Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15745

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
NL25.47644
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1F VvArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 10 Procedurerichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onzorgvuldige toepassing artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 12 juli 2023 een asielaanvraag in Nederland in nadat hij niet tijdig was overgedragen aan Noorwegen, waar hij eerder asiel had aangevraagd. De minister wees de aanvraag op 29 september 2025 af als kennelijk ongegrond vanwege de toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, gebaseerd op een Noorse beslissing die eiser een ernstig niet-politiek misdrijf toerekende.

De rechtbank oordeelt dat de minister het besluit onzorgvuldig heeft genomen omdat hij zonder eigen, volledig en actueel onderzoek het oordeel van de Noorse autoriteiten heeft overgenomen. Er heeft geen afzonderlijk 1F-gehoor plaatsgevonden en essentiële stukken, zoals het in Noorwegen afgenomen gehoor, ontbraken in het dossier. Ook is geen rekening gehouden met algemene landeninformatie over Syrië.

De rechtbank verwijst naar het arrest QY van het Hof van Justitie van de EU (18 juni 2024) dat vereist dat lidstaten individuele, volledige en actuele beoordelingen verrichten. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47644

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. H. Meijerink),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw vanwege de toepasselijkheid van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (Vv). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven, omdat de minister het bestreden besluit heeft genomen op basis van een beslissing van de Noorse autoriteiten en niet zelf heeft onderzocht en beoordeeld of artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vv van toepassing is. Eiser krijgt daarom gelijk en het beroep is gegrond.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 12 juli 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. [1] De minister heeft met het bestreden besluit van 29 september 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. [2] Daarbij is eiser ongewenst verklaard [3] en is hij voor de duur van tien jaar gesignaleerd in het E&S. [4]
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening [5] te treffen. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist. Op 8 oktober 2025 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend.
2.2.
Op 27 januari 2026 heeft de rechtbank de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. De minister heeft op 4 mei 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3.
Eiser heeft op 10 mei 2026 een proces-verbaal van aangifte van bedreiging, gedateerd 8 februari 2025, ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Feiten en zaaksverloop

3. Aan het bestreden besluit is onder meer het volgende voorafgegaan.
3.1.
Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 24 augustus 2014 in Noorwegen een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 8 juli 2023 is eiser naar Nederland gekomen en hij heeft vervolgens op 12 juli 2023 onderhavige asielaanvraag ingediend.
3.2.
Met het besluit van 22 november 2023 heeft de minister de asielaanvraag niet in behandeling genomen op de grond dat Noorwegen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Daarbij heeft de minister besloten dat eiser zou worden overgedragen aan Noorwegen. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, heeft het beroep op 4 maart 2024 ongegrond verklaard. [6] Het hoger beroep tegen deze uitspraak is door de Afdeling [7] op 5 maart 2024 [8] ongegrond verklaard.
3.3.
Eiser is niet tijdig overgedragen aan de Noorse autoriteiten, waarna de minister eiser bij brief van 25 maart 2024 heeft bericht dat hij zal worden opgenomen in de nationale asielprocedure. Op 16 mei 2024 is eiser nader gehoord. Op 14 juni 2024 is door bureau Dublin aan de Noorse autoriteiten om nadere informatie verzocht over de asielprocedure van eiser in Noorwegen. Op 24 juni 2024 is door de Noorse autoriteiten het Noorse asieldossier van eiser overgelegd in de Noorse taal en dit is vervolgens in de Nederlandse taal vertaald. Bij brief van 2 oktober 2024 is het dossier voor verder onderzoek overgedragen aan de unit 1F.
3.4.
Uit het Noorse asieldossier blijkt dat de Noorse immigratiedienst [9] op 3 juli 2019 artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vv aan eiser heeft tegengeworpen, omdat hij na zijn vertrek uit Syrië, in Turkije, een bericht op zijn [social media] zou hebben geplaatst. In dat bericht zou eiser een beloning hebben uitgeloofd van 75.000 dollar om een persoon te laten vermoorden die actief was voor de aan het regime van [social media] verbonden Nationale Verdedigingstroepen (National Defense Forces). De beslissing van de Noorse immigratiedienst is na bezwaar op 17 april 2020 bekrachtigd. [10]
3.5.
Op 5 maart 2025 heeft het BMA [11] een medisch advies over eiser uitgebracht. Op
24 april 2025 heeft de minister het voornemen uitgebracht om eisers asielaanvraag af te wijzen vanwege de toepasselijkheid van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vv en om eiser tot ongewenst vreemdeling te verklaren. Op 22 mei 2025 heeft eiser zijn zienswijze uitgebracht. Op 17 juli 2025 is eiser gehoord in het kader van een voornemen tot ongewenstverklaring. Vervolgens heeft de minister het bestreden besluit genomen.

Het bestreden besluit

4. De minister heeft in het bestreden besluit de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser door de Noorse autoriteiten in verband wordt gebracht met een ernstig niet-politiek misdrijf. De minister is er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit gegaan dat Noorwegen op goede en juiste gronden artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vv aan eiser heeft tegengeworpen. Dat eiser in het kader van de Dublinprocedure niet tijdig is overgedragen aan Noorwegen, houdt volgens de minister niet in dat de inhoudelijke behandeling van eisers asielverzoek in Noorwegen opnieuw dient te worden gedaan. De minister vindt dat geen afzonderlijk 1F-gehoor had hoeven plaats te vinden. Hij stelt dat eiser in het nader gehoor in de gelegenheid is gesteld om zijn aanvraag toe te lichten. Op basis van wat eiser heeft verklaard, is op grond van artikel 3:2 van Pro de Awb [12] nader onderzoek gedaan door de Noorse autoriteiten te verzoeken om nadere informatie over eisers asielverzoek daar. Naar aanleiding daarvan heeft de minister het Noorse dossier ontvangen. Verder heeft de minister de conclusie van de Noorse autoriteiten gevolgd dat eiser, gelet op zijn asielrelaas in Noorwegen, aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. [13] Volgens de minister kan van eiser worden verwacht dat hij terugkeert naar Noorwegen. Gelet op het BMA-advies heeft de minister geconcludeerd dat er geen sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM om medische redenen in Noorwegen. Daarnaast heeft de minister eiser op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw tot ongewenst vreemdeling verklaard, omdat in de Noorse besluitvorming artikel 1F op eiser van toepassing is geacht. Tot slot heeft de minister eiser voor de duur van tien jaar gesignaleerd in het E&S.

Standpunten van partijen

5. Eiser voert aan dat de door hem ingediende asielaanvraag in Nederland door de minister inhoudelijk had moeten worden behandeld na zijn niet-tijdige overdracht aan Noorwegen. De minister heeft niet zonder meer en enkel op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel de Noorse besluitvorming over de toepasselijkheid van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vv mogen overnemen. Eiser vindt dat de minister niet zonder nader onderzoek heeft mogen concluderen dat artikel 1F op hem van toepassing is. Het is volgens eiser niet zorgvuldig dat geen afzonderlijk 1F-gehoor meer heeft plaatsgevonden.
6. De minister stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat hij op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgaat dat Noorwegen een deugdelijke en zorgvuldige asielprocedure heeft. Daarbij vindt de minister dat de inhoud van de Noorse asielprocedure meegenomen mag worden bij de besluitvorming. De minister stelt in dit verband dat hij de stukken uit de Noorse asielprocedure heeft bestudeerd en dat dit het nader onderzoek is zoals bedoeld in de brief van 2 oktober 2024. Volgens de minister blijkt uit de bestudering van de stukken uit de Noorse asielprocedure van eiser dat Noorwegen op juiste wijze artikel 1F van het Vv heeft toegepast.

Beoordeling door de rechtbank

7. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de minister op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel het besluit van de Noorse autoriteiten over de toepasselijkheid van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vv op eiser mocht overnemen.
Het juridisch kader
8. Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden Pro afgewezen als kennelijk ongegrond indien de vreemdeling op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.
8.1.
Op grond van de paragrafen C2/7.10 en B1/4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 wordt de aanvraag afgewezen op grond van het gegeven dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, indien ten aanzien van hem ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vv.
8.2.
Op grond van artikel 1F van het Vv zijn de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten.
8.3.
In artikel 78, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is bepaald dat de EU een gemeenschappelijk beleid inzake asiel, subsidiaire bescherming en tijdelijke bescherming ontwikkelt. Dit beleid is erop gericht om iedere derdelander die internationale bescherming behoeft, een passende status te verlenen.
8.4.
In artikel 10, tweede lid, van de Procedurerichtlijn [14] staat dat de beslissingsautoriteit bij de behandeling van verzoeken om internationale bescherming eerst nagaat of de verzoekers als vluchteling kunnen worden aangemerkt en zo niet, of zij voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen. In het derde lid van dit artikel staat dat de lidstaten erop toezien dat de beslissingen van de beslissingsautoriteit over verzoeken om internationale bescherming zijn gebaseerd op een deugdelijk onderzoek. In artikel 12 van Pro de Kwalificatierichtlijn [15] zijn de omstandigheden omschreven waarin een onderdaan van een derde land van de vluchtelingenstatus wordt uitgesloten.
8.5.
Het Hof van Justitie (Hof) heeft in het arrest QY van 18 juni 2024, [16] voor zover hier van belang, overwogen dat uit het primaire recht van de Unie, met name artikel 78 van Pro het VWEU, geen beginsel volgt van wederzijdse erkenning van beslissingen tot toekenning van de vluchtelingenstatus. Het Hof heeft daarbij duidelijk gemaakt dat de Kwalificatierichtlijn met name beoogt te verzekeren dat de lidstaten gemeenschappelijke criteria toepassen voor de identificatie van personen die werkelijk bescherming behoeven. [17] Daarbij geldt dat het Unierecht inzake internationale bescherming in zijn huidige vorm de lidstaten niet uitdrukkelijk verplicht beslissingen tot toekenning van de vluchtelingenstatus die door een andere lidstaat zijn genomen, automatisch te erkennen. Wel moet de beslisautoriteit van de bevoegde lidstaat de voorwaarden voor toekenning van de vluchtelingenstatus individueel, volledig en actueel onderzoeken.
Oordeel van de rechtbank
9. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat de minister voordat hij het besluit nam op eisers asielaanvraag geen eigen onderzoek heeft gedaan naar de toepassing op eiser van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vv, maar zonder meer het oordeel van de Noorse autoriteiten hierover heeft overgenomen. Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij tot dat oordeel komt.
9.1.
Nederland is verantwoordelijk geworden voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag omdat eiser niet tijdig is overgedragen aan de Noorse autoriteiten.
9.2.
In artikel 78, eerste lid, van het VWEU en artikel 10, tweede lid, van de Procedurerichtlijn staat niet dat beslissingen van andere lidstaten automatisch door een andere lidstaat moeten worden overgenomen. Verder staat in artikel 12 van Pro de Kwalificatierichtlijn niet dat een beslissing van een andere lidstaat over artikel 1F van het Vv door een andere lidstaat moet worden overgenomen. De rechtbank legt deze bepalingen daarom zo uit dat het gemeenschappelijke asielbeleid van de Unie niet zo ver reikt dat de minister zonder meer elke afwijzingsgrond kan overnemen op het moment dat hij verantwoordelijk wordt voor een asielaanvraag.
9.3.
De rechtbank is van oordeel dat de beoordeling door de minister, in het licht van voornoemd arrest QY uit 2024, een individueel, volledig en actueel onderzoek vereist. De minister stelt voldoende onderzoek te hebben gedaan door het bestuderen van de besluiten van de Noorse autoriteiten, maar de rechtbank stelt vast dat niet het volledige dossier van Noorwegen is ontvangen of althans dat de minister niet het gehele dossier heeft laten vertalen. Zo is het in Noorwegen afgenomen gehoor [18] van eiser niet in het dossier opgenomen. Dat de gemachtigde van de minister op de zitting heeft gesteld dat het in Noorwegen afgenomen gehoor van eiser, voor zover relevant, is weergegeven in de Noorse besluitvorming, is onvoldoende.
9.4.
Verder acht de rechtbank het niet zorgvuldig dat de minister eiser niet afzonderlijk heeft gehoord over 1F. De rechtbank volgt de minister niet in zijn standpunt dat een aanvullend 1F-gehoor niet nodig was. Hierbij is van belang dat pas na het nader gehoor informatie van de Noorse autoriteiten is opgevraagd en ontvangen en dat eiser daarover in het geheel niet is bevraagd. Ook betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat de minister geen enkele informatie heeft over het [social media] van eiser en het daarop door hem geplaatste bericht, waarin hij een geldbeloning zou hebben uitgeloofd om een persoon te laten vermoorden. Dit terwijl dit bericht voor de Noorse autoriteiten de aanleiding was om aan eiser 1F tegen te werpen en eiser stelt dat het niet juist is en hij niet eerder in de gelegenheid is geweest dit te corrigeren. Het had op de weg van de minister gelegen ook hier zelfstandig nader onderzoek naar te doen en eiser hierover te bevragen. Daarnaast heeft de minister nagelaten om bij zijn beoordeling de algemene landeninformatie over Syrië te betrekken. Anders dan de gemachtigde van de minister op de zitting heeft gesteld, is uit de besluitvorming dan ook niet gebleken dat de minister een individuele, volledige en actuele beoordeling van eisers asielaanvraag heeft verricht, zoals bedoeld in het arrest QY. Dat de minister dat niet heeft gedaan, is onzorgvuldig.
9.5.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit van de minister in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. [19] De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond. Omdat het beroep gegrond is, hoeven de andere beroepsgronden niet meer besproken te worden.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De minister heeft het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit op de asielaanvraag moet nemen en daarbij rekening houdt met wat in deze uitspraak is overwogen.
11. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 29 september 2025;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser, waarbij rekening wordt gehouden met wat in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, voorzitter, mr. A.W. Wassink en mr. A. Sibma, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw.
3.Op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw.
4.Executie & Signalering.
5.Zaaknummer NL25.47645.
6.Zaaknummer NL23.36808.
7.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9.De Utlendingsdirektoratet (UDI), de Noorse immigratiedienst.
10.Bekrachtiging door de Utlendingsnemnda (UNE), de Noorse Commissie van Beroep voor Vreemdelingenzaken.
11.Bureau Medische Advisering.
12.Algemene wet bestuursrecht.
13.Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
14.Richtlijn 2013/32/EU.
15.Richtlijn 2011/95 EU.
16.HvJEU 18 juni 2024, ECLI:EU:C:2024:524 (QY), onder 61, 63 en 74.
17.Zie het arrest van het Hof van 13 september 2018, Ahmed, ECLI:EU:C:2018:713, punt 37.
18.In het Noorse dossier wordt gesproken over een interview.
19.Op grond van artikel 3:2 en Pro 3:46 van de Awb.