Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15734

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
NL26.14977
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 31 lid 6 sub c en d Vreemdelingenwet 2000Art. 15 aanhef en onder c KwalificatierichtlijnArt. 3:46 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:72 lid 4 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag Libische nationaliteit wegens onvoldoende motivering risico ernstige schade

Eiser, een Libische nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 10 mei 2024 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder wees deze aanvraag op 11 maart 2026 af als kennelijk ongegrond, met een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank behandelde het beroep op 2 juni 2026.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht de problemen van eiser met de militie SSA ongeloofwaardig achtte en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bijzondere individuele omstandigheden heeft die hem een verhoogd risico op willekeurig geweld geven. Verweerder heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer naar Libië geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 EVRM Pro.

De rechtbank stelt vast dat het algemeen ambtsbericht Libië van juli 2025 aangeeft dat terugkerende Libiërs risico lopen op langdurige ondervraging, arrestatie, detentie, marteling of buitengerechtelijke executie. Verweerder heeft nagelaten deze risico’s voldoende te betrekken bij zijn besluit. Daarom is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd en wordt het vernietigd. Verweerder wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende motivering van het ontbreken van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14977

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. S.R. Nohar),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Hij is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld tegen dit besluit. Eiser heeft de redenen uiteengezet waarom hij het niet eens is met het besluit (de beroepsgronden). Aan de hand van die beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder heeft eisers problemen met de militie ongeloofwaardig kunnen achten. Ook heeft verweerder kunnen oordelen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er voor hem bijzondere individuele omstandigheden gelden waardoor hij een groter risico loopt op willekeurig geweld. Verweerder heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer naar Libië geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM. [1] De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 10 mei 2024 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2.1.
Bij besluit van 11 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser was aanwezig, bijgestaan door mr. A.S. Sewman, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig A. Belkassem. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is geboren op [geboortedatum] 1989 en heeft de Libische nationaliteit. Hij heeft verklaard dat hij in juni 2018 door de Dam Al Istiqra-militie (SSA [2] ) is vastgehouden omdat hij de militie heeft bekritiseerd. Na eisers vrijlating kreeg hij een bevel van Abdel Ghani Al Kikli, de leider van de SSA. Eiser heeft dat bevel niet opgevolgd en is van Tripoli naar Gharyan vertrokken. Toen de SSA in 2022 een vestiging in Gharyan wilde bouwen, besloot eiser uit angst voor de militie uit Libië te vluchten. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij vanwege zijn stam (Ghiraan) is gediscrimineerd omdat de stam wordt gezien als Joods en loyaal aan Khadafi.
Wat staat er in het bestreden besluit?
4. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen [3] en aan hem een terugkeerbesluit uitgevaardigd en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen met de SSA;
3. Discriminatie vanwege het behoren tot de Ghiraan stam.
4.1.
Verweerder acht het eerste en derde asielmotief geloofwaardig maar het tweede motief niet. Eiser heeft dit motief niet met objectieve stukken onderbouwd en voldoet niet aan de voorwaarden genoemd in artikel 31, zesde lid, onder c en d van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eisers verklaringen over de problemen met de SSA vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel. De organisatie met wie eiser problemen stelt te hebben bestond destijds nog niet. Ook is het ongerijmd dat er nooit naar eiser geïnformeerd is. Eiser is ook niet op de hoogte van het overlijden van Abdel Ghani al Kikli op 12 mei 2025. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaringen. Verweerder betrekt verder dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig als mogelijk heeft ingediend. Hij is in 2022 met een geldig Nederlands visum Nederland ingereisd en heeft toen geen asiel aangevraagd. Op basis van de geloofwaardig geachte motieven concludeert verweerder dat eiser geen vluchteling in de zin het Vluchtelingenverdrag [4] is en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM. Dat sprake is van discriminatie van een dergelijk niveau dat eiser niet in Libië zou kunnen functioneren vindt verweerder niet aannemelijk. Verweerder acht het verder ook niet aannemelijk dat eiser zal worden vervolgd omdat hij als Joods of als Khadaffi loyalist zal worden gezien. Verweerder heeft verder betrokken dat eiser afkomstig is uit Tripoli. Er is daar echter geen sprake van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld op grond waarvan eenieder alleen al door zijn aanwezigheid op dat grondgebied een reëel risico loopt op ernstige schade. Het landenbeleid voor Libië schrijft dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Tripoli. Niet wordt ingezien waarom eiser vanwege zijn omstandigheden een verhoogd risico loopt om een willekeurig slachtoffer te worden van het binnenlandse conflict in Libië.
Heeft verweerder de problemen met de militie SSA ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
Naam militie
5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat de organisatie waarover hij heeft verklaard destijds niet bestond. Hij voert aan dat de door hem genoemde militie in juni 2018 bekend stond onder een andere naam. Eiser heeft tijdens het nader gehoor de naam van de militie genoemd die op dat moment in gebruik was. Dit heeft hij gedaan om verwarring te voorkomen. Het is bij hem uiteraard bekend dat dezelfde militie in 2018 een andere naam had dan ten tijde van het nader gehoor. Dat hij niet de eerdere naam heeft gebruikt, is dan ook verschoonbaar.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat de organisatie met wie eiser problemen stelt te hebben in de tijd waar hij over heeft verklaard nog niet bestond. De rechtbank volgt verweerders standpunt op zitting dat aan eiser bij de gehoren is meegegeven dat hij zo volledig mogelijk antwoordt en dat hij zijn antwoorden zo uitgebreid mogelijk toelicht. Nu de militie de reden van eisers vertrek vormt, mag van hem worden verlangd dat hij duidelijk uitlegt hoe het zit met de benaming. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eisers uitleg op zitting, geen verschoonbare reden is voor de onduidelijkheid hierover.
Dood van Abdel Ghani al Kikli
6. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte tegenwerpt dat hij niet heeft verklaard over de dood van Abdel Ghani al Kikli. Het was bij eiser bekend dat de leider al was gedood. Eiser heeft echter tijdens het nader gehoor niet specifiek genoemd dat die leider was gedood omdat hij na zijn dood snel vervangen is. Verder was het risico van de zijde van de militie nog altijd aanwezig ondanks de dood van Abdel Ghani al Kikli. Eiser heeft ook stukken van overgelegd waaruit blijkt dat de militie een nieuwe leider heeft. In ieder geval kan eiser niet worden aangerekend dat hij dit tijdens het nader gehoor niet naar voren heeft gebracht. Het risico voor eiser is met het overlijden van Abdel Ghani al Kikli immers niet verminderd.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat eiser niet over de dood van Abdel Ghani al Kikli heeft verklaard. Eiser heeft verklaard dat hij jarenlang persoonlijk problemen heeft gehad met de leider. De rechtbank ziet met verweerder niet in waarom eiser het overlijden van de leider niet belangrijk genoeg vond om te vermelden. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser specifiek is gevraagd waarom hij nog vreest voor Abdel Ghani al Kikli als hij al sinds 2018 geen problemen meer heeft gehad met deze persoon. [5] Indien eiser op de hoogte was van het overlijden, mag van hem worden verwacht dat hij hierover had verklaard. Eiser is er verder op gewezen op het belang van volledige antwoorden en de mogelijke gevolgen van het achterhouden van belangrijke informatie. Eisers nadere toelichting dat hij ook vreest voor de opvolgers van Abdel Ghani al Kikli, maakt dit niet anders.
Navraag naar eiser
7. Eiser voert aan dat verweerder niet heeft kunnen tegenwerpen dat het ongerijmd is dat er niet naar hem is gevraagd door de militie. Eiser heeft later toegelicht dat de militie twee maanden na zijn vrijlating bij de winkel van zijn broer is langs geweest om naar eiser te informeren. Er is dus wel degelijk navraag naar hem gedaan.
7.1.
De rechtbank stelt met verweerder vast dat eiser heeft verklaard dat er door de militie niet naar hem gevraagd is toen ze bij de winkel van zijn broer langskwamen en dat ze naderhand niet meer bij familieleden zijn langsgekomen. [6] Pas in zijn zienswijze heeft eiser toegelicht dat er wel naar hem geïnformeerd is tijdens het bezoek aan de winkel. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiser hierover had kunnen verklaren in het nader gehoor. Eisers stelling op zitting dat hij de vragen soms niet goed begreep volgt de rechtbank niet. Eiser heeft in het nader gehoor aangegeven de tolk goed te kunnen verstaan [7] en heeft zijn antwoord bovendien niet gecorrigeerd toen hij de mogelijkheid kreeg om correcties en aanvullingen in te dienen. Eiser heeft geen uitleg gegeven over waarom hij dat niet gecorrigeerd heeft. Verweerder heeft dus mogen uitgaan van eisers verklaring zoals in het nader gehoor.
Verklaringen vrienden/kennissen
8. Eiser voert aan dat hij zijn problemen met de SSA aannemelijk heeft gemaakt met verklaringen van vrienden en kennissen die zijn verklaringen ondersteunen.
8.1.
De rechtbank volgt verweerders standpunt dat aan de door eiser aangeleverde verklaringen niet de waarde kan worden gehecht die eiser daaraan wenst te hechten. Het gaat om kopieën van e-mails. Verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat het onduidelijk is wie deze personen zijn en waarom hun verklaringen betrouwbaar zouden zijn. Ook heeft hij kunnen tegenwerpen dat de verklaringen allemaal nagenoeg identiek zijn, zeer summier zijn en veel belangrijke context missen. Uit de verklaringen blijkt niet waarom eiser is gearresteerd, hoe lang hij zou hebben vastgezeten, of dat hij langdurig problemen heeft gehad met Al Kikli en dat hij te vrezen heeft voor de militie bij terugkeer naar Libië. Verweerder heeft daarom kunnen concluderen dat de verklaringen geen noemenswaardige bewijskracht hebben.
Indienen asielaanvraag
9. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte tegenwerpt dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Eiser had medische klachten toen hij naar Nederland kwam. Door zijn psychische klachten was hij angstig. Daarom heeft hij Nederland verlaten om naar Malta te gaan. Eiser was bang dat Rusland Nederland zou aanvallen. Ook was er net een kind overleden in het asielcentrum in Ter Apel. Door voornoemde omstandigheden en door zijn psychische klachten heeft eiser besloten om geen asielaanvraag in te dienen in Nederland. Gelet op zijn medische toestand van destijds kan dit niet aan hem worden toegerekend.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig als mogelijk heeft ingediend, en daarvoor geen goede verklaring heeft. Eiser is op 26 september 2022 Nederland ingereisd met een geldig visum. Pas op 10 mei 2024 heeft eiser zijn asielaanvraag in Nederland ingediend. In de tussentijd heeft eiser in Malta verbleven waar hij ook geen asielaanvraag heeft ingediend. In de door eiser aangevoerde omstandigheden ziet de rechtbank met verweerder geen verschonende reden om geen asielaanvraag in te dienen. Zonder nadere toelichting is namelijk niet duidelijk wat voor invloed dat heeft op de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen toen hij in Nederland aankwam, dan wel toen hij in Malta was. Eisers toelichting op zitting dat in Malta weinig risico op uitzetting bestond, heeft hij niet onderbouwd.
10. Gelet op de voorgaande punten heeft verweerder eisers problemen met de militie daarom niet ten onrechte als ongeloofwaardig beoordeeld. Eisers beroep op artikel 31, vijfde lid van de Vw, met betrekking tot deze problemen kan daarom ook niet slagen.
Loopt eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn? [8]
11. Eiser stelt dat hij bij terugkeer naar Libië een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Zoals uit WBV 2025/21 van 18 oktober 2025 blijkt, neemt verweerder voor Libië aan dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dit geldt ook voor Tripoli. Eiser loopt vanwege zijn persoonlijke omstandigheden bij terugkeer naar Libië risico op willekeurig geweld. Hij loopt risico van de zijde van de door hem genoemde militie en wordt door zijn stam gezien als loyalistisch aan Kadhafi. Verder heeft eiser medische klachten (vitiligo en psychische problemen) waarvoor hij behandeling nodig heeft. Voor die behandeling zal hij zich vaker buiten moeten begeven waardoor hij meer het risico loopt om slachtoffer te worden van aanslagen dan wel van een andere onmenselijke behandeling. Eiser heeft op de zitting een afspraakbevestiging bij een psycholoog laten zien. Eiser is inmiddels langdurig buiten Libië en kan daar ook geen bescherming krijgen.
11.1.
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict dusdanig hoog is dat de vreemdeling alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze zogenoemde ‘meest uitzonderlijke situatie’ wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. De bepaling kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. [9]
11.2.
Dat sprake is van een lagere gradatie van willekeurig geweld in Libië is niet in geschil. Eiser moet dus individuele omstandigheden aanvoeren. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn individuele en persoonlijke omstandigheden leiden tot een reëel risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Voor zover eiser wijst op de problemen met de militie als risico verhogende factor, heeft de rechtbank al geoordeeld dat deze problemen niet ten onrechte ongeloofwaardig zijn bevonden. Verweerder heeft daarnaast kunnen stellen dat de discriminatie die eiser heeft ondervonden ook niet als risico verhogende factor kan gelden. Eiser heeft niet onderbouwd waarom hij, doordat hij wordt gezien als Khadafi loyalist, of als Joods, meer risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder heeft kunnen vinden dat niet aannemelijk is gemaakt dat eisers medische situatie het risico verhoogt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Dat eiser vaker naar buiten moet voor behandeling is op zichzelf niet voldoende. Daar blijkt nog niet waarom dit als risico verhogende omstandigheid moet worden gezien.
Loopt eiser bij terugkeer naar Libië een risico op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM vanwege gericht geweld?
12. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer naar Libië het risico op een behandeling die strijdig is met artikel 3 EVRM Pro door het volgende. Uit het algemeen ambtsbericht van juli 2025 inzake Libië (aab) volgt dat Libiërs bij terugkeer te maken kunnen krijgen met langdurige ondervraging op de luchthaven en risico lopen op arrestatie, detentie, een oneerlijk proces, marteling of buitengerechtelijke executie. Gelet hierop dient verweerder te onderzoeken en te motiveren of eiser, die de Libische nationaliteit heeft, bij terugkeer naar Libië geen risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van Pro het EVRM. Verweerder heeft een dergelijk onderzoek nagelaten. Eiser verwijst in dit verband ook naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 2 april 2026. [10]
12.1.
Het enkel hebben van de Libische nationaliteit is volgens verweerder onvoldoende om op grond daarvan al een risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM aan te nemen. Uit het aab volgt volgens verweerder dat het illegaal in- en uitreizen kan leiden tot nader onderzoek. Verweerder benadrukt in dit kader dat eiser Libië legaal heeft verlaten. Bovendien is een enkele ondervraging ook niet in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM.
12.2.
De rechtbank volgt eisers standpunt. Uit het aab volgt dat Libiërs bij terugkeer te maken kunnen krijgen met langdurige ondervraging op de luchthaven en risico lopen op arrestatie, detentie, een oneerlijk proces, marteling of buitengerechtelijke executie. [11] Dit zou duidelijk schending van artikel 3 van Pro het EVRM kunnen betekenen. Uit het aab volgt niet dat iedere Libiër hiermee bij terugkeer wordt geconfronteerd, maar de rechtbank leest hierin ook niet dat de kans hierop klein is of dat enkel bepaalde groepen of profielen worden getroffen. [12] Voor verweerders stelling dat alleen Libiërs die illegaal in- en uit gereisd zijn deze risico’s lopen, ziet de rechtbank geen steun in het aab. In dit geval komt er als relevante factor bij dat verweerder eisers discriminatie vanwege zijn stam geloofwaardig heeft bevonden. Ook heeft eiser verklaard dat zijn oom voor Khadafi heeft gewerkt, en dat zijn naam wordt geassocieerd met Al Sharef Al Ghiryani, die in Libië algemeen als verrader wordt gezien. Deze omstandigheden heeft verweerder niet betwist. Ze zijn naar het oordeel van de rechtbank echter wel relevant bij de vraag of eiser op het vliegveld zal worden benaderd. Verweerder heeft deze omstandigheden echter niet betrokken bij de vraag of eiser genoemde risico’s loopt. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer naar Libië geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM.
Conclusie en gevolgen
13. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en daarmee in strijd is met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
14. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat
verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De
rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
15. Omdat het beroep gegrond is veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter ziting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 11 maart 2026;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Zoon, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Stability Support Apparatus Libië.
3.Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
5.Rapport nader gehoor, pagina 21.
6.Rapport nader gehoor, pagina 20.
7.Rapport nader gehoor, pagina 28.
8.Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011.
9.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (X en Y), onder 40-43.
10.ECLI:NL:RBDHA:2026:8250. Eiser verwijst in het bijzonder naar wat is overwogen onder 5.4.2.
11.Zie pagina 131-132 van het algemeen ambtsbericht Syrië van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van juli 2025.
12.Zie ook de door eiser aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam.