ECLI:NL:RBDHA:2026:15711

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
C/09/703674 / KG ZA 26-413
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • H.F.R. van Heemstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 UMVoArt. 2.20 BVIEArt. 6:194a BWArt. 6:193b BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbod op merkinbreuk en onrechtmatige vergelijkende reclame door verkoop imitatieparfums

Coty Beauty Germany GmbH, houdster van exclusieve licenties op diverse bekende parfummerken, start een kort geding tegen Petite Mort wegens merkinbreuk en onrechtmatige vergelijkende reclame. Petite Mort verkoopt parfums die zij presenteert als 'geïnspireerd door' de merken van Coty, gebruikt merknamen als producttags en maakt vergelijkingen die volgens Coty misleidend zijn.

De voorzieningenrechter oordeelt dat Petite Mort inbreuk maakt op de Uniemerken en Beneluxmerken van Coty door het gebruik van gelijke en overeenstemmende tekens voor identieke waren, waardoor verwarring kan ontstaan en ongerechtvaardigd voordeel wordt behaald. Ook is sprake van onrechtmatige vergelijkende reclame die niet voldoet aan de wettelijke eisen, onder meer door onjuiste prijs- en kwaliteitsclaims en onjuiste informatie over dierproeven.

De rechtbank verbiedt Petite Mort binnen twee dagen verdere inbreuk en onrechtmatig handelen, legt dwangsommen op en beveelt opgave van gegevens over leveranciers, voorraad en verkopen. Een rectificatie wordt afgewezen wegens onvoldoende informatieve inhoud. Petite Mort wordt veroordeeld in de proceskosten van ruim €12.800 en de wettelijke rente. De termijn voor hoofdzaak wordt vastgesteld op zes maanden.

Uitkomst: Petite Mort wordt verboden merkinbreuk en onrechtmatige vergelijkende reclame te maken en veroordeeld tot dwangsommen en proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/703674 / KG ZA KG ZA 26-413
Vonnis in kort geding van 11 juni 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
COTY BEAUTY GERMANY GMBHte Darmstadt (Duitsland),
eiseres,
hierna te noemen: Coty,
advocaten: mrs. H.W. van der Kaaij en P.S. Trapman,
tegen:
PERFUMEDIA B.V., mede handelend onder de naam
PETITE MORT, te Rotterdam,
gedaagde,
hierna te noemen: Petite Mort.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 april 2026 met producties EP01 t/m EP18;
- de op 20 mei 2026 door Coty ingediende aanvullende producties EP19 t/m EP26;
- de conclusie van antwoord van Petite Mort van 20 mei 2026 met producties GP01 t/m GP13;
- de op 20 mei 2026 door Coty ingediende aanvullende productie EP27;
- de op 21 mei 2026 door Petite Mort ingediende aanvullende producties GP09 (nieuw), GP14 en GP15;
- de op 21 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd. Petite Mort is daarbij vertegenwoordigd door mr. M. Taheri.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Coty maakt onderdeel uit van de Coty Group, die wordt aangestuurd door de Amerikaanse moedervennootschap Coty Inc. De Coty Group vervaardigt en verhandelt wereldwijd diverse schoonheidsproducten, waaronder parfumproducten van onder meer de merken Burberry, Calvin Klein, Chloé, Gucci en Hugo Boss. Eiseres is binnen de groep verantwoordelijk voor de handhaving van de intellectuele eigendomsrechten.
2.2.
Coty heeft van de merkhouders van een groot aantal merken een exclusieve licentie verkregen om parfumproducten onder deze merken te verhandelen. De registraties van deze merken heeft zij overgelegd als productie EP02. Dit betreft onder meer onderstaande merken (hierna: de merken):
  • het op 27 maart 2000 onder nummer 001058312 voor waren in onder meer klasse 3 (parfum) ingeschreven Uniewoordmerk: ‘BURBERRY’;
  • het op 4 augustus 2011 onder nummer 1091787 voor waren in klasse 3 (parfum) ingeschreven Uniewoordmerk: ‘BURBERRY BODY’;
  • het op 4 maart 2005 onder nummer 003322922 voor waren in klasse 3 (parfum) ingeschreven Uniewoordmerk: ‘BURBERRY BRIT’;
  • het op 23 januari 2015 onder nummer 013221783 voor waren in klasse 3 (parfum) ingeschreven Uniewoordmerk: ‘MY BURBERRY’;
  • het op 29 maart 2021 onder nummer 018345322 voor waren in klasse 3 (parfum) ingeschreven Uniewoordmerk: ‘BURBERRY GODDESS’;
  • het op 21 september 2005 onder nummer 003683661 voor waren in onder meer klasse 3 (parfum) ingeschreven Uniewoordmerk: ‘CHLOE’;
  • het op 28 september 2010 onder nummer 009021726 voor waren in klasse 3 ingeschreven Uniebeeldmerk:
  • het op 28 augustus 1970 onder nummer 372123 voor waren in onder meer klasse 3 (parfum) ingeschreven internationale woordmerk met aanwijzing van onder meer de Benelux: ‘CHLOE’;
  • het op 21 december 2005 onder nummer 004107546 voor waren in onder meer klasse 3 (parfum) ingeschreven Uniebeeldmerk:
  • het op 3 december 1998 onder nummer 704535 voor waren in klasse 3 (parfum) ingeschreven internationale woordmerk met aanwijzing van onder meer de Benelux: ‘GUCCI RUSH’;
  • het op 17 december 2010 onder nummer 009220161 voor waren in klasse 3 (parfum) ingeschreven Uniewoordmerk: ‘GUCCI FLORA’;
  • het op 23 oktober 2006 onder nummer 004726576 voor waren in onder meer klasse 3 (parfum) ingeschreven Uniewoordmerk: ‘GUCCI GUILTY’;
  • het op 26 maart 2008 onder nummer 000049254 voor waren in onder meer klasse 3 (parfum) ingeschreven Uniewoordmerk: ‘HUGO BOSS’;
  • het op 17 juni 2003 onder nummer 002543759 voor waren in klasse 3 (parfum) ingeschreven Uniewoordmerk: ‘BOSS BOTTLED’;
  • het op 13 september 2017 onder nummer 1373865 voor waren in klasse 3 (parfum) ingeschreven internationale woordmerk met aanwijzing van onder meer de EU: ‘BOSS THE SCENT’.
2.3.
Petite Mort is een Nederlandse onderneming die via haar website www.petitemort.co en sociale mediakanalen parfums verkoopt die volgens haar eigen zeggen zijn “geïnspireerd door” parfums van bekende merken. Hieronder zijn ter illustratie een aantal schermafbeeldingen weergegeven van de website en het Instagram-account van Petite Mort:
2.4.
In de achtergrondinformatie van de advertenties op petitmorte.co worden verschillende merken gebruikt als ‘producttags’, waardoor consumenten die dit merk als zoekterm op de website invullen, terecht komen bij een advertentie van een parfum dat is “geïnspireerd op” dit merk. Hieronder zijn hiervan een aantal voorbeelden weergegeven:
2.5.
In een nieuwsbrief die Petite Mort in april 2026 heeft gemaild naar consumenten die daarop geabonneerd zijn, is onder meer het volgende opgenomen:
2.6.
Op 15 april 2026 heeft Coty via www.petitmorte.co een testaankoop gedaan van een flesje parfum “Sensual Rose, geïnspireerd door Chloe EDP” voor € 39,- die vervolgens is geleverd het opgegeven adres. Op de verpakking van het geleverde product staat dat het is geleverd door Perfumedia B.V.
2.7.
Bij brief van 3 april 2026 heeft Coty Petite Mort gesommeerd om de inbreuk op haar merken en het onrechtmatig handelen te staken en gestaakt te houden. Op 15 april 2026 heeft Coty een herinnering gestuurd aan Petite Mort, waar zij op heeft gereageerd dat zij haar advocaat hiernaar laat kijken. Bij e-mail van 16 april 2026 heeft de advocaat van Petite Mort laten weten dat hij tijd nodig heeft om de situatie met Petite Mort te bespreken. Daarna heeft er geen correspondentie tussen partijen plaatsgevonden. Omdat Petite Mort haar producten ongewijzigd aanbiedt, is Coty onderhavige procedure begonnen.

3.Het geschil

3.1.
Coty vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. Petite Mort verbiedt om binnen twee dagen na heden in de Europese Unie inbreuk te maken op de intellectuele eigendomsrechten van Coty, waaronder haar merken, meer in het bijzonder door het (doen) verhandelen, verkopen, aanbieden, leveren, invoeren of in voorraad hebben van imitatieparfums onder gebruikmaking van de merken;
II. Petite Mort verbiedt om binnen twee dagen na heden onrechtmatig te handelen richting Coty, meer in het bijzonder door oneerlijke concurrentie, onrechtmatige vergelijkende reclame of oneerlijke concurrentie, waaronder door imitatieparfums op de markt te brengen die de cosmeticaregelgeving schenden;
III. Petite Mort beveelt om Coty binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis een rapport van feitelijke bevindingen van een registeraccount te doen toekomen van de volgende informatie:
de leverancier(s) en distributeur(s) van wie de imitatieparfums zijn verkregen, onder mededeling van hun adres(sen), e-mailadres(sen), telefoon en telefaxnummer(s);
de aan Petite Mort geleverde aantallen, nummers, prijzen en leverdata van de imitatieparfums, gerangschikt per leverancier of distributeur, onder overlegging van kopieën van de daarop betrekking hebbende facturen;
de afnemers (voor zover bekend), alsmede de verkochte aantallen, nummers, prijzen, leverdata en afleveradressen van de imitatieparfums, gerangschikt per afnemer, onder overlegging van kopieën van de daarop betrekking hebbende facturen en onder mededeling van adres(sen), e-mailadres(sen), telefoon- en faxnummer(s) van de afnemers;
e bij Petite Mort nog aanwezige voorraad van de imitatieparfums onder vermelding van de locatie waar de imitatieparfums zich bevinden, alsmede de aantallen van de imitatieparfums die op de markt zijn gebracht;
de met de imitatieparfums gemaakte omzet en winst, alsmede de verschillende ter berekening van de winst op de omzet in mindering gebrachte kostenposten, voorzien van duidelijke en gedetailleerde schriftelijke bewijsstukken van iedere kostenpost;
IV. Petite Mort veroordeelt om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis zonder enige begeleidende tekst een advertentie te plaatsen met onderstaande tekst op haar website:
“Geachte klant,
Bij vonnis van [datum vonnis] heeft de rechter van de Rechtbank Den Haag, locatie Den Haag, geoordeeld dat wij inbreuk hebben gemaakt op de merkrechten van Coty, onrechtmatig jegens Coty hebben gehandeld en oneerlijke vergelijkende reclame hebben gemaakt.
Wij benadrukken wij op geen enkele manier verbonden zijn aan Coty en ook geen licentie hebben gekregen van Coty.
[eventueel: Excuses voor het ongemak]
Hoogachtend,
[…]”
V. Petite Mort veroordeelt tot betaling aan Coty van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere overtreding van de onder I tot en met III opgelegde verboden c.q. bevelen en een dwangsom van € 2.500,- voor ieder(e) dag(deel) dat een overtreding voortduurt, tot een maximum van € 500.000,-;
VI. Petite Mort veroordeelt in de volledige proceskosten op grond van artikel 1019h Rv, vermeerderd met de wettelijke rente en de nakosten;
VII. de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak conform artikel 1019i Rv vaststelt op zes maanden na het in deze te wijzen vonnis.
3.2.
Daartoe voert Coty – samengevat – het volgende aan. Petite Mort biedt op haar website en via social media parfums aan onder de vermelding dat deze zijn “geïnspireerd op” de merken van Coty, terwijl de aangeboden producten niet afkomstig zijn van Coty. Ook gebruikt Petite Mort de merken als ‘producttags’ op de achtergrond van haar website waardoor consumenten die op een bepaald merk zoeken, uitkomen bij een parfum van Petite Mort dat is geïnspireerd op dit merk. Daarnaast gebruikt Petite Mort de merken in vergelijkende reclame op een wijze die strijdig is met Richtlijn 2006/114/EG [1] , door op haar website en in haar promotiemateriaal op diverse wijzen onjuiste en misleidende vergelijkingen te maken tussen haar parfums en de “designerparfums” van de merken.
Door aldus te handelen maakt Petite Mort inbreuk op de merken in de zin van artikel 9 lid 2 sub a UMVo Pro [2] (en artikel 2.20 BVIE [3] ) omdat zij (imitatie)parfums aanbiedt onder gebruikmaking van tekens die gelijk zijn aan de merken. Ook maakt zij inbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 sub b UMVo Pro (en artikel 2.20 BVIE) omdat zij (imitatie)parfums aanbiedt onder gebruikmaking van tekens die overeenstemmen met de merken, waardoor verwarring bij het publiek kan ontstaan. Tot slot maakt zij inbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 sub Pro c (en artikel 2.20 BVIE) doordat zij (imitatie)parfums aanbiedt onder gebruikmaking van tekens die gelijk zijn aan of overeenstemmen met de merken, terwijl de merken bekend zijn in een aanmerkelijk deel van de Europese Unie, waardoor zonder geldige reden ongerechtvaardigd voordeel wordt gehaald uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen van de merken. Bovendien handelt Petite Mort onrechtmatig jegens Coty door ongeoorloofde vergelijkende reclame te maken in de zin van artikel 6:194a BW [4] , doordat sprake is van een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 6:193b BW en door schending van artikel 19 en Pro 20 van de Cosmeticaverordening [5] door op de verpakking van de parfums niet of onvolledig de verplichte aanduidingen aan te brengen, aan de parfums kenmerken of functies toe te schrijven die deze niet bezitten en concurrentie in een kwaad daglicht te stellen.
3.3.
Petite Mort voert verweer, dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van Coty in de volledige proceskosten in de zin van artikel 1019h Rv, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.
3.4.
Petite Mort legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat de wijze waarop zij de merken gebruikt om haar parfums te promoten niet inbreukmakend is. Petite Mort gebruikt de merken niet veelvuldig en/of prominent en wekt niet het idee dat sprake is van imitatie, zodat geen gevaar bestaat voor verwarring en geen sprake is van meeliften. Petite Mort investeert geld en moeite in het opbouwen van een eigen identiteit en klantenkring en lift niet mee op de gestelde bekendheid van de Coty-merken. Petite Mort verwijst enkel ter herkenning van een geur naar de merken en klanten moeten meerdere actieve handelingen verrichten voordat zij die geurnaam zien. Het gebruik van de merken als producttags vindt alleen in de interne zoekmachine van haar website plaats en niet extern op bijvoorbeeld Google. Dergelijk merkgebruik om reclame te maken voor eigen producten levert volgens vaste rechtspraak geen inbreuk op, nu het voor de gemiddelde internetgebruiker voldoende duidelijk is dat de producten niet afkomstig zijn van Coty en het geen nadelige invloed heeft op de investeringsfunctie van Coty. Tot slot zijn de vergelijkingen die Petite Mort maakt tussen haar parfums en de parfums van de merken niet misleidend of negatief, zodat geen sprake is van strijd met Richtlijn 2006/114/EG. Petite Mort mag haar eigen producten aanprijzen onder de vermelding dat ‘andere merken’ duurder zijn, minder lang blijven hangen en niet ‘cruelty free’ (op dieren getest) zijn. Dit is geen onjuiste informatie nu uit openbare bronnen blijkt dat de parfums van de Coty-merken niet als ‘cruelty free’ aangemerkt worden.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling van het geschil

Bevoegdheid
4.1.
Voor zover de vorderingen zijn gegrond op de Uniemerken, is de voorzieningenrechter internationaal en relatief bevoegd daarvan kennis te nemen op grond van de artikelen 123 lid 1, 124 onder a en 125 lid 1 UMVo en artikel 3 van Pro de Uitvoeringswet EG-verordening inzake het Gemeenschapsmerk, aangezien Petite Mort in Nederland is gevestigd. Deze bevoegdheid strekt zich op grond van artikel 126 lid 1 UMVo Pro uit tot de gehele Europese Unie.
4.2.
Voor zover de vorderingen zijn gegrond op de Beneluxmerken, is de voorzieningenrechter internationaal en relatief bevoegd daarvan kennis te nemen op grond van de artikel 4.6 BVIE [6] , aangezien Petite Mort in Nederland is gevestigd. Deze bevoegdheid strekt zich uit tot de gehele Benelux.
4.3.
Voor zover de vorderingen zijn gegrond op onrechtmatig handelen, is de voorzieningenrechter internationaal bevoegd daarvan kennis te nemen op grond van artikel 4 lid 1 Brussel Pro I bis-Vo [7] , aangezien Petite Mort is gevestigd in Nederland. De relatieve bevoegdheid volgt uit artikel 99 Rv Pro.
Spoedeisend belang
4.4.
De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat het spoedeisend belang in beginsel is gegeven zolang de gestelde inbreuk of het gestelde onrechtmatig handelen voortduurt. Indien daartegen echter onvoldoende voortvarend is opgetreden, kan dit een aanwijzing zijn dat het belang van de eisende partij kennelijk geen voorlopige maatregel vergt. Een en ander hangt af van de omstandigheden van het geval.
4.5.
Coty heeft onweersproken gesteld dat zij pas recent bekend is geworden met de activiteiten van Petite Mort. Dit wordt onderschreven door de schermafbeeldingen van de website van Petite Mort die bij de dagvaarding zijn gevoegd, de proefaankoop en de sommatiebrief, die allen dateren van april 2025. Nadat Coty op de hoogte was gekomen van de activiteiten van Petite Mort, heeft zij haar direct een sommatiebrief gestuurd. Vervolgens heeft Petite Mort laten weten dat zij de situatie met haar advocaat moet bespreken, maar heeft zij haar handelen niet gestaakt, waarna Coty onderhavige procedure is begonnen. Nu de gestelde inbreuk c.q. het gestelde onrechtmatige handelen voortduurt en Coty daartegen voldoende voortvarend is opgetreden, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang gegeven.
Merkinbreuk
4.6.
Op grond van artikel 9 lid 2 UMVo Pro en artikel 2.20 lid 2 BVIE is – voor zover hier van belang – een merkhouder gerechtigd om een derde die zonder haar toestemming in het economisch verkeer een teken gebruikt voor waren, dit gebruik te verbieden wanneer:
  • sub a: het teken gelijk is aan het merk en wordt gebruikt voor waren waarvoor het merk is ingeschreven;
  • sub b: het teken gelijk is aan of overeenstemt met het merk en wordt gebruikt met betrekking tot waren die gelijk zijn aan of overeenstemmen met de waren waarvoor het merk is ingeschreven, indien daardoor bij het publiek verwarring kan ontstaan;
  • sub c: het teken gelijk is aan of overeenstemt met het merk, ongeacht of het wordt gebruikt voor waren waarvoor het merk is ingeschreven, wanneer het een in de Europese Unie / Benelux bekend merk betreft en wanneer door het gebruik van het teken zonder geldige reden ongerechtvaardigd voordeel wordt gehaald uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk.
Uit lid 3 volgt dat met name het volgende gebruik kan worden verboden:
b) het aanbieden van waren onder het teken;
f) het gebruik van het teken in vergelijkende reclame op een wijze die strijdig is met Richtlijn 2006/114/EG (in Nederland geïmplementeerd in artikel 6:194a BW).
Merkgebruik
4.7.
De voorzieningenrechter stelt vast dat Petite Mort haar parfums aanbiedt onder tekens die soms geheel en soms gedeeltelijk gelijk zijn aan de merken. Op haar website, social media en in haar promotiemateriaal vermeldt Petite Mort immers dat haar parfums zijn “geïnspireerd door” de merken, zoals “SENSUAL ROSE – geïnspireerd door Chloe EDP” en “GOLDEN VANILLA – geïnspireerd door Goddess”. Daarnaast gebruikt Petite Mort de volledige merknamen (zoals Hugo Boss, Chloe, Burberry en Gucci) als producttags in de zoekfunctie van haar website. Derhalve gebruikt Petite Mort de merken in de zin van artikel 9 lid 3 sub b UMVo Pro.
4.8.
Bovendien gebruikt Petite Mort de merken in vergelijkende reclame op een wijze die strijdig is met Richtlijn 2006/114/EG. Petite Mort maakt op haar website, social media en in haar promotiemateriaal een groot aantal vergelijkingen tussen haar parfums en de parfums van de Coty-merken. Zij noemt de merken daarbij niet expliciet, maar gebruikt termen als “designermerken”, “designergeuren” en “de grote merken”.
4.9.
Gelet op de context waarin zij deze termen gebruikt, in combinatie met het noemen van de merken in de advertenties, kunnen de merken geïdentificeerd worden en is het voor de consument duidelijk dat Petite Mort haar parfums vergelijkt met die van de Coty-merken. Petite Mort vergelijkt haar parfums op diverse wijzen met de parfums van de merken met stellingen zoals dat haar parfums “bijna identiek ruiken” en “langer blijven hangen en krachtiger ruiken” doordat zij “30% parfumolie” of “twee keer zoveel parfumolie” bevatten in vergelijking met parfums van de merken. Verder maakt Petite Mort prijsvergelijkingen door bij haar advertenties “adviesprijzen” van de parfums van de merken te vermelden en vergelijkingen te maken zoals: “Ervaar de luxe van designergeuren zonder het designerprijskaartje”, “De parfumindustrie heeft een stinkend geheim... Wist jij dat de daadwerkelijke parfum in je flesje gemiddeld maar rond de €1,50 kost? Zelfs bij de grote merken die honderden euro’s vragen”. Ook suggereert Petite Mort dat de parfums van de merken op dieren worden getest – en haar eigen parfums kennelijk niet – door te stellen: “Designer merken zijn niet cruelty free”.
4.10.
Deze vergelijkingen voldoen naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan de voorwaarden uit artikel 6:194a lid 2 BW. Daaruit volgt dat vergelijkende reclame geoorloofd is op voorwaarde dat deze – voor zover hier van belang –:
a. niet misleidend is;
c) op objectieve wijze een of meer wezenlijke, relevante, controleerbare en representatieve kenmerken van de goederen, zoals de prijs, met elkaar vergelijkt;
d) er niet toe leidt dat op de markt de adverteerder wordt verward met een concurrent, of de merken of goederen van de adverteerder met die van een concurrent;
e) niet de goede naam schaadt van de merken of goederen van een concurrent;
g) geen oneerlijk voorweel oplevert ten gevolge van de bekendheid van een merk van een concurrent;
h) de goederen niet voorstelt als een imitatie of namaak van goederen met een beschermd merk.
4.11.
De vergelijkende reclame die Petite Mort maakt, vormt geen objectieve vergelijking met de wezenlijke kenmerken van de waren van Coty, zoals de geur, de hoeveelheid parfumolie en de prijs. Petite Mort onderbouwt haar stellingen over deze kenmerken niet feitelijk en kan niet objectief aantonen dat deze juist zijn. Coty heeft van een groot aantal stellingen aangetoond dat deze onjuist en daarmee misleidend zijn. Zo kloppen de door Petite Mort genoemde adviesprijzen en stellingen over de concentratie parfumolie niet.
4.12.
Petite Mort heeft aangevoerd dat de stelling dat “designermerken niet cruelty free zijn”, niet onjuist is omdat de merken niet worden genoemd op een openbaar te raadplegen lijst van merken de wel “cruelty free” zouden zijn. Coty heeft echter aangetoond dat haar parfums niet op dieren worden getest, hetgeen ook helemaal niet is toegestaan op grond van de cosmeticaregelgeving. Een dergelijke vergelijking is derhalve onjuist, misleidend en schadelijk voor de goede naam van Coty. Derhalve gebruikt Petite Mort de merken ook in de zin van artikel 9 lid 3 sub f UMVo Pro.
Inbreuk “sub a”
4.13.
De voorzieningenrechter stelt vast dat Petite Mort door de wijze waarop zij de merken gebruikt, allereerst inbreuk maakt in de zin van artikel 9 lid 2 sub a UMVo Pro. Petite Mort gebruikt tekens die gelijk zijn aan de merken voor het aanbieden van waren waarvoor de merken zijn ingeschreven (parfums). Zo vermeldt Petite Mort bijvoorbeeld het merk CHLOE in de advertentie voor haar parfum Sensual Rose, door te stellen dat haar parfum is “geïnspireerd door Chloe EDP”. Het gebruikte teken ‘Chloe EDP’ is gelijk aan het merk CHLOE, aangezien de toevoeging ‘EDP’, dat de afkorting is van ‘eau de parfum’, volledig beschrijvend is. Daarnaast gebruikt Petite Mort tekens die gelijk zijn aan de merken als producttags op haar website. Daarmee gebruikt zij de merken in het economisch verkeer ter onderscheiding van haar waren. De hele opzet van de onderneming van Petite Mort is er immers op gericht om consumenten die op zoek zijn naar een merkparfum van Coty, uit te laten komen bij de parfums van Petite Mort. Als een internetgebruiker de merken van Petite Mort in de zoekmachine invoert, verschijnen de parfums van Petite Mort en niet de producten van de merken. Het feit dat de producttags niet zichtbaar zijn voor de internetgebruikers is niet relevant, omdat het economisch gedrag van de consument hierdoor wel wordt beïnvloed.
Inbreuk “sub b”
4.14.
De voorzieningenrechter is tevens van oordeel dat het voornoemde gebruik van (deels) gelijke merken voor identieke waren merkinbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 sub b UMVo Pro oplevert, omdat hierdoor verwarring bij het publiek kan ontstaan.
4.15.
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van verwarringsgevaar moet in aanmerking worden genomen dat dit globaal dient te worden beoordeeld volgens de indruk die merk en teken bij de gemiddelde consument van de betrokken waren of diensten achterlaten, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval, met name (de onderlinge samenhang tussen) de overeenstemming van het merk en het teken en de soortgelijkheid van de betrokken waren of diensten.
4.16.
De globale beoordeling van het verwarringsgevaar dient, wat de visuele, de auditieve en de begripsmatige vergelijking tussen het merk en teken betreft, te berusten op de totaalindruk die het merk en het teken wekken bij het relevante publiek, dat bestaat uit de normaal geïnformeerde en redelijk oplettende en omzichtige gemiddelde consument van de betrokken waren of diensten, waarbij in het bijzonder rekening dient te worden gehouden met hun onderscheidende en dominerende bestanddelen. Voorts dient rekening te worden gehouden met het onderscheidend vermogen van het merk. Er moet sprake zijn van reëel verwarringsgevaar bij de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument van de betrokken waren of diensten. Een zekere mate van overeenstemming en een zekere mate van (soort)gelijkheid zijn daarbij cumulatieve voorwaarden. [8]
4.17.
Door de vermelding dat de parfums zijn “geïnspireerd op” de merken, die een groot onderscheidend vermogen hebben en bekend zijn bij het betrokken publiek, in combinatie met de vermelding dat de parfums van Petite Mort hetzelfde ruiken, maar dat de consument niet betaalt voor “dure logo’s”, wekt Petite Mort de indruk dat het om identieke Coty-parfums gaat. De consument kan menen dat het gaat om parfums van de merken (in een andere verpakking) anderszins een associatie met het merk leggen. Het verweer van Petite Mort dat geen sprake is van verwarringsgevaar omdat zij de merken enkel gebruikt ter herkenning van een geur doet daaraan niet af. De onderscheidingsfunctie van de merken in kwestie is juist ter herkenning van de geur en voor het omschrijven van een geur kunnen ook andere termen zoals “bloemig, fris of zoet” worden gebruikt zonder dat het nodig is om een merknaam te noemen.
Inbreuk “sub c”
4.18.
Tot slot is de voorzieningenrechter van oordeel dat Petite Mort inbreuk op de merken maakt in de zin van artikel 9 lid 2 sub c UMVo Pro.
4.19.
Als onweersproken staat vast dat de Coty-merken bekend zijn in een aanmerkelijk deel van het publiek in de Europese Unie / Benelux waarvoor de waren bestemd zijn. Om uit te maken of Petite Mort door de wijze waarop zij de merken gebruikt ongerechtvaardigd voordeel trekt uit of afbreuk doet aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van de merken, moet een globale beoordeling worden gemaakt, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval, waaronder de mate van bekendheid en de mate waarin de merken onderscheidend vermogen hebben, de mate van overeenstemming van de conflicterende merken alsmede de aard van en de mate waarin de betrokken waren gerelateerd zijn. Met betrekking tot de mate van bekendheid en de mate waarin de merken onderscheidend vermogen hebben, heeft het Hof van Justitie reeds geoordeeld dat hoe groter het onderscheidend vermogen en de bekendheid van de merken is, des te gemakkelijker een inbreuk zal kunnen worden vastgesteld. [9]
4.20.
Over de vraag wanneer bij vergelijkende reclame, zoals in deze zaak aan de orde, ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van een merk, is in vaste rechtspraak overwogen dat een product (parfum) op grond van artikel 6:194a BW, mits voldaan is aan de eerder genoemde voorwaarden, mag worden voorgesteld als vergelijkbaar met een merkproduct (parfum), maar niet als een imitatie van dat merk (art. 6:194a lid 2 sub h BW). Imitatie in de zin van de bepalingen omtrent vergelijkende reclame omvatten iedere vorm van imitatie of replica (waaronder ook een imitatie van geur) en is niet beperkt tot ‘namaak’ in enge zin (waarbij niet alleen de geur maar ook de verpakking en het flesje zou zijn nagemaakt). [10] De rechtbank heeft in de eerdere vergelijkbare zaak overwogen dat met teksten als “u merkt geen verschil” bij de consument de suggestie wordt gewekt dat een geur niet slechts vergelijkbaar, maar hetzelfde is als de geur van bekende merken en dus wordt voorgesteld als imitatie of namaak. Als de merken in het verkoopmodel een grotere rol dan noodzakelijk spelen om imitaties te verkopen, is geen sprake van een rechtmatige vergelijking. [11]
4.21.
In het voorliggende geval zijn de uitingen van Petite Mort ook niet beperkt tot vergelijkingen met merkparfums, maar wordt de suggestie gewekt dat de geur hetzelfde is en dat dus sprake is van imitatie. De hele opzet van de onderneming van Petite Mort is erop gericht om consumenten die op zoek zijn naar parfums van de Coty-merken haar eigen parfums te laten kopen. Petite Mort presenteert haar parfums als een “premium alternatief” waarbij je “ruikt naar je favoriet” dat bovendien beter én goedkoper is dan parfums van de merken. De parfums van Petite Mort worden aldus voorgesteld als een imitatie van de merkparfums, waarbij tegelijkertijd de suggestie wordt gewekt dat de merkparfums van minder goede kwaliteit zijn, een slechte prijs-kwaliteitverhouding hebben en bovendien op dieren worden getest. Dat Petite Mort op haar website vermeldt dat zij “geen goedkope imitatie” leveren, doet hier – gezien de hele context waarin de parfums worden gepresenteerd – niet aan af.
4.22.
Daarbij geldt bovendien zoals hiervoor is overwogen dat imitatie in dit geval iedere vorm van imitatie omvat en is niet beperkt tot ‘namaak’ in enge zin. [12] Ook het verweer van Petite Mort dat zij – anders dan in voornoemde zaak Chanel/Bargello – niet prominent gebruik maakt van de merknamen, maar termen gebruikt als “desginerparfums” en de merknamen slechts onopvallend of gedeeltelijk bij haar advertenties vermeldt als omschrijving van de geur, maakt niet sprake is van een rechtmatige vergelijking. De specifieke vermelding bij een advertentie dat een parfum is “geïnspireerd door Chloe EDP” of “geïnspireerd door Goddess” draagt – naast de algemene vermeldingen dat Petite Mort een hoogwaardig alternatief biedt voor parfums van de merken – immers bij aan de suggestie van imitatie.
4.23.
Daarbij stelt zij de merken bovendien in een kwaad daglicht door aan haar parfums kenmerken toe te schrijven die deze niet bezitten. In samenhang met de grote bekendheid, het sterke onderscheidende vermogen en de goede reputatie van de merken, evenals de overige genoemde omstandigheden, leidt dat tot de conclusie dat Petite Mort ongerechtvaardigd voordeel trekt uit en afbreuk doet aan het onderscheidend vermogen en de reputatie van de merken en daarmee inbreuk maakt in de zin van artikel 9 lid 2 sub c UMVo Pro. Om dezelfde redenen handelt zij in strijd met artikel 6:194a lid 2 sub g BW.
Vorderingen
4.24.
Nu de voorzieningenrechter voorshands van oordeel is dat sprake is van merkinbreuk en onrechtmatig handelen, zal zij de onder I en II gevorderde verboden toewijzen.
4.25.
Het onder I gevorderde verbod om inbreuk te maken op “de, met name, in het lichaam van de dagvaarding genoemde intellectuele eigendomsrechten van Coty, waaronder haar merken” is naar haar oordeel te onbepaald en vindt geen steun in de door Coty aangevoerde rechten, die niet anders zijn dan (licenties) op een groot aantal merken. Aangezien Coty naast de in 2.2 genoemde merken een exclusieve licentie heeft op nog een groot aantal andere parfummerken (die zij heeft overgelegd als productie EP02) en de dreiging bestaat dat Petite Mort daar (ook) inbreuk op zal maken, zal het inbreukverbod worden opgelegd ten aanzien van alle merken waar Coty zich in deze procedure op heeft beroepen (zoals overgelegd in productie EP02).
4.26.
Het onder II gevorderde verbod om onrechtmatig jegens Coty te handelen, “waaronder door geen imitatieparfums op de markt te brengen die de cosmeticaregelgeving schenden” zal in zoverre worden beperkt tot een verbod op iedere vorm van onrechtmatige vergelijkende reclame. Het onrechtmatig handelen van Petite Mort jegens Coty dat in onderhavige procedure aannemelijk is gemaakt, ziet immers met name op het maken van onrechtmatige vergelijkende reclame en niet zozeer op ander vormen van onrechtmatige concurrentie.
4.27.
De onder III gevorderde opgave zal deels worden toegewezen, voor zover deze ertoe strekt informatie te verschaffen die noodzakelijk is om te reikwijdte van de inbreuk vast te stellen en verdere inbreuk tegen te gaan. In het bijzonder zullen de opgave met betrekking tot leveranciers worden beperkt tot parfums waarvan de verpakking is voorzien van de inbreukmakende tekens, nu niet is gesteld of gebleken dat parfums waarop deze tekens niet zijn aangebracht als zodanig (dus los van de onrechtmatige vergelijkende reclame) inbreuk maken op de rechten van Coty. Het voorgaande geldt evenzeer ten aanzien van de opgave van de voorraad. Verder zal de opgave ten aanzien van de verkopen worden beperkt tot de verkochte aantallen, nu Petite Mort zich richt op consumenten en niet is gesteld of gebleken dat Petite Mort ook aan professionele afnemers verkoopt. Ook zal dit onderdeel worden beperkt tot de verkopen waarbij gebruik is gemaakt van de inbreukmakende tekens op de verpakking en/of de website. Met betrekking tot de informatie over omzet- en winstgegevens, alsmede inkoop- en verkoopprijzen heeft Coty onvoldoende spoedeisend belang aangezien die informatie enkel relevant is in het kader van het begroten van de schade en/of af te dragen winst, waarvoor het kort geding zich niet leent.
4.28.
De onder IV gevorderde rectificatie zal worden afgewezen omdat deze niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.De gevorderde rectificatie luidt als volgt:
Bij vonnis van [datum vonnis] heeft de rechter van de Rechtbank Den Haag, locatie Den Haag, geoordeeld dat wij inbreuk hebben gemaakt op de merkrechten van Coty, onrechtmatig jegens Coty hebben gehandeld en oneerlijke vergelijkende reclame hebben gemaakt.
Wij benadrukken wij op geen enkele manier verbonden zijn aan Coty en ook geen licentie hebben gekregen van Coty.
Een rectificatie heeft tot doel om onjuiste informatie te rectificeren, oftewel de verkeerde veronderstelling die bij het relevante publiek is ontstaan recht te zetten. Het doel is niet om het publiek ervan op de hoogte te brengen dat een partij onrechtmatig heeft gehandeld. De rectificatie zoals door Coty gevorderd bevat onvoldoende informatie om het relevante publiek in staat te stellen om te beoordelen om welke merken en welke producten het gaat en dus hoe ze precies zijn misleid, om die misleiding vervolgens weg te nemen. De enkele mededeling dat er inbreuk is gemaakt op merken van Coty, zonder daarbij te vermelden om welke merken het gaat en om welke producten, resulteert derhalve niet in het rechtzetten van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie (als bedoeld in artikel 6:167 Burgerlijk Pro Wetboek). Het voorgaande geldt ook ten aanzien van de enkele mededeling dat oneerlijke vergelijkende reclame is gemaakt. Daarmee wordt de onrechtmatige vergelijkende reclame immers niet gerectificeerd.
4.29.
Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen en zal worden opgelegd zoals gevorderd.
Proceskosten
4.30.
Petite Mort zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van Coty. Coty maakt aanspraak op vergoeding van de volledige proceskosten als bedoeld in artikel 1019h Rv. Coty heeft specificaties van haar advocaatkosten (exclusief BTW) van in totaal € 11.623,50 overgelegd.
4.31.
De onderhavige zaak is deels een zaak ter handhaving van intellectuele eigendomsrechten in de zin van artikel 1019 Rv Pro. Nu ongeveer de helft van de aangevoerde stellingen zien op merkinbreuk en de andere helft op onrechtmatig handelen (onjuiste en misleidende vergelijkingen) zal de voorzieningenrechter ervan uitgaan dat 50 % van de door partijen gemaakte proceskosten ziet op het IE-deel en 50% op het niet-IE-deel.
4.32.
Teneinde de redelijkheid en evenredigheid van de opgevoerde kosten te kunnen beoordelen, wordt aansluiting gezocht bij de Indicatietarieven in IE-zaken (versie 1 februari 2026). De daarin vermelde tarieven worden geacht redelijk en evenredig te zijn. Onderhavige zaak valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter onder de categorie normaal kort geding met een maximumtarief van € 18.000,-. Voor het ‘niet-IE-deel’ van de zaak zal de voorzieningenrechter voor het vaststellen van de honorarium van de advocaat van Coty het in deze toepasselijke liquidatietarief gebruiken. Dit betekent dat een bedrag van (50% van 2 punten x tarief II: € 653,- =) € 653,- zal worden toegekend. Het gevorderde bedrag van
€ 11.623,50 overstijgt deze twee bedragen niet en zal tot dit bedrag worden toegewezen. Het bedrag aan advocaatkosten wordt verhoogd met € 735,- aan griffierecht, € 274,52 aan deurwaarderskosten en € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) aan nakosten, waarmee het totaalbedrag uitkomt op € 12.822,02.
4.33.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
verbiedt Petite Mort om binnen twee dagen na heden in de Europese Unie inbreuk te maken op de in 2.2 genoemde merken, meer in het bijzonder door het (doen) verhandelen, (doen) verkopen, (doen) aanbieden, (doen) leveren, (doen) invoeren of in voorraad (doen) hebben van imitatieparfums onder gebruikmaking van de merken;
5.2.
verbiedt Petite Mort om binnen twee dagen na heden onrechtmatig te handelen jegens Coty, meer in het bijzonder door iedere vorm van, onrechtmatige vergelijkende reclame;
5.3.
beveelt Petite Mort om Coty binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis een rapport van feitelijke bevindingen van een registeraccount te doen toekomen van de volgende informatie:
de leverancier(s) en distributeur(s) van wie de imitatieparfums, voor zover die zijn voorzien van tekens die gelijk zijn aan of overeenstemmen met de merken van Coty, zijn verkregen, onder mededeling van hun adres(sen), e-mailadres(sen), telefoon en telefaxnummer(s);
de aan Petite Mort geleverde aantallen, nummers en leverdata van de imitatieparfums, voor zover die zijn voorzien van tekens die gelijk zijn aan of overeenstemmen met de merken van Coty, zulks gerangschikt per leverancier of distributeur, onder overlegging van kopieën van de daarop betrekking hebbende facturen;
de verkochte aantallen, nummers, prijzen, leverdata en afleveradressen van de parfums, voor zover die zijn voorzien van tekens die gelijk zijn aan of overeenstemmen met de merken van Coty of ten aanzien waarvan op de website van Petite Mort gebruik is gemaakt van tekens die gelijk zijn aan of overeenstemmen met de merken van Coty,;
e bij Petite Mort nog aanwezige voorraad van de parfums, voor zover die zijn voorzien van tekens die gelijk zijn aan of overeenstemmen met de merken van Coty, onder vermelding van de locatie waar die parfums zich bevinden, alsmede de aantallen van de parfums die op de markt zijn gebracht;
5.4.
veroordeelt Petite Mort tot betaling aan Coty van een dwangsom van € 10.000,- ineens voor iedere overtreding van de onder I tot en met II opgelegde verboden c.q. bevelen en een dwangsom van € 2.500,- voor ieder dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat een overtreding voortduurt, tot een maximum van € 500.000,-;
5.5.
veroordeelt Petite Mort in de proceskosten van Coty van € 12.822,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Petite Mort niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Petite Mort € 98,- extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.6.
veroordeelt Petite Mort in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.7.
bepaalt de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv vaststelt op zes maanden na heden;
5.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.9.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.M.N. van Limpt-Schrover, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.

Voetnoten

1.Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 inzake misleidende en vergelijkende reclame, in Nederland geïmplementeerd in artikel 6:194a BW
2.Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk​
3.Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen)
4.Burgerlijk Wetboek
5.Verordening (EG) 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten
6.Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen)
7.​Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
8.HvJ 4 maart 2020, C 328/18 P, ECLI:EU:C:2020:156 (EUIPO / Equivalenza Manufactory)
9.HvJ EU 18 juni 2009, C-487/07 (L'Oréal / Bellure), r.o. 44.
10.HvJ EU 18 juni 2009, C-487/07 (L'Oréal / Bellure), r.o. 73 en 76.
11.Rb. Den Haag 1 juni 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:5860 (Chanel/Bargello) r.o. 4.13
12.HvJ EU 18 juni 2009, C-487/07 (L'Oréal / Bellure), r.o. 73 en 76.