Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15690

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
C/09/703860 / KG ZA 26-426
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gebieds- en contactverbod na poging tot doodslag en bedreiging

In deze kortgedingprocedure vordert eiseres een gebieds- en contactverbod tegen gedaagde, die eerder is veroordeeld voor poging tot doodslag en bedreiging van eiseres en haar minderjarige dochter. Eiseres vreest dat gedaagde haar en haar dochter zal opzoeken nu hij recentelijk is vrijgelaten.

De voorzieningenrechter overweegt dat het gebieds- en contactverbod een ernstige inbreuk vormt op de persoonlijke vrijheid van gedaagde, maar dat het belang van eiseres en haar dochter bij bescherming zwaarder weegt. Gedaagde heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn belangen bij toegang tot de betreffende gebieden prevaleren.

Het contactverbod wordt toegewezen omdat gedaagde ter zitting verklaarde geen contact te willen. De verboden worden toegewezen voor twee jaar, korter dan gevorderd, met een dwangsom bij overtreding. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst het gebieds- en contactverbod toe voor twee jaar met dwangsom en proceskostenveroordeling.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/703860 / KG ZA 26-426
Vonnis in kort geding van 9 juni 2026
in de zaak van
[eiseres], wonende op een geheim adres, domicilie gekozen hebbende op het kantooradres van haar advocaat,
eiseres,
advocaat mr. D. Rezaie te Amsterdam,
tegen:
[gedaagde]te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat mr. M. Mos te Nieuwegein.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagde]’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 mei 2026 met productie 1;
- het schriftelijke verweer van [gedaagde], met producties 1 en 2;
- de nadere producties 2 en 3 van de zijde van [eiseres].
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 26 mei 2026. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [gedaagde] het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Deze maken deel uit van het dossier.
1.3.
Tijdens de zitting is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Bij arrest van 20 februari 2025 is [gedaagde] door het Gerechtshof Amsterdam onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar vanwege een poging tot doodslag, omdat hij op 6 juli 2021, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om [eiseres] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met een mes in de rug en éénmaal in de lies van [eiseres] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid, en omdat hij de destijds driejarige dochter van [eiseres] heeft bedreigd met zware mishandeling, onder meer door een mes aan haar te tonen en dat mes op haar buik te richten.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert – zakelijk weergegeven – [gedaagde] te verbieden om zich onmiddellijk na de betekening van dit vonnis gedurende een periode van vijf jaar te bevinden, dan wel op te houden in de [gemeente 1] en in [plaats], [gemeente 2], met machtiging aan [eiseres] om de tenuitvoerlegging van het gebiedsverbod met behulp van de sterke arm te bewerkstelligen, en om [gedaagde] te verbieden om onmiddellijk na betekening van dit vonnis in de meest ruime zin contact te zoeken of te onderhouden met [eiseres]. Verder vordert [eiseres] de op te leggen verboden te versterken met een dwangsom en [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
Daartoe stelt [eiseres] – samengevat – het volgende. Onlangs is [eiseres] ermee bekend geworden dat [gedaagde] weer in vrijheid is gesteld. [eiseres] vreest dat [gedaagde] haar en haar dochter zal opzoeken. Zij heeft er daarom belang bij dat het [gedaagde] wordt verboden om zich te bevinden in [gemeente 1], waar [eiseres] en haar dochter op een geheim adres wonen, en in [plaats], waar [eiseres] werkzaam is, en om contact met haar te zoeken.
3.3.
De conclusie van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vorderingen, althans tot afwijzing of matiging van de gevorderde dwangsommen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Zijn verweer zal hierna, voor zover nodig, worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat een gebiedsverbod en een contactverbod, zoals [eiseres] heeft gevorderd, een ernstige inbreuk vormen op het recht op persoonlijke vrijheid van degene aan wie de verboden worden opgelegd. Dit betekent dat de vorderingen alleen kunnen worden toegewezen wanneer het veilig stellen van de persoonlijke vrijheid van [eiseres] tegen inbreuken daarop door (in dit geval) [gedaagde] niet op een andere, minder ingrijpende, wijze te bereiken valt.
De gebiedsverboden
4.2.
Hoewel [gedaagde] heeft benadrukt dat hij spijt heeft van het geweldsincident, dat hij al ruim een jaar uit detentie is en dat hij sindsdien geen enkele poging heeft gedaan om [eiseres] of haar dochter op te zoeken of contact met hen te leggen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat een gebiedsverbod in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter weegt bij dit oordeel mee dat [gedaagde] ten opzichte van [eiseres] en haar dochter zeer ernstig geweld heeft gebruikt, dan wel daarmee heeft gedreigd, en dat voldoende aannemelijk is dat zij daarvan nog dagelijks de nadelige gevolgen ondervinden. In dit verband heeft [eiseres] voldoende onderbouwd dat zij bang is voor [gedaagde] en dat zij zich onveilig voelt in haar woning en tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden, sinds zij weet dat [gedaagde] weer in vrijheid is gesteld. Verder heeft [eiseres] toegelicht dat zij vreest voor de gezondheid van haar dochter wanneer zij met [gedaagde] zou worden geconfronteerd, omdat haar dochter is gediagnosticeerd met een post-traumatische stressstoornis als gevolg van het handelen van [gedaagde].
4.3.
Het voorgaande betekent dat het belang van [eiseres] bij de gevorderde gebiedsverboden zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] om zich vrij te kunnen bewegen. Dit geldt te meer nu [gedaagde] met betrekking tot de [gemeente 1] in het geheel niet heeft onderbouwd welk belang hij heeft om daar te zijn. Voor zover [gedaagde] met betrekking tot [plaats], waar [eiseres] haar [praktijk] voert, heeft aangevoerd dat zijn volwassen zoon in die praktijk werkzaam is als [functienaam], is de voorzieningenrechter van oordeel dat [gedaagde] daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn belang om [plaats] te kunnen bezoeken moet prevaleren boven het belang van [eiseres] bij een gebiedsverbod. Weliswaar heeft [gedaagde] in dit verband betoogd dat hij zijn zoon moet kunnen helpen wanneer zich een calamiteit voordoet, maar hiertegenover heeft [eiseres] voldoende toegelicht dat de zoon van [gedaagde] slechts twee dagen per week in haar [praktijk] werkt, dat de partner van de zoon daar ook werkt en dat er in de praktijk in totaal ongeveer veertien personen werkzaam zijn. Daartegenover heeft [gedaagde] niet aannemelijk gemaakt dat het juist hij is die, vanuit zijn woonplaats [woonplaats], zijn zoon bij eventuele calamiteiten (als eerste) de helpende hand moet kunnen bieden.
4.4.
Aan het verweer van [gedaagde] dat met de belangen van de dochter van [eiseres] geen rekening kan worden gehouden omdat zij geen partij is in deze procedure, gaat de voorzieningenrechter voorbij. Hoewel de dagvaarding niet mede namens de dochter van [eiseres] is uitgebracht, staat vast dat [eiseres] verantwoordelijk is voor het welzijn en de veiligheid van haar minderjarige dochter, zodat de belangen van haar dochter in zoverre een rol spelen in het kader van de beantwoording van de vraag of een gebiedsverbod is aangewezen.
4.5.
Dat [gedaagde] zijn leven weer op de rit probeert te krijgen en inmiddels weer als huisarts werkzaam is, betekent, anders dan [gedaagde] kennelijk meent, niet dat [eiseres] geen belang meer heeft bij de gebiedsverboden. [eiseres] heeft er in dit verband immers terecht op gewezen dat [gedaagde] ten tijde van het geweldsincident in 2021 ook werkzaam was als huisarts en dat die hoedanigheid hem destijds niet van het plegen van ernstige strafbare feiten heeft weerhouden.
4.6.
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat de advocaat van [eiseres] hem niet voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding voor deze kortgedingprocedure heeft aangeschreven, zodat hij rauwelijks gedagvaard is. Dit betoog kan niet worden gevolgd. De advocaat van [eiseres] heeft in dit verband genoegzaam uiteengezet dat het versturen van een sommatiebrief gelet op de aard van de vorderingen niet voor de hand lag.
4.7.
De gevorderde gebiedsverboden zullen gelet op het voorgaande worden toegewezen. In verband met de eisen van proportionaliteit zullen de verboden, gelet op het ingrijpende karakter ervan, niet voor de duur van vijf jaar zoals is gevorderd, maar voor de duur van twee jaar worden toegewezen.
Het contactverbod
4.8.
[gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat hij geen contact wil met [eiseres] of haar dochter. Nu [eiseres] haar belang bij het contactverbod voldoende aannemelijk heeft gemaakt, zal de daartoe strekkende vordering als onweersproken worden toegewezen. Ook dit verbod zal in verband met de eisen van proportionaliteit in duur worden beperkt tot een periode van twee jaar.
De overige vorderingen en de proceskosten
4.9.
De gevorderde machtiging om de gebiedsverboden met behulp van de sterke arm ten uitvoer te laten leggen als [gedaagde] zich daar niet aan houdt, wordt eveneens als onweersproken toegewezen.
4.10.
Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de toegewezen verboden, is aangewezen. Aan de op te leggen dwangsommen zal een maximum worden verbonden op de hierna vermelde wijze.
4.11.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en hij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- dagvaarding
153,77
- griffierecht
341,--
- salaris advocaat
1.177,--
- nakosten
€ 189,--
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.860,77

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
verbiedt [gedaagde] om zich, onmiddellijk nadat dit vonnis aan hem is betekend, gedurende een periode van twee jaar te bevinden, dan wel op te houden in de [gemeente 1], alsmede in [plaats], [gemeente 2];
5.2.
machtigt [eiseres] om de tenuitvoerlegging van het in 5.1. vermelde verbod met behulp van de sterke arm van politie en justitie te bewerkstelligen als [gedaagde] in gebreke blijft aan dit verbod te voldoen;
5.3.
verbiedt [gedaagde] om, onmiddellijk nadat dit vonnis aan hem is betekend, in de meest ruime zin (onder meer telefonisch, per sms, per e-mail, per WhatsApp, in persoon of per post) contact te zoeken of te onderhouden met [eiseres];
5.4.
bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van € 500,-- voor iedere keer dat hij het in 5.1. vermelde verbod of het in 5.3. vermelde verbod overtreedt, tot een maximum van in totaal € 100.000,--;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de zijde van [eiseres] zijn begroot op € 1.860,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij € 98,-- extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en bij diens afwezigheid in het openbaar uitgesproken door mr. T.F. Hesselink op 9 juni 2026.
mvt