Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15707

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
09/153662-23 en 22/002003-21 (tul)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 420bis SrArt. 2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor handel in harddrugs en witwassen met gedeeltelijke vrijspraak

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van handel in harddrugs (cocaïne en MDMA) in de periode van 7 juli 2023 tot 24 oktober 2023 en het witwassen van een bedrag van €74.694,48 tussen 5 juli 2021 en 24 oktober 2023. De handel vond plaats via een deallijn met een specifiek telefoonnummer, waarbij de verdachte samen met anderen drugs verkocht en afleverde.

De rechtbank sprak verdachte gedeeltelijk vrij van handel via eerdere telefoonnummers in de periode van februari 2022 tot juni 2023 wegens onvoldoende bewijs. Ook werd verdachte vrijgesproken van witwassen van de Staatsloterijwinsten, omdat de verklaring van legale herkomst aannemelijk en verifieerbaar was en het Openbaar Ministerie onvoldoende tegenbewijs leverde.

De contante geldbedragen en contante stortingen op bankrekeningen werden wel als uit misdrijf afkomstig aangemerkt, mede omdat verdachte geen aannemelijke verklaring gaf. De rechtbank hield rekening met het strafblad van verdachte, waaronder eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten en een geweldsdelict, en matigde de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De opgelegde straf is een gevangenisstraf van 17 maanden met aftrek van voorarrest. Tevens werd de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden gelast wegens het niet naleven van voorwaarden. De rechtbank verwierp het verzoek om deze om te zetten in een taakstraf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 17 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en gedeeltelijke vrijspraak voor witwassen van Staatsloterijwinsten en eerdere drugshandelperiodes.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/153662-23 en 22/002003-21 (tul)
Datum uitspraak: 1 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 18 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H.J. Starrenburg, en van wat door de verdachte en zijn raadsman, mr. E. van Reydt, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na nadere omschrijving van de tenlastelegging op de pro forma zitting van 5 juli 2024 en na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 18 mei 2026 - ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 18 februari 2022 tot en met 24 oktober 2023 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij meermalen, althans eenmaal, telkens, in de periode van 5 juli 2021 tot en met 24 oktober 2023 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meerdere anderen, althans alleen, van één of meerdere (contante) geldbedrag(en) van in totaal € 329.617,23,-, te weten
- een bedrag van € 130.968,80 (bijschrijving Staatsloterij op zijn, verdachtes, rekening), een bedrag van € 123.953,95 (bijschrijving Staatsloterij op de rekening van medeverdachte [medeverdachte 1] ) en/of
- een bedrag van € 14.145 (geld in zijn, verdachtes, woning)
- en/of een bedrag van € 60.549,48 (contante stortingen op zijn, verdachtes, rekening en/of de rekening van medeverdachte [medeverdachte 1] ),
althans een groot geldbedrag,
sub a
de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft
verborgen en/of heeft verhuld, dan wel heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de
rechthebbende(n) op dat geldbedrag was/waren, en/of heeft verborgen en/of heeft verhuld
wie dat geldbedrag voorhanden had(den)
sub b
heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en/of gebruik
heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte, wist dat dit geldbedrag onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit
enig (eigen) misdrijf.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Inleiding
De zaak tegen de verdachte is onderdeel van een groter strafrechtelijk onderzoek, genaamd 30Insight.
Dat onderzoek is gestart naar aanleiding van ontvangen informatie van het Team Criminele Inlichtingen dat de verdachte mogelijk zich schuldig zou maken aan de handel in harddrugs, waarbij hij de beheerder zou zijn van een zogenaamde deallijn, een telefoonnummer dat gebeld kan worden voor verdovende middelen, en verschillende bezorgers voor hem heeft werken. Deze deallijn, genaamd [deallijn] , zou een voortzetting zijn van de deallijn waarvoor de verdachte in 2019 voor het onderzoek genaamd Enter reeds is aangehouden en veroordeeld.
Na nader onderzoek, waarbij onder andere diverse observaties zijn verricht en mobiele telefoons zijn onderzocht, is de verdachte op 24 oktober 2023 in zijn woning aan de [adres] aangehouden. Tijdens een doorzoeking in deze woning werd onder andere op verschillende plekken in de woning een contant geldbedrag van in totaal € 14.145,- aangetroffen. Ook bleek na onderzoek naar de bankrekening van de verdachte dat hij op zijn bankrekening een bedrag van € 130.968,80 heeft ontvangen van de Staatsloterij. Verder heeft zijn partner, genaamd [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), een bedrag van € 123.953,95 op haar bankrekening ontvangen van de Staatsloterij. Tevens hebben de verdachte en [medeverdachte 1] in de periode van 5 juli 2021 tot en met 24 oktober 2023 een bedrag van € 60.549,48 contant op hun bankrekeningen gestort. De tweede verdenking is dat deze geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn.
De verdachte wordt in deze strafzaak verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
- het (mede)plegen van handel in harddrugs in de periode van 18 februari 2022 tot en met 24 oktober 2023 (feit 1);
- het (medeplegen van) witwassen van een geldbedrag van in totaal € 329.617,23 in de periode van 5 juli 2021 tot en met 24 oktober 2023 (feit 2).
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Ten aanzien van feit 1 acht de officier van justitie de gehele ten laste gelegde periode wettig en overtuigend bewezen en ten aanzien van feit 2 acht de officier van justitie het medeplegen van witwassen van alle ten laste gelegde bedragen wettig en overtuigend bewezen.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 wettig en overtuigend bewezen kan worden voor wat betreft de ten laste gelegde periode van 7 juli 2023 tot 24 oktober 2023 (de aanhouding van de verdachte), nu alleen bewijs voorhanden is van betrokkenheid van de verdachte bij de deallijn [deallijn] middels het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 1] . Van betrokkenheid bij de deallijn [deallijn] middels de telefoonnummers eindigend op [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] die in de overige ten laste gelegde periode zijn gebruikt, moet de verdachte worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de bijschrijvingen van de Staatsloterij op de bankrekeningen van de verdachte en zijn partner, nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat deze geldbedragen van een misdrijf afkomstig zijn. Ten aanzien van de overige ten laste gelegde geldbedragen heeft de verdediging geen bewijsverweren gevoerd.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de
bijlageopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
Bewijsoverwegingen
3.5.1
Ten aanzien van feit 1
Op grond van het dossier leidt de rechtbank af dat de deallijn [deallijn] , die gebruikt werd om verdovende middelen op bestelling af te leveren, vanaf 18 februari 2022 tot de aanhouding van de verdachte op 24 oktober 2023 actief is geweest, waarbij er gebruik werd gemaakt van drie verschillende telefoonnummers, te weten:
- het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 2] in de periode van 18 februari 2022 tot begin januari 2023;
- het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 3] in de periode van 30 januari 2023 tot 8 juni 2023;
- het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 1] in de periode van 8 juni 2023 tot 24 oktober 2023.
Voor wat betreft de betrokkenheid van de verdachte bij de deallijn [deallijn] ten aanzien van voornoemde telefoonnummers overweegt de rechtbank het navolgende.
De deallijn ten aanzien van de telefoonnummers eindigend op [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] (in de periode februari 2022 tot juni 2023)
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in verdovende middelen heeft gehandeld via de deallijn [deallijn] , waarbij gebruik werd gemaakt van de telefoonnummers eindigend op [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] . Het enkele gegeven dat de handelswijze van de deallijn overeenkomsten vertoont met de handelswijze binnen het onderzoek Enter, waarvoor de verdachte in 2019 is veroordeeld voor de handel in verdovende middelen, is onvoldoende voor de concrete betrokkenheid van de verdachte bij de deallijn [deallijn] met betrekking tot deze twee telefoonnummers. Ook het feit dat de verdachte reeds op 25 maart 2022 een webpagina met de door de deallijn gebruikte simbox heeft opgeslagen op zijn mobiele telefoon en op 2 augustus 2021, dus ruim voor de ten laste gelegde periode, met zijn mobiele telefoon het e-mailadres [e-mailadres] heeft doorgestuurd, is onvoldoende voor de concrete betrokkenheid van de verdachte bij de drugshandel. Op basis hiervan kan immers niet worden vastgesteld dat de verdachte op de genoemde data zich daadwerkelijk bezig heeft gehouden met drugshandel, al dan niet via de telefoonnummers eindigend op [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] . De rechtbank zal de verdachte dan ook partieel vrijspreken van de ten laste gelegde pleegperiode van februari 2022 tot en met juni 2023 waar deze telefoonnummers betrekking op hebben.
De deallijn ten aanzien van het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 1] (in de periode juni 2023 tot en met 24 oktober 2023)
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de verdachte de (mede)gebruiker is geweest van de deallijn [deallijn] met het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 1] en dat hij, samen met anderen, heeft gehandeld in cocaïne en MDMA. De verdachte heeft tijdens zijn laatste verhoor bij de politie verklaard dat hij in september 2023 als koerier heeft ingevallen bij de drugshandel via deze deallijn en dit gedurende drie maanden heeft gedaan. Gelet op de aanwezige bewijsmiddelen schuift de rechtbank deze verklaring voor wat betreft de beperkte betrokkenheid van de verdachte en de korte duur daarvan als onaannemelijk terzijde.
De rechtbank verwijst daarbij naar de berichten die in de mobiele telefoons van de medeverdachte [medeverdachte 2] en de verdachte zijn aangetroffen, waarin onder andere een rooster was opgeslagen met betrekking tot het dealen en een groepsgesprek werd gevoerd met berichten met betrekking tot de handel in verdovende middelen. Het rooster in de telefoon van de verdachte werd aangemaakt op 23 augustus 2023 en werd op 3 september 2023 voor het laatst gewijzigd.
In de mobiele telefoon van de verdachte zijn ook chatgesprekken aangetroffen, waarin informatie werd uitgewisseld met betrekking tot drugshandel. Hierbij werden onder andere foto’s van verdovende middelen uitgewisseld en informatie over de kwaliteit, de beschikbaarheid van de verdovende middelen en over de prijzen. Ook werden er afspraken gemaakt over eventuele ontmoetingen en/of de overdracht van de verdovende middelen.
De rechtbank verwijst verder naar de observaties door de politie, waarbij “dealgedrag” bij de verdachte werd waargenomen. De verdachte had in zijn voertuig korte ontmoetingen met verschillende personen, terwijl vlak daarvoor met de dealtelefoon contact was geweest met de desbetreffende persoon. Een aantal van die personen bleek na onderzoek ambtshalve bekende drugsgebruikers te zijn.
Tevens werd tijdens een observatie waargenomen dat de verdachte op 7 augustus 2023 handelingen verrichtte in een loods in [plaats] , waarin na de aanhouding van de verdachte verschillende goederen werden aangetroffen die gerelateerd kunnen worden aan drugshandel.
Ten slotte verwijst de rechtbank naar de verklaring van de getuige [getuige] die op 24 oktober 2023 samen met de medeverdachte [medeverdachte 2] werd aangehouden. Hij heeft verklaard dat hij dagelijks cocaïne bestelde via het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 1] en dat er verschillende mensen kwamen om de cocaïne te leveren.
Dat anderen ook gebruik hebben gemaakt van de dealtelefoon met het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 1] doet niets af aan de betrokkenheid van de verdachte bij de deallijn [deallijn] met dit telefoonnummer.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 7 juli 2023 tot en met zijn aanhouding op 24 oktober 2023 samen met anderen heeft gehandeld in harddrugs, te weten cocaïne en MDMA. Weliswaar werd het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 1] op 8 juni 2023 in gebruik genomen en werd er op die dag een sms-bericht naar verschillende contacten gestuurd dat de deallijn [deallijn] via dit nieuwe nummer te bereiken is, maar uit de historische gegevens volgt dat vanaf 7 juli 2023 pas inkomende telefonische registraties werden geregistreerd.
Voor de overige ten laste gelegde periode zal de verdachte partieel worden vrijgesproken.
3.5.2
Ten aanzien van feit 2
Toetsingskader witwassen
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van witwassen zoals bedoeld in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), bij het ontbreken van een rechtstreeks verband tussen het ten laste gelegde voorwerp en een bepaald misdrijf, op grond van de feiten en omstandigheden moet worden vastgesteld dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Wanneer van een dergelijk vermoeden sprake is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar die verklaring. Van de verdachte mag daarbij niet worden verlangd dat hij bewijs aandraagt voor zijn onschuld. Hij hoeft zijn verklaring niet aannemelijk te maken noch hoeft hij die verklaring te onderbouwen met stukken, tenzij hijzelf de aangewezen persoon is om die stukken snel en eenvoudig te bemachtigen.
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen de navolgende feiten en omstandigheden vast.
Ten aanzien van de stortingen van de Staatsloterij
De verdachte en zijn partner [medeverdachte 1] hebben van de Staatsloterij een totaalbedrag van € 254.922,75 (€ 130.968,80 op de bankrekening van de verdachte en € 123.953,95 op de bankrekening van [medeverdachte 1] ) op hun bankrekeningen bijgeschreven gekregen. Na onderzoek bleek dit uitgekeerde winsten van voetbalweddenschappen via de TOTO te zijn.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van deze feiten en omstandigheden sprake is van een vermoeden dat de voornoemde geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het is een feit van algemene bekendheid dat structurele en hoge winsten met kansspelen hoogst ongebruikelijk en onwaarschijnlijk zijn. Gelet hierop mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag.
De verdachte en [medeverdachte 1] hebben verklaard dat dit legale winsten van de TOTO betreffen die middels legale inzetten zijn behaald. De rechtbank acht deze verklaring niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Deze verklaring is ook verifieerbaar, nu de Staatsloterij op basis van daadwerkelijk winnende loten die door de verdachte dan wel [medeverdachte 1] zijn ingeleverd de geldbedragen op hun bankrekeningen heeft gestort. De verdachte en [medeverdachte 1] hebben hiermee het vermoeden van witwassen ontzenuwd en het is dan aan het openbaar ministerie om middels nader onderzoek deze ontzenuwing weg te nemen.
Naar het oordeel van de rechtbank is het openbaar ministerie daarin niet geslaagd en zijn er onvoldoende aanwijzing dat de uitkeringen van de winsten van de Staatsloterij van misdrijf afkomstig zijn dan wel dat de ingewisselde loten zijn verkregen middels enig misdrijf. Het procesdossier biedt namelijk geen aanknopingspunten voor de aanname van het openbaar ministerie dat de verdachte met geld dat hij heeft verdiend uit de handel in verdovende middelen, winnende TOTO-loten van onbekend gebleven derden heeft gekocht en daarmee legale winsten op zijn bankrekening heeft laten storten en hiermee drugsgeld heeft witgewassen, nog daargelaten of het bestaan van een dergelijke werkwijze tot de conclusie moet leiden dat de door de Staatsloterij uitbetaalde geldbedragen ‘afkomstig’ zijn uit enig misdrijf.
De rechtbank zal de verdachte dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging partieel vrijspreken.
Ten aanzien van de contante geldbedragen
Op 24 oktober 2023 zijn bij een doorzoeking van de woning van de verdachte en [medeverdachte 1] aan de [adres] op verschillende plaatsen contante geldbedragen van in totaal € 14.145,- aangetroffen. Verder hebben de verdachte en [medeverdachte 1] in de periode van 2021 tot en met 2023 een bedrag van in ieder geval € 60.549,48 contant op hun bankrekeningen gestort.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van deze feiten en omstandigheden sprake is van een vermoeden dat de voornoemde geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het contante geldbedrag werd op verschillende plekken in de woning van de verdachte en [medeverdachte 1] aangetroffen. Dit geldbedrag en de contante stortingen stroken verder niet met de (beperkte) legale inkomsten van de verdachte en [medeverdachte 1] . Gelet hierop mag van de verdachte en/of [medeverdachte 1] worden verlangd dat zij een verklaring geven voor de herkomst van de geldbedragen.
Zowel de verdachte als [medeverdachte 1] hebben hieromtrent geen aannemelijke verklaring gegeven. De verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij zwart heeft gewerkt en hiermee contante inkomsten heeft verdiend, maar heeft hij deze verklaring op geen enkele wijze onderbouwd met bijvoorbeeld schriftelijke stukken. Dat kon in dit geval – gelet op wat de rechtbank vooropgesteld heeft – wel van de verdachte worden verlangd.
De rechtbank komt om die reden tot de slotsom dat het niet anders kan zijn dan dat voornoemde geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte en [medeverdachte 1] een geldbedrag van in totaal € 74.694,48 hebben witgewassen door dit geldbedrag voorhanden te hebben dan wel om te zetten van contant naar giraal geld. Uit de bewijsmiddelen kan afgeleid worden dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 1] . Het geldbedrag van € 14.145,- werd in hun gezamenlijke woning aangetroffen en [medeverdachte 1] heeft verklaard dat een deel van het geld van haar was. Verder werden de contante geldbedragen deels gestort op de bankrekening van de verdachte en deels op de bankrekening van [medeverdachte 1] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft zowel de verdachte als [medeverdachte 1] op deze werkwijze een significante en wezenlijke bijdrage aan het bewezen verklaarde geleverd.
Nu geen concreet gronddelict kan worden aangewezen, zal ‘enig misdrijf’ bewezen worden verklaard. Het verweer van de raadsman dat het voorhanden hebben van het geldbedrag van € 14.145,- niet gekwalificeerd kan worden als witwassen, omdat er slechts sprake is van het voorhanden hebben van geld uit eigen misdrijf, wordt dan ook verworpen.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 5 juli 2021 tot en met 254 oktober 2023 samen met [medeverdachte 1] een geldbedrag van in totaal € 74.694,48 heeft witgewassen.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1.
hij in de periode van
7 juli 2023tot en met 24 oktober 2023 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.
hij meermalen, in de periode van 5 juli 2021 tot en met 24 oktober 2023 in Nederland, tezamen en in vereniging met
eenander, contante geldbedragen van in totaal
€ 74.694,48, te weten
- een bedrag van € 14.145, geld in zijn, verdachtes, woning en
- een bedrag van € 60.549,48, contante stortingen op zijn, verdachtes, rekening en de rekening van medeverdachte [medeverdachte 1] ,
voorhanden heeft gehad
enheeft omgezet,
terwijl hij, verdachte, wist dat dit geldbedrag onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht aan de verdachte, gelet op het tijdsverloop, artikel 63 Sr Pro en zijn persoonlijke omstandigheden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van zijn voorarrest op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna vier maanden schuldig gemaakt aan het medeplegen van de handel in harddrugs. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen, mede vanwege de zeer verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers. Bovendien leiden de handel in en het gebruik van verdovende middelen tot vele vormen van criminaliteit en overlast. De verdachte heeft zich om dit alles niet bekommerd en heeft slechts oog gehad voor zijn eigen financieel gewin.
De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen van een groot geldbedrag. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op het financieel en economisch verkeer, faciliteert de onderliggende criminaliteit en levert een aantasting op van de legale economie.
Het strafblad van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 september 2025. Daaruit blijkt – onder andere – dat de verdachte eerder is veroordeeld tot een forse gevangenisstraf voor overtreding van de Opiumwet. Bovendien liep hij in een proeftijd ten aanzien van deze veroordeling. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden wederom soortgelijke feiten te plegen. Verder is hij op 27 februari 2025 veroordeeld wegens een geweldsdelict. De rechtbank zal, gelet op artikel 63 Sr Pro, rekening houden met deze veroordeling.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsadviezen over de verdachte van 22 januari 2025, 3 maart 2025 en 18 maart 2025. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank alleen worden volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. De rechtbank houdt verder rekening met het feit dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat hij in een proeftijd liep. De rechtbank acht het zeer kwalijk dat de verdachte, ondanks deze proeftijd, zich wederom schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke feiten.
De rechtbank acht in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden passend en geboden. In deze zaak is echter de redelijke termijn overschreden. De verdachte is op 24 oktober 2023 in verzekering gesteld. De rechtbank zal heden op 1 juni 2026 vonnis wijzen. Van bijzondere omstandigheden die een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen is niet gebleken. Dit betekent dat de redelijke termijn met meer dan zeven maanden is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat dit een matiging van een maand tot gevolg moet hebben.
Alles afwegend acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zeventien maanden met aftrek passend en geboden. De verdachte heeft deze straf al uitgezeten gelet op de duur van zijn voorarrest. De straf is lager dan door de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank tot een aanzienlijk beperktere bewezenverklaring komt.
De voorlopige hechtenis
Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis is reeds bij apart geminuteerde beslissing van 18 mei 2026 opgeheven.

7.Beslag

Met betrekking tot het beslag heeft de officier van justitie ter terechtzitting van 18 mei 2026 meegedeeld dat dit geen strafrechtelijk beslag, maar conservatoir beslag betreft. Het vorenstaande is door de raadsman bevestigd. Een beslissing van de rechtbank hieromtrent is dan ook niet mogelijk.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 22 december 2023 gevorderd dat de bij parketnummer 22/002003-21 door het gerechtshof Den Haag op 9 maart 2023 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van zes maanden ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarde.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft toewijzing van de vordering en omzetting van de zes maanden gevangenisstraf naar een taakstraf verzocht.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering, nu uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de gevangenisstraf om te zetten naar een taakstraf, zoals door de raadsman verzocht.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 47, 57, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2
medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
17 (ZEVENTIEN) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
verstaat dat het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis ter terechtzitting van 18 mei 2026 is opgegeven;
verstaat dat er geen strafrechtelijk beslag open staat ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen op de beslaglijst;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van het gerechtshof Den Haag van 22 december 2023, gewezen onder parketnummer 22/002003-21, te weten een gevangenisstraf voor de duur van
6 (ZES) MAANDEN.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, voorzitter,
mr. E.R.F. van Engelen, rechter,
mr. A. Tsjapanova, rechter,
in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juni 2026.