Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15724

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
NL26.23390 en NL26.23391
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 30b Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering ongeloofwaardigheid

Eiser, een Colombiaanse nationaliteit dragende persoon, vluchtte uit Colombia nadat hij door een criminele bende werd benaderd voor rekrutering, wat hij weigerde. Hij vroeg asiel aan in Nederland, maar zijn aanvraag werd door verweerder afgewezen wegens gebrek aan geloofwaardigheid en het niet doen van aangifte.

In beroep overlegt eiser onder meer een originele aangifte bij de Colombiaanse autoriteiten en een verklaring van het wijkcomité. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het asielrelaas ongeloofwaardig zou zijn, mede omdat verweerder de echtheid van de aangifte niet heeft onderzocht. Ook andere bezwaren van verweerder zijn niet logisch of onjuist.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de ingediende stukken en de echtheid van de aangifte moeten worden betrokken. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering van de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.23390 en NL26.23394
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M. Spapens),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn).

Samenvatting

1. Eiser komt uit Colombia. Hij heeft verklaard dat de bende ‘ [naam groepering 1] ’ hem heeft geprobeerd te rekruteren in Colombia. Nadat eiser dit heeft geweigerd is hij gevlucht omdat hij zich onveilig voelde. Hij is naar Nederland gekomen en heeft asiel gevraagd. Verweerder heeft dat verzoek afgewezen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld tegen dit besluit. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen onder meer omdat eiser geen aangifte heeft gedaan van de bedreiging van ‘ [naam groepering 1] ’. Eiser heeft later alsnog een originele aangifte ingediend bij verweerder. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eisers problemen met [naam groepering 1] ongeloofwaardig zijn. Nu eiser in beroep een aangifte heeft overgelegd, is het aan verweerder om deze op echtheid te onderzoeken en nader te motiveren waarom de problemen niet geloofwaardig worden geacht. Ook andere zaken die verweerder in het besluit heeft opgeschreven en in het nadeel van eiser zijn meegenomen, kloppen niet of zijn niet logisch. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 8 april 2026 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend.
2.1.
Bij besluit van 22 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond en aan hem een terugkeerbesluit uitgevaardigd en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
2.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen V.E. Hautemann. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser is geboren op [datum] 1998 en heeft de Colombiaanse nationaliteit. Hij legt aan zijn asielrelaas het volgende ten grondslag. Hij is uit Colombia gevlucht omdat de gewapende groepering ‘ [naam groepering 1] ’ hem in [plaats 1] probeerde te rekruteren. Eiser heeft dit geweigerd en besloten Colombia te verlaten omdat het te onveilig voor hem was.
3.1.
In beroep heeft eiser een bij de ‘Fiscalia’ ingediende aangifte ingediend, een voor het openbaar ministerie in Colombia afgelegde verklaring en een handgeschreven briefje, als ook vertalingen van die stukken. Daarvóór had eiser een verklaring van het wijkcomité, een ‘verzoek inschrijving slachtofferregister’ en stukken over Chili ingebracht.
Wat staat er in het bestreden besluit?
4. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen met de gewapende groepering [naam groepering 1] .
4.1.
Verweerder vindt het eerste motief geloofwaardig maar het tweede motief niet. Eisers verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eisers verklaringen stroken niet met de inhoud van de door hem overgelegde documenten. Ook zijn eisers verklaringen niet aannemelijk en is zijn handelen ongerijmd. Verweerder vindt eisers verklaringen ook algemeen en tegenstrijdig met de landeninformatie over [naam groepering 1] . Verweerder beoordeelt eisers verklaringen als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig, en duidelijk onwaarschijnlijk en tegenstrijdig met voldoende geverifieerde informatie. Daarom is de aanvraag kennelijk ongegrond. [1] Verweerder betrekt verder dat eiser pas bij de grensweigering zijn asielaanvraag heeft ingediend. Nu eiser op doorreis was naar Italië toont dit aan dat asiel niet zijn werkelijke intentie was, maar een middel om uitzetting te voorkomen. Eiser is geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade.
Heeft verweerder de problemen met de gewapende groepering [naam groepering 1] ongeloofwaardig kunnen vinden?
Verklaring van het wijkcomité
5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte concludeert dat zijn problemen niet geloofwaardig zijn. Eiser heeft met een kopie van een verklaring van het wijkcomité zijn problemen onderbouwd. Uit de strekking van dit document blijkt dat eiser bedreigd is om zich bij [naam groepering 1] te voegen. Omdat eiser gevlucht is kon hij niet nagaan welke datum op de verklaring stond en ook niet kunnen navragen waarom 19 maart 2026 als datum is genoteerd terwijl deze een dag later zou zijn opgesteld.
5.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat aan de verklaring van het wijkcomité geen waarde kan worden gehecht. De verklaring betreft een kopie die niet op echtheid kan worden onderzocht. Ondanks dat is uitgelegd waarom eiser het originele document niet bezit, kan geen waarde worden gehecht aan de kopie. Ook is het document niet objectief omdat deze op eisers verzoek is opgesteld. Verder wordt eiser aangerekend dat de verklaring in het document niet overeenkomt met eisers verklaringen. Ook heeft eiser afwijkend verklaard over zijn adres, dit wordt hem aangerekend. Dat eiser later heeft aangevuld dat hij telefonisch contact heeft gehad met het bestuur van het comité wordt niet gevolgd. Van eiser mag worden verwacht dat hij dit in het nader gehoor naar voren brengt. Dit is immers een groot detail is eisers relaas.
5.2.
De rechtbank volgt eisers standpunt dat zijn eigen verklaringen en de verklaring van het wijkcomité, wel in grote lijnen overeenkomen. De verklaring van het wijkcomité betreft een kopie die niet op echtheid kan worden onderzocht en zou volgens eiser zelf zijn opgemaakt op basis van zijn eigen verklaringen. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat er helemaal geen waarde aan het document kan worden gehecht, zoals verweerder heeft gesteld. Verweerder werpt verder tegen dat eiser heeft verklaard dat hij met een pistool is bedreigd, maar dat dit niet is opgenomen in de verklaring van het wijkcomité. De rechtbank is met verweerder eens dat dit niet overeenkomt met eisers verklaring, maar dit betekent niet dat de verklaring van het wijkcomité en eisers verklaring tegenstrijdig zijn met elkaar. Het detail dat een pistool is gebruikt, is niet zo groot dat het in de verklaring van het wijkcomité had moeten worden vermeld. Ook staat in de verklaring dat eiser al 27 jaar woonachtig is op hetzelfde adres, terwijl eiser heeft verklaard dat hij hier en daar heeft gewoond. Op de zitting heeft eiser verklaard dat hij al die tijd op hetzelfde adres stond ingeschreven en dat het als postadres diende, maar dat hij zelf steeds ergens anders woonde. De rechtbank acht die verklaring afdoende. Ook in de aangifte uit Colombia die eiser in beroep heeft ingebracht staat vermeld dat hij al die jaren woonachtig is geweest op dat adres. Dat ondersteunt dat de verklaring van het wijkcomité wel waarde verdient. Tot slot werpt verweerder tegen dat eiser wisselend heeft verklaard over hoe hij de verklaring bij het wijkcomité heeft afgelegd. Eiser heeft verklaard dat hij een bijeenkomst had met het bestuur van het comité. Hij heeft daarna toegelicht dat dit geen fysieke bijeenkomst was, maar dat dit telefonisch was. De rechtbank is met verweerder eens dat dit een wisselende verklaring is, maar niet dat daarom geen waarde kan worden gehecht aan de kopie. De verklaring van het wijkcomité onderbouwt immers grotendeels wat eiser zelf heeft verklaard bij het nader gehoor. Al daarom zou er enige waarde aan moeten worden gehecht.
Verzoek inschrijving slachtofferregister
6. Eiser voert aan dat hij met het verzoek tot inschrijving voor het slachtofferregister aantoont dat hij ontheemd is geraakt en dat hij gedwongen was te verhuizen van [plaats 1] naar [plaats 2] .
6.1.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de kopie van het verzoek tot inschrijving in het slachtofferregister eisers verklaringen in zeer beperkte mate ondersteunt. De rechtbank acht hierbij van belang dat eisers naam niet op het document staat en er geen leesbare datum is vermeld. Om die reden is het niet mogelijk om vast te stellen of het document aan eiser toebehoort en of deze is opgesteld op 22 maart 2026 zoals eiser heeft verklaard. Daarom kan niet de waarde aan dit document worden gehecht die eiser wenst.
Eisers verklaringen over de rekrutering
7. Eiser voert aan dat verweerder zijn verklaringen niet onaannemelijk en ongerijmd heeft kunnen vinden. Eiser heeft verklaard dat [naam groepering 1] hem op de eerste dag dat hij aankwam in de wijk hebben benaderd met de vraag of hij zich wilde aansluiten bij hun groepering. Eiser kan niet achterhalen waarom de bende hem en ook direct heeft benaderd.
7.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers verklaringen niet aannemelijk zijn ten aanzien van de rekrutering. Niet wordt ingezien waarom een gewapende groepering als [naam groepering 1] eiser op zijn dag van aankomst in de wijk wilde rekruteren terwijl zij hem niet kenden. Eisers stelling dat dit kwam juist doordat [naam groepering 1] hem niet kende, volgt verweerder niet. Eiser heeft daarmee niet uitgelegd waarom hij interessant zou kunnen zijn voor [naam groepering 1] . Los daarvan heeft eiser inconsequent verklaard over of hij geweigerd heeft om zich bij de bende aan te sluiten. Dit kan daarom niet als reden voor de rekrutering worden aangemerkt volgens verweerder omdat onduidelijk is wat eiser precies heeft verklaard.
7.2.
De rechtbank volgt eisers standpunt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat zijn verklaringen onaannemelijk en ongerijmd zijn. Dat eiser niet weet waarom precies hij is benaderd is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om de rekrutering op zich onaannemelijk te vinden. Zoals eiser heeft gesteld, kan het zijn dat de groepering hem bij aankomst in de wijk niet kende (uit zijn verklaringen begrijpt de rechtbank dat hij voor langere periodes in Chili verbleef en ook in Canada was geweest) en daarom interesse toonde. Dit stemt overeen met zijn verklaringen dat bij aankomst mensen op de hoek van de straat stonden, mensen van [naam groepering 1] na aankomst bij de tante hallo kwamen zeggen en vroegen wie hij was. [2] Eiser heeft verder over de poging tot rekrutering eerst verklaard:
‘Ik heb niet “nee” gezegd, ik heb gezegd dat ik niet kan omgaan met wapens en ik doe het liever niet. Ik heb niet letterlijk gezegd “nee’. [3] Verweerder werpt tegen dat dit inconsequent is met eisers latere verklaring:
’Als je nee zegt zit er volgens hun een reden achter en in hun optiek kan ik dan lid zijn van een andere bende en ik misschien in de buurt daar zit om voor een andere bende te spioneren. Voor hun moet er een reden zijn om niet deel te willen nemen aan hun oorlog. [4] De rechtbank ziet niet in waarom dit inconsequent is. Duidelijk is dat eiser niet instemmend heeft gereageerd op het rekruteringsverzoek, terwijl hij niet letterlijk nee heeft gezegd.
7.3.
De rechtbank volgt dat het bijzonder kan zijn dat eiser direct na aankomst is benaderd door [naam groepering 1] , maar verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank gezien het voorgaande onvoldoende gemotiveerd waarom deze verklaringen onaannemelijk, inconsequent, of ongerijmd zijn.
De aangifte
8. Eiser beroept zich op de ingebrachte aangifte.
8.1.
Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het ongerijmd is dat eiser geen aangifte heeft gedaan. Niet wordt ingezien dat eiser stelt te vrezen voor zijn leven en dat hij daarom is vertrokken naar [plaats 2] , maar dat hij vervolgens geen bescherming heeft gezocht. Van eiser mag verwacht worden dat hij alles doet om zijn leven te beschermen. Eiser heeft verder verklaard dat de bende nog navraag heeft gedaan bij zijn tante. Niet wordt ingezien waarom eiser niet aan zijn tante heeft gevraagd wat er precies door de groepering is gezegd, en dat eiser geen navraag doet bij zijn tante hierover. Van iemand die stelt te vrezen voor een groepering en die onlangs langs is geweest bij een familielid mag verwacht worden dat navraag wordt gedaan om te kunnen beoordelen hoe groot het risico is. Dat eiser dit niet hebt gedaan, is dan ook ongerijmd, aldus verweerder.
8.2. Verweerder heeft op de zitting het subsidiaire standpunt ingenomen dat eiser niet eenduidig heeft verklaard over het doen van aangifte. Eerder heeft hij verklaard geen aangifte te hebben gedaan. Ook klopt de datum op de aangifte niet met de datum die eiser in zijn zienswijze heeft vermeld. Ook staat in de Fiscalia aangifte dat er vier mannen zijn langs geweest die bij de [naam groepering 2] horen en dat eiser twee dagen had om zich te melden. Eiser heeft enkel [naam groepering 1] benoemd maar [naam groepering 2] nergens genoemd. Zonder een goede verklaring doet dit af aan de geloofwaardigheid. Ook wijkt het tijdstip van het voorval in de aangifte af van het tijdstip dat eiser heeft verklaard. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat eiser met het overleggen van de aangifte hoogstens heeft aangetoond dat hij aangifte heeft gedaan, maar niet dat daarmee zijn problemen geloofwaardig zijn. Het is immers een verklaring van eiser en geen beoordeling van de Colombiaanse politie. De tegenwerping dat eisers handelen ongerijmd is kan, indien de aangifte echt is, genuanceerd worden maar dit leidt niet tot een ander oordeel volgens verweerder.
8.3.
Er is nog geen onderzoek gedaan naar de echtheid van de aangifte. Dat laat de reële mogelijkheid open dat de aangifte echt is. Daarom acht de rechtbank de tegenwerping van verweerder dat eiser geen bescherming heeft gezocht en geen aangifte heeft gedaan, niet redelijk. Verweerders standpunt dat eiser ongerijmd heeft gehandeld kan dus niet gehandhaafd worden zonder nader onderzoek en motivering. Dat de aangifte niet tot een ander oordeel kan leiden, kan de rechtbank niet volgen nu een dragend onderdeel van de afwijzende motivering is gestoeld op het niet doen van aangifte. Bovendien ondersteunt de inhoud van de aangifte grotendeel de verklaringen die eiser bij het nader gehoor heeft afgelegd. Indien de aangifte echt blijkt, heeft eiser kennelijk enkele dagen na het gestelde incident een verklaring bij de Colombiaanse politie afgelegd. Dat laat de mogelijkheid open dat, zoals verweerder heeft gesteld, eiser toen al niet de waarheid sprak en anticipeerde op zijn asielverzoek. Dit zal verweerder echter nader moeten onderbouwen. Dat eiser eerst heeft verklaard dat hij geen aangifte had gedaan, acht de rechtbank met verweerder opvallend. Maar indien de aangifte echt blijkt, moet waarde worden gehecht aan eisers verklaring ter zitting dat hij niets wilde verklaren bij het nader gehoor als hij dat niet met stukken kon onderbouwen. Verweerder heeft verder terecht geconstateerd dat er ook andere verschillen bestaan tussen de aangifte en de door eiser afgelegde verklaringen bij het nader gehoor, zoals over briefjes neergelegd bij één of meerdere tantes, een tijdstip en een datum. De rechtbank acht het niet opportuun daar nu op in te gaan. Eerst moet de echtheid van de aangifte worden bepaald. Op de verschillen in verband met het noemen van de namen [naam groepering 1] en [naam groepering 2] wordt hierna wel op ingegaan.
Landeninformatie over [naam groepering 1]
9. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat hij algemeen en tegenstrijdig heeft verklaard. Eiser heeft verklaard dat [naam groepering 1] een criminele bende is die zich bezig houdt met moord, drugshandel, afpersingen en ontvoeringen. Eiser heeft verklaard dat ze overal in Colombia zitten. In Colombia is het algemeen bekend dat [naam groepering 1] en de [naam groepering 2] met elkaar samenwerken.
9.1.
Verweerder stelt dat eisers verklaringen over [naam groepering 1] algemeen zijn, maar ook tegenstrijdig met de landeninformatie over deze groep. Omdat eiser is opgegroeid in [plaats 1] mag van hem verwacht worden dat hij meer kan verklaren over [naam groepering 1] . Eisers verklaring dat [naam groepering 1] een grote groepering is die in heel Colombia zit, kan niet worden gevolgd. Uit de landeninformatie blijkt dat [naam groepering 1] met een andere bende samen in totaal 800 tot 1.500 leden heeft en actief in [plaats 1] . Er is naar verwezen als ‘lokale bendes’. Nergens in het ambtsbericht is genoemd dat deze criminele bende in heel Colombia opereert.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eisers verklaringen algemeen en tegenstrijdig zijn met de landeninformatie. Eiser heeft verklaard dat hij grote delen van zijn leven in Chili heeft doorgebracht. Dit heeft verweerder niet kenbaar betrokken bij zijn beoordeling dat eiser algemeen heeft verklaard. Eiser heeft aangevuld dat [naam groepering 1] samenwerkt met de [naam groepering 2] . De aangifte die eiser in beroep heeft overgelegd richt zich ook tegen leden van de [naam groepering 2] . Verweerder heeft op zitting gesteld dat het vreemd is dat eiser niets heeft verklaard over de [naam groepering 2] . De rechtbank is het met verweerder eens dat eiser dit eerder had kunnen noemen, maar dit verklaart naar het oordeel van de rechtbank ook waarom eiser heeft verklaard dat de bende overal in Colombia zit. Daarbij komt dat in de vertaling van de bij het openbaar ministerie afgelegde verklaring staat: “aangifte tegen stedelijke milities van het [naam groepering 2] -guerilla in samenwerking met bende [naam groepering 1] ”. Ook volgt uit landeninformatie dat [naam groepering 1] banden heeft met [naam groepering 2] met andere nationaal of internationaal opererende groepen. [5] De rechtbank erkent dat het opvallend is dat eiser alleen over [naam groepering 1] heeft verklaard bij het nader gehoor, maar dit is niet zo opvallend dat de gehele tegenwerping moet blijven staan.
Slotsom
10. Als blijkt dat eiser werkelijk aangifte heeft gedaan in Colombia, omdat deze echt blijkt, ondersteunt dat naar het oordeel van de rechtbank dat zijn asielrelaas in belangrijke mate. Gezien het voortgaande vertonen daarnaast veel van verweerders tegenwerpingen motiveringsgebreken. De resterende discrepanties waar verweerder in de besluitvorming en op zitting op heeft gewezen, zijn naar het oordeel van de rechtbank details. Het is daarom aan verweerder om nader te onderzoek te doen en nader te motiveren waarom het tweede asielmotief niet geloofwaardig is, dan wel daarover een ander standpunt in te nemen.
Conclusie en gevolgen
11. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep
is gegrond omdat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en daarmee in strijd is
met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook moet in ieder geval de in beroep ingediende fiscalia aangifte worden onderzocht. De rechtbank vernietigt daarom
het bestreden besluit. De gronden van eiser gericht tegen het kennelijk ongegrond verklaren behoeven geen behandeling.
12. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat
verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De
rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
13. Nu op het beroep is beslist bestaat geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
14. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot een betaling van € 934,- aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Zoon, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u, voor zover dit gaat over het beroep, een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw.
2.Nader gehoor, pagina 8.
3.Nader gehoor, pagina 9.
4.Nader gehoor, pagina 16.
5.Algemeen Ambtsbericht Colombia 2024, pagina 13 en 28.