Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15660

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
09/292097-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVWArt. 5a WVWArt. 175 WVWArt. 179 WVWArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor roekeloos rijden met dodelijk ongeval en zwaar letsel

Op 30 maart 2025 reed de verdachte met een snelheid van 82 tot 88 km/u op een weg met een maximumsnelheid van 50 km/u en negeerde zij een rood verkeerslicht op een druk kruispunt in Den Haag. Hierdoor veroorzaakte zij een aanrijding waarbij één slachtoffer overleed en een ander zwaar lichamelijk letsel opliep.

De rechtbank stelde vast dat de verdachte de verkeersregels in ernstige mate en opzettelijk had geschonden, wat kwalificeert als roekeloosheid. Het causale verband tussen het rijgedrag en het ongeval met de fatale gevolgen werd overtuigend bewezen.

De officier van justitie eiste 24 maanden gevangenisstraf en 5 jaar rijontzegging, terwijl de verdediging pleitte voor een taakstraf en voorwaardelijke ontzegging. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan 6 voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, en een rijontzegging van 3 jaar.

Daarnaast werden schadevergoedingen aan de benadeelde partijen toegekend, inclusief immateriële schade en wettelijke rente, en werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd aan de verdachte ten behoeve van de Staat.

De rechtbank oordeelde dat de straf passend is gezien de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het lage recidiverisico.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf (6 voorwaardelijk) en 3 jaar rijontzegging wegens roekeloos rijden met dodelijk ongeval en zwaar letsel.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/292097-25
Datum uitspraak: 11 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 28 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.R.C. Polderman en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. P.P. Zomer naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld het feit kan worden bewezenverklaard, met uitzondering van de ten laste gelegde bestanddelen ‘roekeloos’ en ‘zeer onvoorzichtig en/of onoplettend’. Het bestanddeel ‘aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend’ valt wel te bewijzen, aldus de raadsman.
Op specifieke standpunten wordt – voor zover relevant – hierna nader ingegaan.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Feitelijke toedracht
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. De verdachte reed op 30 maart 2025 omstreeks 12:57 uur als bestuurder van een personenauto op de Ypenburgse Stationsweg in Den Haag. Zij is met een snelheid van 82 kilometer per uur op de kruising met het Koning Willem-Alexanderviaduct afgereden, terwijl op deze weg een maximumsnelheid gold van 50 kilometer per uur. Aldaar zijn, in haar rijrichting, drie rijstroken. Twee daarvan voor rechtsaf, en één voor rechtsdoor. De verdachte reed weliswaar in de linkerrijstrook voor rechtsafgaand verkeer, maar reed rechtdoor de kruising op, terwijl zij accelereerde tot een snelheid van 88 kilometer per uur en het verkeerslicht voor deze richting al geruime tijd, namelijk ruim 22 seconden, op rood stond. Op de kruising is de personenauto van de verdachte in botsing geraakt met de van rechts komende personenauto van slachtoffer [slachtoffer 1] , die vlak daarvoor was opgetrokken bij groen licht. De personenauto van [slachtoffer 1] is vervolgens tegen de personenauto van slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] gebotst welke auto parallel aan de auto van [slachtoffer 1] optrok. De verdachte heeft pas een halve seconde voor het ongeval geremd. Haar snelheid op het moment van de botsing bedroeg 63 kilometer per uur. Het ongeval vond overdag, dus bij daglicht, plaats en het was droog weer en het wegdek was eveneens droog.
Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 3] hebben ten gevolge van het ongeval letsel opgelopen. [slachtoffer 3] is enige dagen na het ongeval overleden.
De mate van schuld
Om tot bewezenverklaring te kunnen komen van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994 (hierna: WVW), is onder meer vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is. Dat betekent dat causaal verband moet bestaan tussen de gedragingen van de verdachte en het ongeval. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval. De verdachte heeft het verkeerslicht voor rechtdoor, dat al bijna een halve minuut op rood stond, genegeerd, terwijl zij 32 tot 38 kilometer per uur harder reed dan was toegestaan. Als gevolg daarvan is de verdachte met haar personenauto in botsing gekomen met de personenauto van slachtoffer [slachtoffer 1] , voor wie het verkeerslicht even daarvoor op groen was gesprongen.
Verder moet de verdachte ten aanzien van het verkeersongeval een schuldverwijt kunnen worden gemaakt. Schuld, in juridische zin, kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijk onvoorzichtig tot roekeloos, wat geldt als de zwaarste vorm van schuld. De officier van justitie heeft (ook) die zwaarste schuldvorm aan de verdachte ten laste gelegd. De rechtbank zal moeten beoordelen of daarvan sprake is.
Roekeloosheid
Met de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik daarvan willen verbreden. Daartoe is in artikel 175 WVW Pro, dat de strafbepaling van artikel 6 WVW Pro bevat, aan het tweede lid toegevoegd dat van roekeloosheid
in elk gevalsprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt. De rechtbank begrijpt deze bepaling zo dat zij dient te beoordelen of het gedrag van de verdachte dat heeft geleid tot het aan haar schuld te wijten ongeval ook voldoet aan de delictsomschrijving van artikel 5a, eerste lid, WVW. Is dat het geval, dan bestaat de schuld daarmee in roekeloosheid.
Artikel 5a WVW
De rechtbank moet beoordelen of de verdachte met het hiervoor vastgestelde verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of zij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of zij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
a. a) De verkeersregels
De rechtbank heeft al vastgesteld dat de verdachte de maximumsnelheid heeft overschreden en door een rood verkeerslicht is gereden. Deze gedragingen zijn in artikel 5a, eerste lid, WVW uitdrukkelijk benoemd als voorbeeld van het schenden van de verkeersregels. De verdachte heeft dus de verkeersregels geschonden als bedoeld in dat artikel.
b) In ernstige mate
Artikel 5a WVW heeft alleen betrekking op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Gekeken moet worden naar de aard en het samenstel van de gedragingen van de verdachte, waarbij alle omstandigheden waaronder de gedragingen werden verricht, in ogenschouw worden genomen.
Op basis van de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte de verkeersregels geldende op de Ypenburgse Stationsweg in ernstige mate heeft geschonden. De verdachte reed immers vijf seconden voor het ongeval met een snelheid van 82 kilometer per uur op de verkeerslichten bij het kruispunt af, terwijl het voor haar rijrichting geldende verkeerslicht toen al 17,3 seconden rood licht uitstraalde. Zij heeft na het negeren van het rode licht haar snelheid nog verder opgevoerd tot 88 kilometer per uur in de laatste seconde voor het verkeersongeval, terwijl op deze weg een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur gold. Naast het negeren van het voor haar rijrichting geldende rode verkeerslicht, heeft de verdachte de toegestane maximale snelheid overschreden met 32 tot 38 kilometer per uur. Het verkeerslicht voor rechtdoor stond op het moment dat de verdachte de kruising op reed al 22,3 seconden op rood. Nu de verdachte ter zitting heeft verklaard dat zij tijdens het rijden niet werd afgeleid, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte heeft gezien dat het verkeerslicht op rood stond. Desalniettemin heeft zij ervoor gekozen om door te rijden, wetende dat ander verkeer de kruising op zou kunnen komen rijden.
De verdachte heeft bovengenoemde gedragingen verricht op een drukke kruising – het betreft immers een oprit/afrit naar/van de snelweg A12 – op een moment dat er veel verkeer was, namelijk midden op de dag. Door te rijden zoals de verdachte daar in die omstandigheden heeft gereden, heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank de verkeersregels in ernstige mate geschonden.
c) Opzettelijk
Artikel 5a WVW vereist dat het opzet van de verdachte zowel gericht is geweest op het schenden van de verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regels. Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet kunnen worden afgeleid dat de gedragingen in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels gericht zijn geweest.
De rechtbank is van oordeel dat het rijden met zo veel te hoge snelheid niet anders dan opzettelijk kan worden gedaan. Door de maximaal toegestane snelheid van 50 kilometer per uur met 32 tot 38 kilometer per uur te overschrijden en een voor haar rijrichting bestemd – reeds geruime tijd – rood uitstralend verkeerslicht te negeren, heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank ook opzet gehad op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
d) Gevaar te duchten
Om vast te stellen dat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of gevaar voor het leven van anderen te duchten was, moet dat gevaar ten tijde van het handelen van de verdachte, naar algemene ervaringsregels, voorzienbaar zijn geweest. In zijn algemeenheid acht de rechtbank het voorzienbaar dat er een zeer gevaarlijke situatie ontstaat door het negeren van een rood verkeerslicht op een druk kruispunt of door het in grove mate schenden van de maximumsnelheid. De combinatie van beide gedragingen maakt de mate van gevaarzetting alleen maar groter. Dat die situatie zich in dit geval ook daadwerkelijk heeft voorgedaan, blijkt wel uit het feit dat de verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij een van de slachtoffers (zwaar lichamelijk) letsel heeft opgelopen en een ander slachtoffer is komen te overlijden. De rechtbank acht daarom bewezen dat er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was.
Dat betekent dat de gedragingen van de verdachte die tot het ongeval hebben geleid, tevens kunnen worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW. Daarmee heeft de verdachte de zwaarste vorm van schuld aan dat ongeval, namelijk roekeloosheid.
Causaal verband ongeval – letsel/dood
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen op basis van artikel 6 WVW Pro moet causaal verband bestaan tussen het verkeersongeval en het letsel of de dood van het slachtoffer.
De rechtbank stelt aan de hand van de bewijsmiddelen vast dat het slachtoffer [slachtoffer 1] als gevolg van het ongeval zeven gebroken ribben en meerdere snijverwondingen aan onder meer zijn gezicht heeft opgelopen. Uit de medische verklaring blijkt dat [slachtoffer 1] een aantal dagen in het ziekenhuis opgenomen is geweest en de genezingsduur op dat moment werd geschat op zes weken bij ongecompliceerd beloop. Uit het verhoor van het slachtoffer bij de politie bijna drie maanden na het ongeval blijkt dat hij nog niet volledig was hersteld, aangezien hij nog dagelijks pijn in zijn rug had. De rechtbank oordeelt dan ook dat het letsel bij slachtoffer [slachtoffer 1] als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.
De rechtbank stelt aan de hand van de bewijsmiddelen vast dat slachtoffer [slachtoffer 3] als gevolg van de aanrijding meerdere ribfracturen en een fractuur van het borstbeen heeft opgelopen. Tijdens de opname in het ziekenhuis na het ongeval heeft slachtoffer [slachtoffer 3] een longontsteking ontwikkeld als gevolg waarvan zij is overleden. Op basis van het schouwverslag acht de rechtbank het causaal verband tussen het letsel dat slachtoffer [slachtoffer 3] bij de aanrijding heeft opgelopen en het daaropvolgende overlijden gegeven.
Conclusie
De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
zij op 30 maart 2025 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Ypenburgse Stationsweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos als volgt te handelen:
- haar aandacht niet voldoende op
dezich aldaar bevindende verkeersdeelnemers te houden, en
- door te rijden met een snelheid van ongeveer tussen de 82 en 88 kilometer per uur, een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur, en
- terwijl zij reed over de middelste rijbaan, welke bestemd was voor rechts afslaand verkeer, de kruising rechtdoor over te steken, en
- daarbij een voor de door haar gevolgde rijrichting bestemd rood licht uitstralend verkeerslicht te negeren, en
- haar snelheid niet zodanig te regelen dat zij, verdachte, in staat was haar voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien,
ten gevolge waarvan een aanrijding is ontstaan met twee personenauto’s, te weten een Ford Fiesta (met daarin [slachtoffer 1] ) en een Volkswagen (met daarin [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] ), waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 3] ) werd gedood en waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere (7) gebroken ribben en meerdere snijverwondingen.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaar.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte verzocht om een taakstraf van 200 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van negen maanden op te leggen, met een proeftijd van twee jaar.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft met haar auto een zeer ernstige aanrijding veroorzaakt, ten gevolge waarvan slachtoffer [slachtoffer 3] is overleden en slachtoffer [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De verdachte heeft met een veel te hoge snelheid, van 88 kilometer per uur waar een toegestane maximale snelheid van 50 kilometer per uur gold, gereden terwijl zij een kruising opreed. Zij heeft hierbij een rood verkeerslicht genegeerd, terwijl de slachtoffers groen licht hadden en eveneens de kruising opreden.
Slachtoffer [slachtoffer 3] is, als gevolg van het bij die aanrijding opgelopen letsel, vier dagen later in het ziekenhuis overleden. De onomkeerbare gevolgen van het ongeval hebben de nabestaanden geschokt en het leed en gemis door haar overlijden is voor haar dierbaren enorm, zoals ook is gebleken uit de slachtofferverklaring die namens de familie op de terechtzitting is voorgedragen. Slachtoffer [slachtoffer 1] had als gevolg van het ongeval zeven gebroken ribben en is meerdere dagen in het ziekenhuis opgenomen geweest. Ter terechtzitting is tevens gebleken dat slachtoffer [slachtoffer 1] gedurende een lange periode onder behandeling heeft gestaan van een fysiotherapeut. Nog altijd heeft hij last van zijn rug, wat hem beïnvloedt in zijn dagelijks leven en werk.
Door haar roekeloze rijgedrag heeft de verdachte als automobilist onaanvaardbare risico's genomen voor de verkeersveiligheid en heeft zij haar verantwoordelijkheid als weggebruiker ernstig veronachtzaamd, met fatale gevolgen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 20 april 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat zij eerder een geldboete opgelegd heeft gekregen voor een forse overschrijding van de maximumsnelheid.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van
21 mei 2026, waaruit volgt dat sprake is van een laag recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte, haar een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
De straffen
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaar voor het veroorzaken van een verkeersongeval met een dodelijk slachtoffer bij een zeer hoge mate van schuld.
Het uitgangspunt voor het veroorzaken van een verkeersongeval, waaraan de verdachte in zeer hoge mate schuldig is, dat heeft geleid tot een slachtoffer met zwaar lichamelijk letsel, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaar. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat sprake is geweest van roekeloosheid.
Anders dan de verdediging heeft bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding om de leeftijd en gezondheidssituatie van het overleden slachtoffer [slachtoffer 3] in strafmatigende zin mee te wegen.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden passend en geboden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren.
De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [slachtoffer 2] hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces en vorderen ieder een schadevergoeding van
€ 2.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat (steeds) uit immateriële schade in de vorm van affectieschade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan de hoogte van de door de benadeelde partijen gevorderde schadevergoedingen en heeft de rechtbank verzocht de toe te wijzen schadevergoedingen te vermeerderen met de wettelijke rente en toepassing te geven aan de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partijen, als echtgenoot en kinderen van het overleden slachtoffer [slachtoffer 3] , voor vergoeding in aanmerking komende affectieschade hebben geleden door het bewezen verklaarde feit. Op grond van het Besluit vergoeding Affectieschade heeft de echtgenoot van het slachtoffer recht op een vergoeding van € 20.000,- en de kinderen van het slachtoffer op een vergoeding van € 17.500,-. Door de verzekeraar van de verdachte zijn reeds bedragen uitgekeerd (€ 17.500,- aan de echtgenoot en € 15.000,- aan de kinderen). De echtgenoot en de kinderen hebben het resterende bedrag van € 2.500,- als benadeelde partij in het strafproces gevorderd.
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vorderingen van [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [slachtoffer 2] toewijzen tot een bedrag van € 2.500,-, bestaande uit immateriële schade, in de vorm van affectieschade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal ten aanzien van alle vorderingen de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 4 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenvergoeding
Nu de vorderingen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en zij is daarom tegenover de benadeelde partijen aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hen is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 12.500,-, bestaande uit:
  • € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [naam 1] ;
  • € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [naam 2] ;
  • € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [naam 3] ;
  • € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [naam 4] ;
  • € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 2] .

8.De inbeslaggenomen voorwerpen

Nu de inbeslaggenomen personenauto reeds is teruggegeven aan de verdachte, zal de rechtbank niet beslissen op het beslag.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c en 36f van het Wetboek van Strafrecht;
- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
12 (TWAALF) MAANDEN;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
6 (ZES) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van
3 (DRIE) JAREN;
de vorderingen van de benadeelde partijen;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen toe en veroordeelt de verdachte om te betalen:
een bedrag van € 2.500,-, aan:
[naam 1], vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 april 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
een bedrag van € 2.500,-, aan:
[naam 2], vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 april 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
een bedrag van € 2.500,-, aan:
[naam 3], vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 april 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
een bedrag van € 2.500,-, aan:
[naam 4], vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 april 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
een bedrag van € 2.500,-, aan:
[slachtoffer 2], vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 april 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
de schadevergoedingsmaatregelen;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van
[naam 1];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van
[naam 2];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van
[naam 3];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van
[naam 4];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van
[slachtoffer 2];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partijen heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partijen te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.W. de Wit, voorzitter,
mr. I.C. Kranenburg, rechter,
mr. S.E. Bandsma, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L. Molenaar, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 juni 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
zij op of omstreeks 30 maart 2025 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Ypenburgse Stationsweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen:
- haar aandacht niet voortdurend en/of voldoende op die weg en/of die zich aldaar bevindende verkeersdeelnemers te houden, en/of
- door te rijden met een snelheid van ongeveer tussen de 82 en 88 kilometer per uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur, en/of
- terwijl zij reed over de middelste rijbaan, welke bestemd was voor rechts afslaand verkeer, de kruising rechtdoor over te steken, en/of
- (daarbij) een voor de door haar gevolgde rijrichting bestemd rood licht uitstralend verkeerslicht niet (tijdig) op te merken en/of te negeren, en/of
- haar snelheid niet zodanig te regelen dat zij, verdachte, in staat was haar voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien,
ten gevolge waarvan een aanrijding is ontstaan met twee personenauto’s, te weten een Ford Fiesta (met daarin [slachtoffer 1] ) en een Volkswagen (met daarin [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] ), waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 3] ) werd gedood
en/of waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere (7) gebroken ribben en/of meerdere snijverwondingen, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.