Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15729

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
NL26.24734
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArtikel 17 DublinverordeningArtikel 6 DublinverordeningArtikel 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens onvoldoende belangenafweging kind

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. De minister stelde dat eiser zijn huwelijk en het ouderschap van het kind niet aannemelijk had gemaakt. Eiser betwistte dit en voerde aan dat het belang van zijn jonge kind onvoldoende was meegewogen.

De rechtbank constateert dat de minister in het verweerschrift erkent dat de gezinsband tussen eiser, zijn partner en het kind wordt aangenomen, maar dat het belang van het kind niet concreet is meegewogen in het besluit. De rechtbank benadrukt het belang van veilige hechting en de rol van de vader in de ontwikkeling van het kind.

De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de overdracht aan Oostenrijk niet leidt tot onevenredige hardheid voor het kind. De rechtbank oordeelt dat het motiveringsbeginsel is geschonden en vernietigt het besluit. De minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen waarbij het belang van het kind expliciet wordt meegewogen. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt vernietigd vanwege onvoldoende motivering omtrent het belang van het kind.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24734

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. L.J.M. Rog).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer A. Yahye als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Oostenrijk een verzoek om terugname gedaan. Oostenrijk heeft dit verzoek aanvaard. De minister heeft daarbij geen omstandigheden waargenomen op grond waarvan de asielaanvraag alsnog aan zich zou moeten worden getrokken zoals bedoeld in artikel 17 van Pro de DVo. De minister stelt zich daarbij op het standpunt dat eiser zijn gestelde huwelijk niet aannemelijk heeft gemaakt en niet is gebleken dat hij de biologische/juridische ouder is van het kind dat hij stelt te hebben met zijn gestelde partner.
Standpunt van eiser naar aanleiding van het besluit
5. Eiser heeft het standpunt van de minister gemotiveerd betwist. Hij heeft daarbij eveneens stukken overgelegd die zien op zijn huwelijk en zijn banden met zijn dochtertje [naam]. Verder doet eiser een beroep op artikel 3 van Pro het IVRK [2] en stelt dat de minister in het bestreden besluit heeft nagelaten het belang van [naam] als een eerste overweging te betrekken. [naam] is geboren op [geboortedatum] 2025 en dus nog zeer jong. Zij is afhankelijk van beide ouders. Niet kenbaar is gemotiveerd hoe het belang van [naam] in deze procedure is meegewogen, zo stelt eiser.
Het verweerschrift
6. Bij bericht van 27 mei 2026 heeft de minister een verweerschrift ingediend. Daarin staat onder meer het volgende overwogen.

Eiser kan wel gevolgd worden in zijn stelling dat in het geval uitgegaan wordt van een gezinsband het belang van het kind ook expliciet en concreet had moeten worden meegewogen en dat een overweging hieromtrent ontbreekt in het bestreden besluit. Dit leidt echter niet tot een andere conclusie.

Ook in het kader van de belangen van het kind, waarbij wordt aangevoerd dat het kind afhankelijk is van beide ouders en overdracht een Oostenrijk negatieve gevolgen heeft voor de ontwikkeling van het kind, wordt geen aanleiding gezien om alsnog de aanvraag in Nederland te behandelen. Daarbij wijst verweerder erop dat het kind bij de moeder kan verblijven. Er is niet onderbouwd dat de moeder de zorg van het kind niet tijdelijk alleen kan dragen. Er blijft bovendien een mogelijkheid om elkaar te bezoeken of op andere manieren contact te onderhouden. Hoewel het natuurlijk in het belang van het kind is om ook een vader in de buurt te hebben en het begrijpelijk is dat eiser het liefst bij zijn pasgeboren dochter verblijft is ook niet onderbouwd dat het behandelen van de asielaanvraag van eiser in Oostenrijk zal leiden tot mogelijke schade in de ontwikkeling van het kind. Daarbij merkt verweerder op dat het kind nog zeer jong is en geen bewustzijn heeft. (…)”

6.1.
Ook vermeldt het verweerschrift dat de minister niet langer aanleiding ziet om te twijfelen aan de door eiser gestelde gezinsband met zijn echtgenote en zijn dochtertje [naam], zodat dit niet langer in geschil is.
Wat is nog wel in geschil?
7. De rechtbank stelt uit de door partijen overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting vast dat thans nog in geschil is de vraag of de minister het beroep van eiser op artikel 17 van Pro de DVo wegens de belangen van [naam] aan zich had dienen te trekken en of de minister [naam]’s belangen daadwerkelijk en kenbaar heeft afgewogen in het bestreden besluit.
Wat vindt de rechtbank?
8. Allereerst stelt de rechtbank vast dat de minister in het verweerschrift erkent dat nu de gezinsverband tussen eiser, zijn partner en [naam] wordt aangenomen, het belang van [naam] ook expliciet en concreet had moeten worden meegewogen en dat een overweging hieromtrent ontbreekt in het bestreden besluit. Dit blijkt ook uit het citaat zoals weergegeven in rechtsoverweging 6. In het tweede deel van het citaat heeft de minister overwogen dat en waarom ondanks dit verzuim niet alsnog toepassing wordt gegeven aan artikel 17 van Pro de DVo op grond van de belangen van [naam]. Samengevat stelt de minister zich op het standpunt dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die zouden moeten leiden tot het behandelen van zijn asielaanvraag in Nederland.
8.1.
In overweging 13 van de considerans en artikel 6 van Pro de Dublinverordening staat dat (overeenkomstig het IVRK en het Handvest [3] ) voor de lidstaten bij de toepassing van de Dublinverordening het belang van het kind voorop dient te staan.
8.1.1.
Verder mag uit algemene bronnen, alsook uit diverse internationale verdragen, worden afgeleid dat veilige hechting uitermate belangrijk is voor kinderen. Een veilige hechting is belangrijk voor de sociaal-emotionele ontwikkeling, de taalontwikkeling en de cognitieve ontwikkeling van het kind. Dit proces van hechting – (ook) met andere personen dan de moeder – start reeds vanaf de geboorte waarbij een kind zich in zijn eerste levensjaar gaat hechten aan degenen die het meest met hem zijn. Continuïteit in de aanwezigheid van de gehechtheidspersoon/-personen is belangrijk om een veilige gehechtheidsrelatie te kunnen opbouwen. Kinderen kunnen zich aan een beperkt aantal volwassenen hechten. Het is belangrijk dat die volwassenen regelmatig dichtbij zijn en contact met het kind hebben. [4]
8.2.
Verder stelt de rechtbank uit het dossier en het verhandelde ter zitting vast dat eiser laatstelijk 4 december 2025 Nederland is ingereisd, [naam] is geboren op 21 december 2025 en dat onbetwist is door de minister dat eiser, ondanks dat hij is ingeschreven op de opvanglocatie, bij zijn echtgenote en kind verblijft en zich enkel op de dinsdagen naar de opvanglocatie begeeft in verband met zijn meldplicht. Ook is onbetwist gebleven dat eiser op actieve wijze zorgdraagt voor [naam] en zo onder meer ook wekelijks drie dagen de volledige zorg voor [naam] op zich neemt in verband met een cursus die zijn echtgenote volgt.
8.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de belangen van [naam] onvoldoende concreet heeft geduid en gewogen. In de eerste plaats gaat het daarbij om de onbetwiste, substantiële rol van eiser in [naam]’s leven. Ten tweede om het belang van [naam] bij contact met haar vader zodat zij hun band (verder) kunnen opbouwen en zij zich (verder) aan hem kan hechten, welk belang de minister heeft erkend door op te merken dat het in het belang van [naam] is een vader in de buurt te hebben. Op beide zal een overdracht van eiser aan Oostenrijk van invloed zijn. De minister heeft niet afdoende uitgelegd dat een overdracht desondanks niet van een onevenredige hardheid getuigt. De minister stelt dat geen sprake hoeft te zijn van een definitieve scheiding en dat het mogelijk is elkaar te bezoeken of op andere manieren contact te onderhouden, maar heeft niet uitgelegd hoe deze omstandigheden in afdoende mate tegemoet komen aan de belangen van [naam]. De stelling van de minister dat [naam] “
nog zeer jong is en geen bewustzijn heeft” treft in dit verband geen enkel doel.
8.4.
De belangen van [naam] moeten een eerste overweging vormen. Gelet op het discretionaire karakter van artikel 17 van Pro de Dvo is het vervolgens aan de minister hoe de belangen van [naam] meewegen in het besluit om al dan niet gebruik te maken van die bevoegdheid. De rechtbank is van oordeel dat de minister zijn standpunt daarover onvoldoende heeft gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel zoals bedoeld in artikel 3:46 van Pro de Awb. [5] De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
9.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
9.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 1 mei 2026;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, rechter, in aanwezigheid van
J.M. van der Stouwe, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Verdrag inzake de rechten van het kind.
3.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
4.https://www.nji.nl/kennis/hechting-en-hechtingsproblemen
5.Algemene wet bestuursrecht