ECLI:NL:RBDHA:2026:15715

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
NL26.29498
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.R. van der Winkel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwArt. 16 Terugkeerrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel bewaring in PI Vught

De minister van Asiel en Migratie legde op 10 januari 2026 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank had de maatregel reeds eerder getoetst in een uitspraak van 29 april 2026, waarin werd geoordeeld dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek op 23 april 2026 rechtmatig was. Bij de beoordeling van het voortduren van de maatregel werd daarom alleen gekeken naar de periode na die datum.

Eiser voerde aan dat de BPG-afdeling van PI Vught niet als een speciale inrichting voor bewaring kan worden aangemerkt, maar de rechtbank zag geen aanleiding om van haar eerdere oordeel af te wijken. De rechtbank concludeerde dat het voortduren van de maatregel rechtmatig is en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.29498

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. S. Akkas),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

De minister heeft op 10 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 29 mei 2026 om 24.00 uur (middernacht).

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 29 april 2026 (in de zaak NL26.21137) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was.
Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 23 april 2026.
Plaatsing en verblijf in PI Vught
4. Eiser herhaalt zijn eerder ingenomen standpunt dat de aard van de PI Vught, de strikte uitleg van het Hof van Justitie en het feitelijke contact met gedetineerden maken dat dat BPG-afdeling van de PI Vught niet kan worden aangemerkt als een speciale inrichting voor bewaring in de zin van artikel 16 van Pro de Terugkeerrichtlijn.
5. De rechtbank verwijst naar wat zij hiertoe heeft overwogen in haar eerdere uitspraken, met name de uitspraak van 29 april 2026, NL26.21137. In wat eiser in dit beroep heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toets
6. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat (het voortduren van) de maatregel van bewaring is. [2] Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. van der Winkel, rechter, in aanwezigheid van
D.K. Bloemers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.ECLI:EU:C:2022:858 en ECLI:EU:C:2025:647 en ECLI:EU:C:2026:148.