Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15617

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
C/09/699845 / FA RK 26-1643
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling zorg- en opvoedingstaken en voorlopige informatieregeling minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader tot vaststelling van een zorgregeling en informatieregeling met betrekking tot hun minderjarige kind, geboren in 2018. De vader erkent het juridisch vaderschap en wenst contact met het kind op te bouwen, terwijl de moeder zich verzet tegen contact vanwege de aanwezigheid van een andere man die als vader wordt gezien en uit angst voor de vader.

De rechtbank bevestigt het juridisch vaderschap van de vader en constateert een wijziging van omstandigheden die een herziening van de omgangsregeling rechtvaardigt. Gezien de complexe gezinssituatie en mogelijke verwarring voor het kind acht de rechtbank nader onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming noodzakelijk, met speciale aandacht voor statusvoorlichting en de thuissituatie.

Voorlopig wordt een informatieregeling vastgesteld waarbij de moeder de vader elke twee maanden en bij belangrijke gebeurtenissen schriftelijk informeert over het welzijn en de ontwikkeling van het kind. De behandeling van de zaak wordt aangehouden tot na ontvangst van het rapport van de Raad, waarna verdere beslissingen worden genomen.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige informatieregeling vast en gelast nader onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, waarna verdere beslissingen volgen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-1643
Zaaknummer: C/09/699845
Datum beschikking: 11 mei 2026

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en informatieregeling

Beschikking op het op 18 februari 2026 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. K. Moene te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Arslan te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 20 februari 2026 van de advocaat van de vader, met bijlage.
Op 13 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat en tolk K. Memsah;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam 1], namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige].
- Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat de vader de Ghanese nationaliteit heeft en dat de moeder en [minderjarige] de Nederlandse nationaliteit hebben.
- Bij beschikking van 16 augustus 2022 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:
- de doorhaling gelast van de latere vermelding bij de geboorteakte, betreffende de met toestemming van de moeder gedane erkenning op 29 januari 2021 door [naam 2] van [minderjarige];
- de vader toestemming verleend, die de toestemming van de moeder vervangt, tot erkenning van [minderjarige];
- bepaald dat, zodra de vader [minderjarige] met voormelde vervangende toestemming heeft erkend, voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over [minderjarige];
- de doorhaling gelast, zodra de vader [minderjarige] met voormelde vervangende toestemming heeft erkend, van de op 17 februari 2021 gemaakte aantekening in het gezagsregister dat [naam 2] gezamenlijk met de moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige];
- een (opbouwende) omgangsregeling bepaald tussen [minderjarige] en de vader.
- Bij beschikking van 2 april 2025 van het gerechtshof Den Haag is – voor zover hier van belang – de beschikking van 16 augustus 2022 van deze rechtbank bekrachtigd.
- Bij beschikking van 1 oktober 2025 van het gerechtshof Den Haag is – voor zover hier van belang – de beschikking van 2 april 2025 gewijzigd, in die zin dat het dictum als volgt is aangevuld:
- draagt de griffier op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en indien daartegen geen cassatie is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente.

Verzoek en verweer

De vader heeft verzocht – indien nodig met wijziging van de beschikking van 16 augustus 2022 –:
- te bepalen dat [minderjarige] bij de vader is:
- met ingang van de datum van de beschikking: elke zaterdag van 14.00 uur tot 16.00 uur, waarbij de omgang zal worden begeleid door de moeder dan wel door een door de moeder aangewezen derde persoon;
- met ingang van twee maanden na de datum van de beschikking: elke zaterdag van 12.00 uur tot 16.00 uur;
- met ingang van vier maanden na de datum van de beschikking: elke zaterdag van 09.00 uur tot 16.00 uur;
- met ingang van vijf maanden na de datum van de beschikking: elke vrijdag van 17.00 uur tot zaterdag 17.00 uur, mits de vader aantoonbaar over woon/verblijfsruimte beschikt waar [minderjarige] kan overnachten;
- waarbij de vader [minderjarige] telkens bij de moeder ophaalt en weer thuisbrengt;
- te bepalen dat de moeder de door de rechtbank te bepalen zorg/contactregeling dient na te komen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per (gedeelte van de) dag dat de moeder in gebreke blijft daaraan te voldoen;
- te bepalen dat de moeder iedere twee maanden (te weten voor 1 januari, 1 maart, 1 mei, 1 juli, 1 september en 1 november), alsook tussentijds bij belangrijke gebeurtenissen, de vader per e-mail schriftelijke informatie verschaft over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige], waarbij in ieder geval informatie wordt verschaft over ‘gewichtige aangelegenheden’ met betrekking tot de persoon en het vermogen van [minderjarige] (waaronder medische informatie) en waarbij de vader wordt geraadpleegd over daaromtrent te nemen beslissingen;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder heeft mondeling verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling).
Juridisch kader
Aangezien de ouders gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag over [minderjarige] is artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing op het verzoek tot wijziging van de zorgregeling. Uit het vierde lid van artikel 1:253a BW volgt dat artikel 1:377e BW van overeenkomstige toepassing is, zodat de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Het is de rechtbank, gelet op het vijfde lid van artikel 1:253a BW, niet gelukt om een vergelijk tussen de ouders te beproeven. De rechtbank neemt daarom een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Standpunt vader
De vader heeft verzocht om een zorgregeling met [minderjarige] vast te stellen. Hij heeft aangegeven dat bij hem geen twijfel bestaat dat hij de biologische vader van [minderjarige] is. De vader wil graag contact met [minderjarige] en een vaderrol in zijn leven vervullen. De vader begrijpt dat het contact tussen hem en [minderjarige] moet worden opgebouwd, omdat hij [minderjarige] sinds juni 2020 niet meer heeft gezien. Daartoe is de vader ook bereid om mee te werken aan hulpverlening. Verder heeft de vader betwist, zoals de moeder heeft gesteld, dat hij manipulatief richting de moeder is. Op de zitting heeft de vader aangeboden om met de moeder een herstelgesprek dan wel een hernieuwd kennismakingsgesprek te voeren, zodat de vader kan aangeven wat zijn doel met deze procedure is en hij mogelijk nadere uitleg kan geven over onduidelijkheden die bij de moeder bestaan.
Standpunt moeder
Op de zitting heeft de moeder zich verzet tegen contact tussen de vader en [minderjarige]. Zij heeft aangegeven dat [minderjarige] de partner van de moeder, [naam 2], als zijn vader kent. De moeder heeft gesteld dat zij een duurzame relatie heeft met [naam 2] en dat hij de biologische vader is van [minderjarige]. Het introduceren van de vader aan [minderjarige] zou verwarrend voor hem kunnen zijn, omdat [minderjarige] de vader al jaren niet meer heeft gezien. Hierdoor zou [minderjarige] ook problematiek kunnen ontwikkelen en vragen aan de moeder kunnen gaan stellen waar zij geen antwoord op heeft. Bovendien heeft de moeder aangegeven dat zij bang is voor de vader. De moeder wil niet dat haar leven en dat van [minderjarige] door de vader wordt verstoord. Vaststelling van een zorgregeling met de vader is niet in het belang van [minderjarige].
Overwegingen rechtbank
Voor zover de moeder met haar verweer bedoelt te betogen dat verzoeker niet de vader is van [minderjarige] en dat hij daardoor geen recht heeft op omgang met [minderjarige], volgt de rechtbank de moeder niet. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Bij beschikking van 16 augustus 2022 is het juridisch vaderschap van de vader over [minderjarige] vastgesteld. In die procedure heeft de rechtbank een DNA-onderzoek gelast, waar de moeder haar medewerking niet aan heeft willen verlenen. Daarom heeft de rechtbank het aannemelijk geacht dat de vader de verwekker is van [minderjarige]. De moeder heeft van die beschikking hoger beroep ingesteld. In de hogerberoepsprocedure bij het gerechtshof heeft de vader foto’s overgelegd waarop hij samen met de moeder en [minderjarige] te zien is. Het hof heeft in zijn beschikking van 2 april 2025 overwogen dat uit de door de vader aangeleverde stukken, in het bijzonder de foto’s met baby [minderjarige] die in huiselijke sfeer zijn genomen, is gebleken dat er een band bestaat tussen de moeder, [minderjarige] en de vader. Het hof heeft geoordeeld dat de rechtbank op goede gronden heeft bepaald dat het aannemelijk is dat de vader de verwekker is van [minderjarige]. De rechtbank moet dus ook in deze procedure uitgaan van het juridisch vaderschap van de vader over [minderjarige]. Op de zitting heeft de moeder overigens wederom aangegeven dat zij niet wil meewerken aan een DNA-onderzoek.
Nu de vastgestelde opbouwende omgangsregeling, die in december 2022 van start zou gaan, niet is uitgevoerd en gelet op de daarna gevoerde procedures en de erkenning door de vader van [minderjarige], is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, waardoor de omgangsregeling opnieuw tegen het licht moet worden gehouden.
Het uitgangspunt is gelet op het vastgestelde vaderschap dat [minderjarige] recht en belang heeft bij onbelast contact met de vader. De vader heeft eveneens belang bij het (opnieuw) leren kennen van [minderjarige] en contact met hem. In zoverre dient er in beginsel een regeling te worden vastgesteld. Er zijn echter omstandigheden die maken dat de rechtbank zich op dit moment onvoldoende voorgelicht acht over de vraag welke regeling in het belang van [minderjarige] zou zijn. Het betreft de volgende omstandigheden. De moeder heeft aangevoerd dat [minderjarige] nu een andere man dan de vader (namelijk: [naam 2]) ‘papa’ noemt en deze man al geruime tijd een vaderrol voor [minderjarige] inneemt. Op de zitting heeft de moeder grote weerstand laten zien tegen enig contactherstel tussen de vader en [minderjarige]. Als [minderjarige] inderdaad een andere man in zijn leven heeft die hij als vader ziet en als de moeder het contactherstel niet ondersteunt, kan het voor [minderjarige] ingewikkeld en verwarrend zijn om nu – zonder adequate begeleiding en uitleg - met de vader te worden geconfronteerd. Gelet daarop acht de rechtbank nader onderzoek noodzakelijk naar in hoeverre [minderjarige] nu afweet van het bestaan van de vader, naar de vraag of [minderjarige] een andere man als zijn vader ziet, naar de mogelijkheden van statusvoorlichting voor [minderjarige] en naar de vraag hoe, rekening houdend met deze situatie en de belangen van [minderjarige], vervolgens het contact met de vader kan worden opgebouwd en vormgegeven. Zicht zal moeten worden verkregen op de thuissituatie van [minderjarige], mede nu de vader heeft betwist dat sprake is (geweest) van een relatie tussen de moeder en [naam 2]. Bovendien gaat de rechtbank ervan uit dat de Raad de door de moeder gestelde angst voor de vader in zijn onderzoek zal betrekken. De rechtbank geeft de Raad in overweging mee om gedurende het raadsonderzoek – indien mogelijk en als dat niet in strijd is met de belangen van [minderjarige] – al een aanvang te maken met de statusvoorlichting aan [minderjarige], eventueel met behulp van andere (hulpverlenings)instanties.
De rechtbank is dus van oordeel dat een onderzoek door de Raad geïndiceerd is. Dit onderzoek moet in ieder geval gericht zijn op de volgende vragen:
  • Is vaststelling van een zorgregeling met de vader in het belang van [minderjarige]? Zo ja, welke zorgregeling is in zijn belang?
  • Hoe dient de zorgregeling met de vader er qua aard, duur en frequentie uit te zien?
  • Is nadere hulpverlening voor de vader, de moeder en/of [minderjarige] noodzakelijk? Zo ja, welke hulpverlening wordt geadviseerd?
  • Hoe ziet de gezinssituatie van [minderjarige] er uit? Is er iemand in het leven van [minderjarige] die [minderjarige] al als vader ziet? Zo ja, hoe is die band en wat betekent dit voor de mogelijkheden voor opbouw van contact met de vader?
  • Zijn er zorgen over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader?
  • Zijn er volgens de Raad nog andere zaken van belang bij de beoordeling van de zaak?
Indien nodig kan de Raad het onderzoek uitbreiden met onderzoek naar een kinderbeschermingsmaatregel.
Iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, waaronder de verzochte dwangsom, zal pro forma worden aangehouden tot na te melden pro formadatum. Na ontvangst van het rapport en het advies van de Raad zal de rechtbank bezien of een nadere mondelinge behandeling nodig is. Indien de behandeling ter zitting wordt voortgezet, zal ook de Raad voor deze zitting worden opgeroepen.
De rechtbank heeft in de overweging betrokken dat [minderjarige] op enig moment in zijn leven meest waarschijnlijk erachter zal komen dat er onzekerheid bestaat of is geweest over wie zijn biologische vader is. Dit blijkt immers uit het feit dat op zijn geboorteakte is vermeld dat de vader hem met vervangende toestemming van de rechtbank heeft erkend. Hierdoor is het mogelijk dat [minderjarige] zal achterhalen dat er gerechtelijke procedures zijn gevoerd. Dit betekent dat ook in het geval de vader niet de biologische vader van [minderjarige] zou zijn, zoals de moeder stelt, aan [minderjarige] hierover voorlichting moet worden gegeven.
Zoals de rechtbank op de zitting ook (nogmaals) heeft gedaan, geeft de rechtbank aan de moeder mee dat het gelet op de onduidelijkheid die is ontstaan voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] belangrijk is dat hij weet wie zijn biologische vader is. De rechtbank wil de moeder dan ook uitdrukkelijk nogmaals in overweging geven om in het belang van [minderjarige] alsnog een DNA-onderzoek te laten verrichten, zoals ook op de zitting door de Raad is onderschreven.
Informatieregeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een informatieregeling.
Juridisch kader
Op grond van artikel 1:253a, tweede lid, sub c, BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen de wijze vaststellen waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft.
Overwegingen rechtbank
De vader heeft verzocht om een informatieregeling vast te stellen, waarbij de moeder hem iedere twee maanden en tussentijds bij belangrijke gebeurtenissen per e-mail informeert over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige]. De moeder heeft zich hiertegen verzet.
De rechtbank is van oordeel dat van de moeder verlangd kan worden dat zij de vader nu al, als voorlopige regeling, eens per twee maanden informeert over het welzijn van [minderjarige]. Het verzoek van de vader zal als voorlopige regeling worden toegewezen. Ten aanzien van de definitieve informatieregeling en ten aanzien van de verzochte consultatieregeling geldt dat mede van belang is wat uit het hiervoor bedoelde onderzoek van de Raad naar voren zal komen. De rechtbank acht het van belang dit af te wachten. De rechtbank kan dus niet beoordelen wat de gevolgen voor [minderjarige] zouden zijn van toewijzing dan wel afwijzing van het verzoek. De rechtbank zal de Raad daarom verzoeken om dit punt te betrekken in het onderzoek. De rechtbank zal de Raad daarom verzoeken ook de volgende vragen te beantwoorden:
- Is vaststelling van een informatie- consultatieregeling met de vader in het belang van [minderjarige]? Zo ja, welke informatie- consultatieregeling is in zijn belang?
Iedere verdere beslissing ten aanzien van de informatie- en consultatieregeling zal in afwachting van het onderzoek van de Raad worden aangehouden tot na te melden pro formadatum.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt als
voorlopigeinformatieregeling dat de moeder iedere twee maanden (te weten voor 1 januari, 1 maart, 1 mei, 1 juli, 1 september en 1 november), alsook tussentijds bij belangrijke gebeurtenissen, de vader per e-mail schriftelijke informatie verschaft over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige], waarbij in ieder geval informatie wordt verschaft over ‘gewichtige aangelegenheden’ met betrekking tot de persoon en het vermogen van [minderjarige] (waaronder medische informatie);
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
dat onderzoek dient onder meer antwoord te geven op de vraag welke regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en welke informatie- en consultatieregeling in het belang van [minderjarige] is te achten;
indien de Raad voor de Kinderbescherming van mening is dat een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken niet in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige], verzoekt de rechtbank de Raad een vervolgonderzoek te doen naar de wijze waarop dat contact gerealiseerd kan worden, indien nodig met behulp van proefcontacten;
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
houdt de behandeling aan tot na te melden pro formadatum; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de dwangsom en de informatieregelingaan tot
15 november 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.M. Westerhuis-Evers, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 11 mei 2026.