ECLI:NL:RBDHA:2026:15677

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
NL26.3500
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzet tegen proceskostenveroordeling in asielprocedure wegens niet tijdig beslissen

Deze uitspraak betreft het verzet tegen een eerdere uitspraak van 23 maart 2026, waarin de rechtbank het beroep gegrond verklaarde wegens het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag en een proceskostenvergoeding vaststelde.

Het verzet richtte zich op de vaststelling van de beslistermijn en de hoogte van de proceskostenvergoeding. De rechtbank oordeelt dat het verzet tegen de beslistermijn ongegrond is, omdat geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die de eerder opgelegde termijn van acht weken evident onjuist maken.

Voor wat betreft de proceskostenveroordeling is het verzet gegrond verklaard. De rechtbank stelt vast dat de gehanteerde wegingsfactor van 0,25 voor een opvolgend beroep passend is, gelet op de beperkte werkzaamheden, en stelt de proceskostenvergoeding vast op €233,50. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van de verzetsprocedure, vastgesteld op €934, wat leidt tot een totale proceskostenvergoeding van €1.167,50.

De uitspraak is gedaan door rechter L.J. van der Veen en griffier A.S. van der Veen en is openbaar bekendgemaakt op 11 juni 2026.

Uitkomst: Het verzet is gegrond voor de proceskostenveroordeling die wordt vastgesteld op €233,50, terwijl het verzet tegen de beslistermijn ongegrond blijft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3500

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[naam], opposant [1] ,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: J.J. Eizenga),

en uitspraak in de beroepszaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: J.J. Eizenga),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over de uitspraak van de rechtbank van 23 maart 2026, waarin de rechtbank het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond heeft verklaard. Het verzet richt zich tegen de vaststelling van de beslistermijn en de proceskostenveroordeling.
1.1.
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond voor zover dit betrekking heeft op de beslistermijn. Voor zover het verzet betrekking heeft op de proceskostenveroordeling is het gegrond. De rechtbank beslist vervolgens opnieuw op dat onderdeel.
2. De rechtbank heeft het verzet op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van opposant en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak op het verzet uitsluitend of in de uitspraak van 23 maart 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] was, dat het beroep kennelijk gegrond was en dat de proceskostenvergoeding is vastgesteld op € 233,50. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de overige beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gedeeltelijk gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposant
5. Het beroep van opposant richtte zich tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van 18 september 2023. Opposant heeft de minister op 10 maart 2025 in gebreke gesteld en verzocht om alsnog binnen twee weken een besluit te nemen. Toen na ommekomst van deze termijn een besluit uitbleef, heeft hij beroep ingesteld. [3] Deze rechtbank, zittingsplaats ‘s- Hertogenbosch, heeft het beroep op 15 juli 2025 gegrond verklaard en een beslistermijn van acht weken vastgesteld. Het onderhavige beroep is het tweede beroep tegen het niet tijdig beslissen.

De uitspraak van 23 maart 2026

6. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank doen wanneer het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de eerder gestelde beslistermijn was verstreken.
Gronden verzet
7. Opposant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte opnieuw een beslistermijn van acht weken heeft opgelegd, terwijl er reeds bij een eerdere uitspraak aan de minister een termijn van acht weken was opgelegd. Door opnieuw een dergelijke ruime termijn te hanteren, ondanks het uitblijven van naleving van de eerdere rechterlijke uitspraak, miskent de rechtbank de ernst van het negeren van rechterlijke beslissingen door een bestuursorgaan. Een dergelijke handelwijze levert een ernstige schending van de rechtsorde en een aantasting van de trias politica op. Volgens opposant had de rechtbank daarom een aanzienlijk kortere termijn van twee weken moeten opleggen.
8. Verder stelt opposant zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat de wegingsfactor voor de proceskosten 0,25 (zeer licht) bedraagt. Volgens opposant had de rechtbank ten minste een wegingsfactor van 0,5 (licht) moeten toepassen. Opposant verwijst in dit verband naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraak van 27 maart 2024. [4] Hieruit volgt dat in beginsel een wegingsfactor van 0,5 wordt toegepast indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en/of ter beoordeling staat of een dwangsom is verschuldigd. De Afdeling overweegt expliciet dat geen aanleiding bestaat om in vreemdelingenzaken een lagere wegingsfactor te hanteren en dat van bijzondere omstandigheden niet is gebleken. Niet wordt ingezien waarom dat in de onderhavige zaak anders zou moeten zijn. Opposant zich niet verenigen met de stelling dat de omvang van de werkzaamheden bij een (opvolgend) beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit beperkter zou zijn. Ook in dergelijke zaken dienen onder meer besprekingen plaats te vinden, moet dossieronderzoek worden verricht en dient het beroepschrift te worden opgesteld en ingediend. Daarnaast dient de voortgang van de procedure te worden bewaakt en moet tot slot de uitspraak worden ontvangen, bestudeerd en gecommuniceerd. Een wegingsfactor van 0,25 doet geen recht aan deze werkzaamheden. Het belang van de procedure kan daarom niet als zeer beperkt worden aangemerkt.
Overwegingen van de rechtbank over de verzetsgronden
9. De rechtbank stelt voorop, zoals in rechtsoverweging 3 uiteengezet, dat verzet ziet op de vraag of de rechtbank ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van het beroep van opposant. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in verzet beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposant op zitting te horen. Het verzet kan zich ook richten tegen nevenuitspraken, zoals de proceskostenveroordeling. Indien in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan moet de rechter het verzet gegrond verklaren, zodat nader onderzoek kan plaatsvinden. [5]
10. Voor zover het verzet ziet op de beslistermijn, overweegt de rechtbank dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden waaruit volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 23 maart 2026 ten onrechte is uitgegaan van een termijn van acht weken. De enkele omstandigheid dat eerder een termijn is gesteld van acht weken, betekent niet dat de gekozen termijn evident onjuist is. Het verzet is in zoverre ongegrond.
11. Voor zover het verzet is gericht tegen de proceskostenveroordeling, overweegt de rechtbank dat dit onderdeel een nevendictum betreft dat zelfstandig kan worden beoordeeld en, indien nodig, kan worden herzien zonder dat de gehele uitspraak haar gelding verliest. [6]
12. De rechtbank stelt vast dat de aangevoerde gronden over de gehanteerde wegingsfactor maken dat twijfel is ontstaan over de vraag of in de uitspraak van 23 maart 2026 terecht is geoordeeld dat zonder zitting kon worden beslist, omdat de uitkomst van het beroep buiten redelijke twijfel vaststond, voor zover dat ziet op de proceskostenveroordeling. Het verzet is in zoverre gegrond.

Beoordeling van de rechtbank van het beroep inzake de proceskostenveroordeling

13. Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting over het verzet. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek na de zitting niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep [7] , voor zover dat ziet op de proceskostenveroordeling. [8] Opposant zal hierna worden aangeduid als eiser.
14. Nu het verzet alleen gegrond is voor zover het de proceskostenveroordeling betreft, blijft de uitspraak van 23 maart 2026 voor het overige in stand. De rechtbank moet opnieuw beslissen op het onderdeel proceskosten.
15. Bij de bepaling van de proceskosten in beroep sluit de rechtbank aan bij de rechtspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 1 december 2025. [9] Daarin is geoordeeld dat de werkzaamheden bij een opvolgend beroep wegens het niet tijdig beslissen aanzienlijk beperkter zijn dan bij een dergelijk eerste beroep. Bij een eerste beroep moet de gemachtigde onder meer onderzoeken of er sprake is van termijnoverschrijding, welke beslistermijn geldt, of deze termijn is verlengd of opgeschort en of een ingebrekestelling is verzonden. [10] Bij een opvolgend beroep liggen deze aspecten doorgaans reeds vast in het dossier en in een eerdere rechterlijke uitspraak. In die uitspraak is reeds vastgesteld dat niet tijdig is beslist en is een beslistermijn opgelegd. In dat geval beperkt de beoordeling zich in de hoofdzaak tot de vraag of de door de rechtbank opgelegde termijn is overschreden, waarna een nieuw beroepschrift wordt ingediend. Hetgeen door eiser over de hoogte van de proceskostenvergoeding en de Lichte Adviestoevoeging is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
16. De minister moet de door de eiser gemaakte proceskosten in verband met de beroepsprocedure vergoeden. Gelet op de beperkte omvang van de verrichte werkzaamheden ziet de rechtbank aanleiding de proceskostenvergoeding te matigen met de factor 0,25 en vast te stellen op € 233,50,-.

Conclusie en gevolgen

17. Het verzet is gegrond voor zover betrekking hebbend op de proceskostenveroordeling. Dat betekent dat de uitspraak van 23 maart 2026, voor zover betrekking hebbend op dat onderdeel, vervalt. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor het beroep niet tijdig beslissen vast op € 233,50.
18. De minister moet ook de door de opposant gemaakte proceskosten in verband met de verzetsprocedure vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting van de gemachtigde met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Dat betekent dat de totale proceskostenvergoeding zal worden vastgesteld op € 1.167,50.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet, voor zover gericht tegen de proceskostenveroordeling, gegrond;
  • verklaart dat de uitspraak van 23 maart 2026 ten aanzien van de proceskostenveroordeling vervalt;
  • stelt de proceskostenvergoeding in beroep vast op € 233,50;
  • verklaart het verzet voor het overige ongegrond;
  • veroordeelt de minister tot betaling aan eiser van € 1.167,50,- voor de proceskosten in beroep en in verzet.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
A.S. van der Veen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.NL25.17692.
4.ABRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1253.
5.Vgl. de uitspraak van de ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1278, r.o. 4.
6.CRvB 29 april 1996,
7.Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.
8.Artikel 8:75, van de Awb maakt dat mogelijk.
9.Rb 1 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22665.
10.Vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld