Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15621

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
C/09/683406 / FA RK 25-2720
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 BWArt. 1:212 BWArt. 22 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming erkenning minderjarige met DNA-onderzoek

De man verzocht de rechtbank om vervangende toestemming voor de erkenning van een minderjarige, aangezien de moeder geen toestemming gaf. De moeder voerde verweer en verzocht om nader onderzoek naar de situatie uit het verleden en de omgang met andere kinderen.

De rechtbank overwoog dat vervangende toestemming alleen kan worden gegeven als het vaderschap vaststaat en de belangen van het kind en de moeder niet worden geschaad. Omdat de moeder twijfelde aan het vaderschap, werd een DNA-onderzoek gelast om hierover duidelijkheid te verschaffen.

Partijen stemden in met het DNA-onderzoek via de huisarts van de moeder, waarbij de kosten gelijk worden verdeeld. De behandeling van het verzoek wordt aangehouden tot het rapport van het DNA-onderzoek is ontvangen. Afhankelijk van de uitkomst zal de bijzondere curator opnieuw rapporteren over de situatie.

De rechtbank bepaalde dat indien de moeder niet tijdig het DNA-rapport overlegt, de zaak kan worden afgedaan op basis van artikel 22 Rv Pro. De pro forma behandeling is aangehouden tot 1 augustus 2026.

De beschikking is gegeven door rechter E.D.A. Geleijns, tevens kinderrechter, en griffier S.B. Boekema op 11 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank gelast een DNA-onderzoek om het vaderschap vast te stellen en houdt de behandeling van het verzoek tot vervangende toestemming erkenning aan.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-2720
Zaaknummer: C/09/683406
Datum beschikking: 11 mei 2026

Vervangende toestemming erkenning

Beschikking op het op 3 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. Rijsdam te Leiden (voorheen mr. R.A.M. Kamphuis-Jansen van Rosendaal).
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H.H.R. Bruggeman te Leiderdorp,

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2025 te [geboorteplaats 1] ,
de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. D.G.M. van den Hoogen,
advocaat te Leiden , in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift van de moeder, tevens voorwaardelijk zelfstandig verzoek;
  • het verweerschrift op het zelfstandig verzoek;
  • het voorlopig verslag van de bijzondere curator van 22 mei 2025;
  • het F9-bericht van de bijzondere curator van 26 mei 2025;
  • het F9-bericht van de man van 22 juli 2025;
  • het F9-bericht van de moeder van 18 augustus 2025, met bijlage;
  • het F9-bericht van de man van 26 augustus 2025, met bijlagen.
Op 30 maart 2026 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat en twee begeleiders;
  • de bijzondere curator via een videoverbinding;
  • [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man strekt ertoe hem vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) te verlenen, zodat hij de minderjarige kan erkennen, met benoeming van een bijzondere curator ten behoeve van de minderjarige.
De moeder heeft verweer gevoerd welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken en verzoekt voorwaardelijk – in het geval dat de rechtbank het geven van vervangende toestemming voor erkenning overweegt –: te bepalen dat de Raad onderzoek zal doen naar de situatie uit het verleden die heeft geleid tot het weigeren van het onder toezicht stellen van en het weigeren van de erkenning en de omgang met de andere oudere biologische kinderen van partijen, alsmede dat in dit onderzoek wordt geadviseerd over de vraag of deze feiten en omstandigheden zich nog steeds voordoen of dat er nieuwe feiten en omstandigheden zijn, die leiden tot de aanwezigheid van één van de uitzonderingsgronden van artikel 1:204 lid 3 BW Pro.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben samengeleefd.
  • Uit de moeder is geboren de voormelde [minderjarige] .
  • [minderjarige] is niet erkend.
  • De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
  • De moeder geeft geen toestemming voor de erkenning door de man.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 29 april 2025 is mr. D.G.M. van den
Hoogen voornoemd benoemd tot bijzondere curator om de minderjarige ingevolge
artikel 1:212 BW Pro te vertegenwoordigen.

Beoordeling

Vervangende toestemming erkenning
Artikel 1:204 lid 3 BW Pro bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Hoewel de moeder aanvankelijk aangaf geen twijfels te hebben over het verwekkerschap van de man, heeft zij op de zitting kenbaar gemaakt dat zij toch niet zeker weet of de man de verwekker is van [minderjarige] . Voordat de rechtbank beslist over de vervangende toestemming voor erkenning, moet hierover duidelijkheid komen. Een DNA-onderzoek is hiervoor het meest passende middel. Beide partijen hebben zich op de zitting bereid verklaard om mee te werken aan een dergelijk onderzoek.
Uit de berichten die de rechtbank na de zitting van partijen heeft ontvangen, volgt dat zij de voorkeur geven aan een DNA-onderzoek via de huisarts boven een test via Verilabs, vanwege de lagere kosten. De huisarts van de vrouw, [naam 2] van [naam praktijk] , gevestigd aan de [adres] te [plaats] , heeft zich bereid verklaard om de DNA-test af te nemen. De rechtbank zal partijen de opdracht geven om het DNA-onderzoek via genoemde huisarts te laten uitvoeren. Partijen zullen een DNA-kit bestellen via DNA-Center.com. Zij zullen de kosten hiervan 50/50 delen.
De rechtbank zal de behandeling van het verzoek pro forma aanhouden in afwachting van de rapport met de uitkomst van het DNA-onderzoek. Hieruit moet in ieder geval ook blijken:
  • dat de identiteit van degenen van wie voor onderzoek een monster is afgenomen zorgvuldig is vastgesteld;
  • het rapport moet voorts te zijn gedagtekend en ondertekend door een met name genoemd persoon met een daartoe relevante studie die de conclusie van het DNA-onderzoek voor zijn rekening neemt.
Indien uit het DNA-onderzoek blijkt dat de man met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de verwekker is van [minderjarige] , verlangt de rechtbank van de bijzondere curator dat zij opnieuw met de moeder spreekt en een nadere rapportage indient.

Beslissing

De rechtbank:
draagt partijen op om een DNA-onderzoek te laten uitvoeren dat voldoet aan de eisen zoals in deze beschikking staan omschreven en bepaalt dat de vrouw uiterlijk vier weken vóór de na te noemen pro forma datum een rapport overlegt van onderzoek naar het DNA van:
de man: [de man] , geboren op [geboortedatum 2] 1984 te [geboorteplaats 2] ;
de vrouw: [de moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1992 te [geboorteplaats 2] ; en
de minderjarige: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2025 te [geboorteplaats 1] ;
waarbij het onderzoek wordt verricht door de huisarts van de vrouw, [naam 2] (BIG [nummer] ) van [naam praktijk] , gevestigd aan de [adres] te [plaats] ;
bepaalt dat de man en de bijzondere curator uiterlijk twee weken voor genoemde pro forma datum zullen kunnen reageren;
bepaalt dat indien de vrouw aan het hierbij bepaalde niet geheel of gedeeltelijk voldoet, de zaak met toepassing van artikel 22 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan;
bepaalt dat de behandeling van het verzoek tot
gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wordt aangehouden tot 1 augustus 2026 pro forma;
Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026.