ECLI:NL:RBDHA:2026:15676

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
NL25.23314
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31, eerste lid, VwArt. 3 EVRMArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72, vierde lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering risico terugkeer Afghanistan

Eiser, een Afghaanse Tadzjiek geboren in 1990, diende op 3 maart 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Hij stelde dat hij vanwege zijn werkzaamheden voor het Amerikaanse leger en zijn afvalligheid van de islam gevaar loopt bij terugkeer naar Afghanistan, met name door de Taliban.

Verweerder wees de aanvraag op 25 april 2025 af, stellende dat de asielmotieven geloofwaardig waren maar onvoldoende concreet onderbouwd om een reëel risico op vervolging of ernstige schade aan te nemen. Eiser voerde aan dat verweerder de cumulatie van omstandigheden onvoldoende had meegewogen en dat het risico onderschat was.

De rechtbank oordeelde dat de beoordeling van het risico niet los van elkaar mag plaatsvinden, maar in onderlinge samenhang moet worden bezien. Uit landeninformatie blijkt dat ook civiele medewerkers van buitenlandse troepen risico lopen, ongeacht tijdsverloop, en dat afvalligen een risicogroep vormen. Verweerder had ten onrechte aangenomen dat eiser problemen kan voorkomen door zijn afvalligheid niet kenbaar te maken.

De rechtbank concludeerde dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de cumulatie van omstandigheden niet leidt tot een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. Het beroep is gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen acht weken, rekening houdend met deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering van het risico bij terugkeer naar Afghanistan.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23314

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

(gemachtigde: mr. A. Bondarev).

Procesverloop

Eiser heeft op 3 maart 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 25 april 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de waarnemend gemachtigde van eiser, mr. S.A.M. Fikken en [tolk] als tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1990.
Het asielrelaas
2. Eiser heeft verklaard dat hij tot de Tadzjiekse bevolkingsgroep behoort, hij in de periode van 2010 tot 2013 als assistent-kok voor het Amerikaanse leger heeft gewerkt en daarom gevaar loopt van de Taliban. Daarnaast heeft eiser aangegeven dat hij afvallig is van de islam en als gevolg hiervan vreest bij terugkeer naar Afghanistan.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: (1) de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; (2) de werkzaamheden van eiser voor het Amerikaanse leger; en (3) de afvalligheid van eiser van de islam. Deze asielmotieven acht verweerder geloofwaardig. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser met deze geloofwaardig geachte asielmotieven niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. Volgens verweerder zijn de door eiser gestelde problemen vanwege zijn werkzaamheden voor het Amerikaanse leger gebaseerd op vermoedens en onvoldoende concreet onderbouwd, terwijl evenmin aannemelijk is gemaakt dat hij vanwege zijn afvalligheid problemen zal ondervinden. Verweerder concludeert dat de asielaanvraag als ongegrond moet worden afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw. [1]
Gronden
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe aan dat de afwijzing onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd en het risico dat hij bij terugkeer loopt is onderschat. Volgens eiser heeft verweerder miskend dat hij vanwege zijn werkzaamheden voor het Amerikaanse leger tot een risicogroep behoort die door de Taliban wordt vervolgd, ook wanneer sprake is van een niet-militaire of laaggeplaatste functie. Verder stelt eiser dat het aannemelijk is dat de Taliban van zijn werkzaamheden op de hoogte is of zal raken, dat verweerder vergelijkbare gevallen onvoldoende heeft meegewogen en dat de relevante risicofactoren ten onrechte afzonderlijk in plaats van in onderlinge samenhang zijn beoordeeld. Volgens eiser leiden zijn werkzaamheden voor het Amerikaanse leger, de machtsovername door de Taliban, zijn afvalligheid en zijn gestelde verwestering gezamenlijk tot een verhoogd en individueel risico op vervolging of een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM [2] bij terugkeer naar Afghanistan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van een gestelde schending van artikel 3 van Pro het EVRM niet kan worden volstaan met een afzonderlijke beoordeling van de door eiser aangevoerde risicofactoren. Uit de rechtspraak van het EHRM [3] volgt dat alle relevante individuele omstandigheden in onderlinge samenhang dienen te worden bezien tegen de achtergrond van de actuele situatie in het land van herkomst. [4] De rechtbank zal daarom niet uitsluitend beoordelen of eisers werkzaamheden voor het Amerikaanse leger op zichzelf voldoende zijn om een reëel risico aan te nemen, maar ook de betekenis daarvan bezien in samenhang met de overige door eiser aangevoerde omstandigheden, waaronder zijn afvalligheid van de islam. Achtereenvolgens zal de rechtbank beoordelen welke betekenis aan deze omstandigheden toekomt in hun onderlinge samenhang en of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade.
Werkzaamheden voor het Amerikaanse leger
6. Met betrekking tot eisers werkzaamheden voor het Amerikaanse leger acht de rechtbank van belang dat uit het AAB [5] Afghanistan 2025 volgt dat personen die werkzaamheden hebben verricht voor buitenlandse troepen reeds vóór de machtsovername door de Taliban doelwit konden zijn van vergeldingsacties. [6] Voorts blijkt uit dat ambtsbericht dat ook na de machtsovername voormalige medewerkers van buitenlandse troepen beschouwd kunnen worden als personen die risico lopen op verdenkingen van spionage, afpersing of wraakacties, waarbij iedere eerdere band met westerse mogendheden aanleiding kan vormen voor negatieve aandacht van de Taliban. Daarbij wordt expliciet vermeld dat ook personen uit de lokale gemeenschap informatie kunnen doorgeven aan de Taliban. [7]
7. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank van betekenis dat eiser gedurende langere tijd werkzaamheden heeft verricht voor het Amerikaanse leger als assistent-kok. Hoewel eiser geen militaire functie vervulde en deze werkzaamheden reeds in 2013 heeft beëindigd, volgt uit de beschikbare landeninformatie niet dat het enkele tijdsverloop de negatieve betekenis van een eerdere samenwerking met buitenlandse troepen wegneemt. [8] Uit het EUAA [9] -rapport volgt dat lokaal gerekruteerde personen vaak mensen waren die ‘ongeschoolde’ werkzaamheden verrichtten, zoals schoonmakers, chauffeurs en bewakers. Hoewel deze personen mogelijk geen ‘primaire doelwitten’ waren, konden zij tegelijkertijd wel ‘bekende doelwitten’ zijn, omdat zij deel uitmaakten van de lokale gemeenschappen waarin de operaties plaatsvonden. [10]
8. Uit zowel het AAB Afghanistan 2025 als het EUAA-rapport volgt dat personen die voor buitenlandse troepen of aan hen gelieerde organisaties hebben gewerkt, ook civiele of ondersteunende medewerkers, een risico kunnen lopen bij terugkeer naar Afghanistan, ongeacht het tijdsverloop sindsdien. Daarbij wordt specifiek vermeld dat de zichtbaarheid van deze werkzaamheden binnen de lokale gemeenschap een relevante factor vormt voor de risico-inschatting. Het feit dat eiser zijn verklaringen dat de Taliban van zijn werkzaamheden op de hoogte zijn geraakt en dat zijn werkzaamheden lokaal bekend waren niet met afzonderlijke documenten of andere bewijsstukken heeft kunnen onderbouwen, doet hieraan niet af. Verweerder heeft immers eisers verklaringen over zijn werkzaamheden en bekendheid daarmee bij zijn buren, Taliban aanhangers, geloofwaardig geacht. Dat eiser niet met documenten heeft kunnen aantonen dat de Taliban daadwerkelijk op de hoogte zijn van zijn werkzaamheden, betekent niet dat de in de landeninformatie beschreven risico’s reeds daarom buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Juist bij de beoordeling van de samenhang van alle relevante omstandigheden blijft dit risicobeeld van betekenis.
Afvalligheid
9. Verweerder heeft de afvalligheid van eiser geloofwaardig geacht. Afvalligen worden in het land gebonden beleid aangemerkt als risicogroep. Dat betekent dat verweerder overeenkomstig paragraaf C2/2.4 Vreemdelingencirculaire (Vc) moet beoordelen of eiser met beperkte individuele indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer problemen zal ondervinden.
10. Het EHRM heeft geoordeeld dat niet kan worden aangenomen dat een vreemdeling zijn persoonlijke achtergrond, ervaringen of banden met het Westen zodanig verborgen kan houden dat daarmee het risico op negatieve aandacht van de Taliban wordt weggenomen, gelet op het repressieve karakter van het huidige Talibanregime, de actieve sociale controle en het arbitraire optreden van de Taliban. [11] In het aanvullend gehoor heeft eiser verklaard dat hij noodgedwongen zou doen alsof hij moslim is. [12] Ook heeft eiser niet onder het Talibanregime als afvallige geleefd en is de situatie in Afghanistan sinds zijn vertrek aanzienlijk verslechterd. Verweerder mag van eiser niet verlangen dat hij, om een risico op vervolging of een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM te voorkomen, wezenlijke aspecten van zijn identiteit, overtuigingen of persoonlijke achtergrond verborgen houdt bij terugkeer naar Afghanistan. Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 5 september 2012 in de zaak Y. en Z. [13] en de daaropvolgende rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Nu verweerder de afvalligheid van eiser geloofwaardig heeft geacht, heeft verweerder ten onrechte aan zijn beoordeling ten grondslag gelegd dat eiser problemen kan voorkomen door zijn afvalligheid niet kenbaar te maken. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser niet eerder onder het huidige Talibanregime als afvallige heeft geleefd en daarom niet kan worden vastgesteld dat hij zich zonder risico aan de aandacht van de Taliban zal kunnen onttrekken.
Samenhang van omstandigheden
11. Naar het oordeel van de rechtbank dient gewicht te worden toegekend aan de cumulatie van omstandigheden, te weten: de eerdere werkzaamheden van eiser voor het Amerikaanse leger, de bekendheid van die werkzaamheden binnen zijn lokale gemeenschap, de mogelijkheid dat derden hierover informatie verstrekken aan de Taliban, de in de landeninformatie beschreven verdenkingen jegens personen met banden met westerse mogendheden, zijn afvalligheid alsmede de huidige mensenrechtensituatie onder het Talibanregime. Zoals het EHRM heeft overwogen dient juist de gezamenlijke impact van deze factoren te worden beoordeeld en niet elk element afzonderlijk te worden gerelativeerd. [14]
12. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, niet leiden tot een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM bij terugkeer naar Afghanistan. De verwijzing naar het ontbreken van een hogere functie, het verstreken tijdsverloop sinds beëindiging van de werkzaamheden en het ontbreken van direct bewijs dat de Taliban reeds kennis draagt van eisers identiteit, is daarvoor onvoldoende. Een integrale beoordeling van alle relevante omstandigheden is hiervoor aangewezen. [15]

Conclusie en gevolgen

13. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet, gelet op de aard van het gebrek, geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken.
14. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 25 april 2025;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan op 9 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
4.Arrest van 26 maart 2026,
5.Algemeen ambtsbericht.
6.Zie pagina 46.
7.Zie pagina 51 en 52.
8.Zie pagina 52.
9.European Union Agency for Asylum.
10.Afghanistan: Country Focus (2026) p. 106.
12.Aanvullend gehoor p. 20 en 21.
13.ECLI:EU:C:2012:518.