadly clashes” van Al-Jazeera van 11 januari 2026.